RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de korpschef van politie, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/5166
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2022 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. S.G. Blasweiler),
en
(gemachtigde: mr. S. Maas).
Procesverloop
Op 19 november 2021 is in het politiesysteem BVH een aandachtsvestiging met betrekking tot eiser opgenomen, die inhoudt dat eiser een vaste contactpersoon bij de politie heeft en dat hij alleen via de contactpersoon aangifte kan doen. Op 2 december 2021 heeft eiser verzocht deze aandachtsvestiging te verwijderen.
Bij besluit van 10 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het beroep is behandeld op de zitting van 6 mei 2022. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk op de zitting uitspraak gedaan, waarbij partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om daartegen in hoger beroep te gaan. Dit proces-verbaal is daarvan de schriftelijke uitwerking.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Tussen partijen staat ter discussie of verweerder het verzoek van eiser tot verwijdering van de aandachtsvestiging heeft mogen weigeren.
2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aandachtsvestiging noodzakelijk is voor de invulling van de dagelijkse politietaak. Verweerder heeft op de zitting uitgelegd dat eiser regelmatig contact heeft gezocht met verschillende afdelingen en medewerkers van de politie. Verweerder heeft daarom één contactpersoon voor het doen van aangifte ingesteld. Zo kan verweerder het contact met eiser meer stroomlijnen, voorkomen dat collega’s langs elkaar heen werken en dingen fout gaan. Verder stelt verweerder dat de aandachtsvestiging geen onjuistheden bevat op grond waarvan deze gewijzigd of verwijderd moet worden.
3. De rechtbank stelt op basis van het dossier en wat op de zitting is besproken vast dat eiser al langer regelmatig contact zoekt met de politie. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in het licht van verweerders toelichting over de invulling van de dagelijkse politietaak voldoende om een aandachtsvestiging op te kunnen nemen, waarin één contactpersoon voor eiser wordt ingesteld. Op de zitting heeft eiser naar voren gebracht dat het noodzakelijk is dat verweerder de mutaties van een voorval van 19 november 2021 tussen hem en de contactpersoon in deze procedure overlegt, zodat de rechtbank deze mutaties in kan zien en kan betrekken in haar oordeel. Volgens eiser is dat voorval namelijk de aanleiding geweest voor het opnemen van de aandachtsvestiging. De rechtbank is van oordeel dat het niet nodig is dat verweerder deze mutaties overlegt, omdat zij zonder inzage al tot het oordeel komt dat de aandachtsvestiging niet onjuist is.
4. Tot slot heeft eiser op de zitting naar voren gebracht dat de contactpersoon zijn werk niet goed verricht. Eiser heeft aangegeven dat de contactpersoon niet goed met zijn aangiftes omgaat, omdat er geen onderzoek naar wordt gedaan en hij geen informatie krijgt. De rechtbank ziet in wat eiser hierover naar voren heeft gebracht geen aanleiding om aan te nemen dat verweerder niet deze persoon als contactpersoon mag aanwijzen, omdat eiser dit verder niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit maakt het oordeel van de rechtbank dat verweerder het verzoek van eiser tot wijziging van de aandachtsvestiging heeft mogen weigeren dus niet anders.
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijg. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2022 door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.