RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/314650 / HA ZA 23-83
Vonnis van 30 april 2025
in de zaak van
[eiseres in conventie, gedaagde in reconventie] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie] ,
advocaat: mr. J.P.H.J. Hermans,
tegen
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ,
advocaat: mr. E.B. Doganer.
1. Het verzoek tot verbetering
Bij e-mailbericht van 24 februari 2025 heeft de advocaat van [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie] verzocht het vonnis van 19 februari 2025 “te wijzigen op grond van art. 31 Rv, nu daar een kennelijke schrijffout in staat m.b.t. de uitvoerbaarheid bij voorraad. In de dagvaarding is verzocht om het vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Gezien het vorenstaande moge ik u, (...) verzoeken dit te corrigeren.”
Bij e-mailbericht van 11 maart 2025 heeft de rechtbank het voornoemde e-mailbericht van mr. Hermans doorgestuurd aan de advocaat van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] met het verzoek hierop uiterlijk 26 maart 2025 schriftelijk te reageren. De rechtbank heeft voorts laten weten dat zij na het verstrijken van genoemde datum op het verzoek zal beslissen, ook als de advocaat van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet reageert.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Anders dan [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie] heeft gesteld, betreft het naar het oordeel van de rechtbank geen
kennelijke schrijffout in de zin van art. 31 Rv, maar een verzoek ex art. 32 lid 1 Rv dat als
volgt luidt:
De rechter vult te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. De rechter gaat niet tot de aanvulling over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.
Vaststaat dat [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie] bij dagvaarding de uitvoerbaarheid bij voorraad heeft gevorderd. Gedurende de procedure heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank heeft in het vonnis van 19 februari 2025 verzuimd te beslissen op de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie] van 19 februari 2025 om het vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Gelet hierop zal het verzoek om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren worden toegewezen.
3. De beslissing
De rechtbank
vult het vonnis van 19 februari 2025 als volgt aan:
“verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad”
bepaalt dat deze aanvulling onder de vermelding van de datum 30 april 2025 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 19 februari 2025,
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 19 februari 2025 na ontvangst van dit aanvullende vonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2025.
JC