RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/342186 / JE RK 25-912
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verzoek tot ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht,
hierna te noemen: de raad,
over:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, kantoorhoudend in Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, kantoorhoudend in Roosendaal.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 mei 2025;
de brief van de vader van 23 juni 2025 (verzoek uitstel);
de mail van de kinderrechter aan de vader van 24 juni 2025 (beslissing uitstelverzoek);
de e-mail van de vader van 24 juni 2025 (reactie op afwijzing uitstel);
de e-mail van de kinderrechter aan de vader van 24 juni 2025;
de e-mail van [minderjarige 2] met een bijlage van 26 juni 2025 (reactie op het conceptrapport en uitstelverzoek voor de vader);
de e-mail van [minderjarige 1] met een bijlage van 26 juni 2025 (reactie op het conceptrapport en uitstel voor vader);
wrakingsverzoek van de vader van 26 juni 2025;
het verweerschrift van de vader met bijlagen van 26 juni 2025;
de berichten van de rechtbank dat de zitting niet doorgaat;
de beslissing van de wrakingskamer 31 juli 2025;
de stelbrief van mr. Van de Voort voor de vader van 8 september 2025;
de brief met een bijlage van mr. Van de Voort van 19 september 2025 (verzoek tot uitstel van de zitting);
het bericht van de raad van 22 september 2025 (aanhouding niet gewenst);
het bericht van de raad van 22 september 2025 (klacht moet nog worden behandeld);
bericht van de rechtbank van 22 september 2025: uitstelverzoek toegewezen
stelbrief mr. Wilhelmus namens de moeder van 12 december 2025;
het bericht van de rechtbank aan partijen over de nieuwe zittingsdatum van 18 december 2025;
het bericht van de raad van 7 januari 2026 (verzoek om het verweerschrift van de vader);
de stelbrief mr. De Jongh namens de vader van 9 januari 2026;
bericht onttrekking mr. Van de Voort namens de vader van 15 januari 2026;
het bericht van de raad van 11 februari 2026, met als bijlage een brief van 1 december 2025 aan de vader met betrekking tot de klachtafhandeling;
de brief met bijlagen van mr. De Jongh van 16 februari 2026 (verzoek wijziging zittingsdatum);
de e-mail van de rechtbank van 17 februari 2026 (verzoek aangeven klemmende redenen);
de brief met bijlagen van mr. De Jongh (verzoek wijziging zittingsdatum) van 18 februari 2026;
de e-mail met verhinderdata van mr. Wilhelmus van 18 februari 2026;
de beslissing van de wrakingskamer van 19 februari 2026;
het bericht van de rechtbank aan mr. De Jongh van 20 februari 2026 (afwijzing uitstelverzoek);
het wrakingsverzoek van de vader als wettelijke vertegenwoordiger van de kinderen van 20 februari 2026;
de beslissing van de wrakingskamer van 20 februari 2026;
de brief van mr. De Jongh van 23 februari 2026 tot uitstel van de zitting wegens ziekte;
het bericht van de rechtbank tot uitstel van de zitting van 23 februari 2026;
het bericht van mr. De Jongh met betrekking tot het kindverhoor van 6 maart 2026;
de berichten van de rechtbank aan mr. De Jongh van 6 maart 2026;
de beslissing van de wrakingskamer van 9 maart 2026.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
een vertegenwoordigster van de raad;
mr. Wilhelmus namens de moeder;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg Limburg, als toehoorder.
De moeder is niet verschenen. Haar advocaat heeft toegelicht dat zij afwezig is in verband met een begrafenis.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn naar hun mening gevraagd. De rechtbank heeft kennis genomen van de brieven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met hun reacties van 26 juni 2025 op het conceptrapport van de raad en (onder meer) de e-mail van [minderjarige 1] van 27 januari 2026, met als bijlage een e-mail van 18 december 2025, waarin zij (onder meer) aangeeft dat zij geen ondertoezichtstelling wenst. De kinderen waren uitgenodigd voor een kindgesprek op 27 juni 2025 en vervolgens is hun een mogelijkheid geboden op 25, 26, 30 juni en 1 juli 2025. Vervolgens zijn ze uitgenodigd op 23 februari 2026. In verband met de verjaardag van [minderjarige 1] en nadat [minderjarige 1] had verzocht deze datum (ook) te wijzigen zijn zij en [minderjarige 2] op 30 januari 2026 door de rechtbank bericht dat het kindgesprek op 18 februari 2026 zou plaatsvinden. Daarbij zijn zij erop gewezen dat, zoals ook in de uitnodiging voor het gesprek staat, zij niet naar het gesprek hoeven te komen als zij dat niet willen en zij hun mening ook schriftelijk kunnen geven als ze dat liever hebben. De kinderen hebben van deze mogelijkheden om hun mening (verder) kenbaar te maken geen gebruik gemaakt maar hebben een wrakingsverzoek ingediend welke niet ontvankelijk is verklaard.
Deze zaak is gelijktijdig - maar niet gevoegd - behandeld met de zaak over de gezags- en omgangszaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896 tussen de vader en de moeder. In beide zaken wordt een afzonderlijke beschikking gegeven.
2. De feiten
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader. Bij beschikking van 21 februari 2022 heeft de rechtbank het hoofdverblijf van beide kinderen bij de vader bepaald.
Bij beschikking van 15 mei 2017 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 15 mei 2022. Bij beschikking van 19 april 2022 is de daaropvolgende verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling, afgewezen.
3. Het verzoek
De raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt de raad dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in de eerste plaats, omdat zij hun moeder rigoureus afwijzen, een zeer negatief beeld over haar hebben, en bepaalde situaties zeer negatief interpreteren, bijvoorbeeld wanneer zij hun moeder tegenkomen, denken zij dat hun moeder hen ‘achtervolgd’ heeft, of hen bewust opzoekt op de sportclub. Een evenwichtige identiteitsontwikkeling is daarmee ernstig in het gedrang. Daarnaast lukt het de ouders momenteel onvoldoende om in samenwerking te treden om de nodige inzet van hulpverlening te regelen die nodig wordt geacht voor in ieder geval [minderjarige 2] . De raad is van mening dat het van groot belang is dat er zo spoedig mogelijk zicht komt op de mogelijkheden van [minderjarige 2] , via psychodiagnostisch onderzoek en indien school dit nodig acht, een intelligentieonderzoek, zodat bekeken kan worden op welke manier [minderjarige 2] het beste ondersteund kan worden en waar hij het beste op zijn plek zit op school. Om dit voor elkaar te krijgen is het van belang dat hulpverlening, met de juiste doelen, doorgang vindt, iets wat op dit moment meermaals is gestagneerd, doordat de vader de moeder niet wenst te betrekken in gezagsbeslissingen. Daarnaast heeft de vader een eigen visie op de herkomst van gedragsproblemen van onder meer [minderjarige 2] . Ook zijn er zorgen over de houding van de vader naar school en in welke mate de kinderen deze houding van de vader zien als voorbeeldgedrag, omdat er door school reeds zorgen zijn gemeld over gedragingen van [minderjarige 2] , zoals dat hij ‘gestoord’ boven zijn strafwerk heeft geschreven. De raad is bezorgd dat, indien er geen modus tot samenwerking wordt gevonden tussen de vader en school, beide kinderen mogelijk van school worden verwijderd omwille van de houding van de vader wat grote gevolgen heeft voor de ontwikkeling van de kinderen. Het is belangrijk dat de ouders een manier vinden om uitvoering te geven aan hun gezamenlijk gezag, doordat dit ook tot zorgen heeft geleid bij de aanmelding van de huidige school van de kinderen en het niet uit te sluiten is dat dit in de toekomst ook op andere gebieden tot moeilijkheden kan leiden. De ouders zijn door de forse strijd die er al jaren heerst niet bereid en in staat de bedreiging voor de kinderen weg te nemen. Zij hebben elk hun eigen visie op het ouderschap en het aandeel van de andere ouder, wat de contactbreuk en ontwikkelingsbedreiging in bredere zin in stand houdt. Daarnaast heeft de vader een sterke eigen mening op hoe bepaalde zaken (dienen te) lopen, bijvoorbeeld ten aanzien van school of de toestemming van de moeder, waarin hij actief tegenwerkt of weigert de moeder te betrekken, hetgeen hulpverlening, diagnostiek en andere vormen van ondersteuning voor [minderjarige 2] belemmert. De raad voorziet dat dit ook voor [minderjarige 1] in de toekomst, waar beslissingen noodzakelijk zijn, onmogelijk wordt gemaakt. De raad verzoekt om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. De raad vindt dit een passende termijn, gezien de verhardde situatie die al jaren voortduurt, waarin er op dit moment bij de kinderen geen enkele ruimte is voor enig beeld van de moeder. Er spelen op dit moment conflicten, niet alleen tussen de ouders, maar ook tussen de vader en de school. Er is op dit moment geen enkele samenwerking tussen de ouders en de raad verwacht dat er na jaren van strijd geruime tijd nodig is, om met de ouders aan de slag te gaan om dit op enige manier opnieuw te bewerkstelligen; hetgeen nodig is om de kinderen opnieuw te stimuleren in een gezonde ontwikkeling. De vader heeft daarnaast een eigen beeld over waar de problemen (bijvoorbeeld van [minderjarige 2] ) vandaan komen, hetgeen naar mening van de raad een uitdaging zal bieden voor de insteek (doelen) van hulpverlening die nodig is en wat verwacht gaat worden van ouders.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek gehandhaafd en aanvullend aangevoerd dat hoewel er lange tijd is verstreken sinds het raadsonderzoek, de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, en wel door de verstoorde verstandhouding met de moeder, hetgeen gerelateerd is aan de verstoorde verstandhouding tussen de ouders. De kinderen verharden bovendien steeds meer in hun eigen visie over de moeder. De raad vreest dat dit zal blijven bestaan als er niets gebeurt. De raad vindt het belangrijk dat de kinderen een wat neutraler beeld van de moeder gaan krijgen.
4. De mening van de kinderen
Uit de brieven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgt dat zij van mening zijn dat het raadsonderzoek niet juist is uitgevoerd en hetgeen hierin is opgenomen niet juist is. Zij herkennen zich er niet in en voelen zich ook niet gehoord. De kinderen willen niets te maken hebben met de moeder. Zij willen geen contact en willen ook niet dat de moeder nog het gezag over hen heeft. Een ondertoezichtstelling is niet nodig, omdat het volgens de kinderen goed met hen gaat bij de vader en ook op school. Zij willen met rust gelaten worden.
5. De standpunten
De vader heeft uitvoerig verweer gevoerd bij verweerschrift van 26 juni 2025 (waarin ook het verweer is verwerkt in de gezags- en omgangszaak) en concludeert tot afwijzing van het verzoek. De vader is het niet eens met (de totstandkoming van) het raadsrapport. Hij betwist dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Er is juist sprake van een stabiele en veilige thuissituatie. De kinderen willen geen omgang met de moeder. Een ondertoezichtstelling is volgens de vader niet proportioneel en heeft eerder niets opgelost. Een nieuwe ondertoezichtstelling brengt geen verbetering, maar extra spanningen, terwijl de kinderen aangeven met rust gelaten te willen worden. De vader accepteert hulpverlening, terwijl de moeder deze blokkeert door het weigeren van toestemming. Volgens de vader beschikt de moeder over “uitgekleed gezag”, waarbij er alleen een gezagspositie is op papier, omdat de moeder het gezag niet uitoefent, niet communiceert en afwezig is in alle beslismomenten. Een ondertoezichtstelling verandert niets aan deze situatie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aanvullend aangevoerd dat in 2022 de verlenging van de ondertoezichtstelling is afgewezen. Door nu op dezelfde gronden een nieuw verzoek te doen, komt dat alsnog neer op een verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderen wonen al zes jaar volledig bij de vader en dat gaat prima. De kinderen gaan ook nog steeds naar dezelfde school als tijdens het raadsonderzoek. De kinderen zijn weleens te laat op school (door bijvoorbeeld een lekke band) of ziek geweest, maar dat valt allemaal mee. Dat als reden van afwezigheid ziekte of medische begeleiding is opgegeven, heeft ermee te maken dat dat de enige keuzemogelijkheden voor afwezigheid zijn. [minderjarige 1] gaat volgend jaar naar 6 VWO en heeft goede punten, [minderjarige 2] gaat naar 3 VWO, met weliswaar minder goede punten dan [minderjarige 1] , maar nog steeds voldoende. Hij krijgt ook ondersteuning. Een ondertoezichtstelling is niet bedoeld om controle op de vader uit te oefenen. De kinderen zijn duidelijk in hun mening over de moeder: zij willen niets met de moeder te maken hebben.
Namens de vader heeft mr. De Jongh aangevoerd dat het in de basis goed gaat met de kinderen: zij gaan naar school en in de thuissituatie bij de vader zijn er ook niet direct zorgen. De zorgen zien op de verhouding tussen de moeder en de kinderen en hoe de kinderen ten opzichte van de moeder staan. Duidelijk is dat de kinderen daar heel stellig in zijn en daar tot nu toe geen enkele verandering in is gekomen. En ondertoezichtstelling brengt daar geen verandering in. Een ondertoezichtstelling zal er alleen voor zorgen dat er nog meer spanningen ontstaan bij de kinderen. Het betreft een keuze tussen twee kwaden.
Namens de moeder heeft mr. Wilhelmus aangevoerd het eens te zijn met het verzoek van de raad. De moeder wil graag een ondertoezichtstelling zodat de GI de kinderen ook een ander standpunt kan laten zien, zowel wat betreft de moeder maar ook in het algemeen, omdat de kinderen, als ze hun zin niet krijgen, degene/die instantie afwijzen en er tegenin gaan, zonder te zien dat ook andere standpunten mogelijk zijn. De zorgen van de raad over hoe de kinderen de vader zien en zij het gedrag van de vader als hun voorbeeld zien, levert een ernstige ontwikkelingsbedreiging op. Daarbij zijn er ook zorgen (van school) over [minderjarige 2] . De moeder heeft contact gehad met de school (via het schoolsysteem) en gebleken is dat [minderjarige 2] 119 lesuren (geoorloofd) afwezig was wegens ziekte of medische behandeling en dat zijn huiswerk niet in orde was en hij vaker te laat op school was. [minderjarige 1] heeft 73 uren gemist wegens ziekte en medische behandeling. Hieruit leidt de moeder af dat het op school dan toch niet zo goed gaat. De moeder erkent dat er in 2020 een heftig incident heeft plaatsgevonden. De moeder heeft hierover echter geen contact/gesprek kunnen hebben met de kinderen, waardoor het beeld hierover alleen maar erger en groter is geworden bij de kinderen. De moeder is van mening dat er duidelijk sprake is van ouderverstoting. Bekend is dat dit op langere termijn grote gevolgen kan hebben voor (de ontwikkeling van) kinderen.
6. De beoordeling
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouders, door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ook moet de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de gezaghebbende ouders binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen.
De rechtbank is van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De ouders zijn al jaren niet in staat om als ouders samen te werken en in het belang van de kinderen te communiceren. Er is ook al jaren geen contact tussen de kinderen en de moeder. Nog los van dit langdurige contactverlies, is er ook sprake van een zeer negatief beeld over de moeder bij de vader, hetgeen de vader ook al lange tijd uit, ook richting de kinderen, waardoor hij de kinderen belast met zijn gevoelens en de kinderen in de strijd (tegen de moeder) betrekt. Het gevolg hiervan is dat de kinderen ondertussen volledig voor de vader hebben “gekozen”, steeds meer zijn verhard in hun weerstand tegen de moeder en in het negatieve beeld dat zij van de moeder hebben, waarbij zij – net als de vader – niet openstaan voor andere meningen of hulp om dit beeld iets te neutraliseren en ook deze meningen of hulp zelfs rigoureus afwijzen. De weerstand die zij laten zien, is hevig en zorgelijk. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden en dit gedrag schadelijk zijn voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen en voor hun identiteitsontwikkeling. Doordat die forse weerstand ten opzichte van de situatie ten tijde van de beschikking van 22 april 2022, ondanks het lange tijdsverloop niet is gewijzigd en zelfs is verhard, maakt dat dat de zorgen over de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen alleen maar zijn gegroeid.
De zorg die in verband met het wegnemen van die ernstige ontwikkelingsbedreiging noodzakelijk is, wordt niet geaccepteerd. In de beschikking van 19 april 2022, waarin de verlenging van de eerdere ondertoezichtstelling is afgewezen, is overwogen dat de vader actief is betrokken bij het inschakelen van hulpverlening en dat de vader heeft toegezegd mee te willen werken aan het onderzoek van het NIFP en te willen handelen naar het daaruit volgend advies. Inmiddels is gebleken dat hij zich uiteindelijk niet geheel in het onderzoek kon vinden en zich gedeeltelijk op het blokkaderecht heeft beroepen, waardoor het onderzoek en de daaruit volgende adviezen nimmer zijn gebruikt. De vader is heel duidelijk in zijn afwijzing van de moeder, waarbij hij van mening is dat, hoewel beide ouders (in ieder geval op dit moment) het gezamenlijk gezag over de kinderen hebben, de moeder geen deel uit maakt en mag maken van het leven van de kinderen, met als gevolg dat hij weigert mee te werken aan hulpverlening voor de kinderen als daarvoor de toestemming van de moeder nodig is, waardoor hulpverlening dan ook niet (althans onvoldoende) van de grond komt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging binnen het vrijwillig kader niet haalbaar is.
Gelet op de houding van met name de vader, maar ook de kinderen, waarbij zij een groot wantrouwen hebben tegen iedereen die (volgens hen) (wellicht) een andere visie heeft dan zijzelf en in dat verband steeds in een strijdmodus zitten, zal naar de verwachting van de rechtbank in dit geval (zelfs) het dwingende karakter van de ondertoezichtstelling, niet bijdragen aan het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Effectieve interventies zullen niet zonder vertraging en binnen een aanvaardbare termijn (kunnen) worden ingezet en het is ook maar de vraag of de GI daardoor toe kan komen aan de uitvoering van haar wettelijke taak zoals neergelegd in artikel 1:262 BW. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een ondertoezichtstelling contraproductief zal werken. Waarbij de vader en de kinderen nog meer verharden in hun beeld en houding richting de moeder en in hun strijd voor “hun waarheid”, hetgeen dan wellicht ook ten koste gaat van de ontwikkeling van de kinderen op de gebieden waar het nu wel nog “goed genoeg” gaat althans lijkt te gaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat een ondertoezichtstelling in de onderhavig zaak, zijn doel dan voorbij schiet. De rechtbank zal om deze reden het verzoek tot ondertoezichtstelling afwijzen.
7. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: