RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2086 en 25/2085
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven),
en
(gemachtigde: K. Demir).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een urgentieverklaring op grond van mantelzorg van verzoekster/eiseres (hierna: eiseres). Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan het algemene vereiste van het beschikken over een zelfstandige woonruimte in of buiten de woningmarktregio. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. Het beroep is dus gegrond, maar zij wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op grond van mantelzorg. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 5 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Inleiding
3. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring voor woonruimte in Utrecht. De reden daarvoor is dat zij mantelzorg verleent aan haar moeder, die in [plaats 1] woont. Eiseres woonde ten tijde van de aanvraag bij haar zus in de gemeente [plaats 2] , samen met haar twee jonge kinderen van twee jaar respectievelijk zeven maanden oud. Haar moeder is de laatste jaren steeds meer hulpbehoevend geworden. Ook heeft zij dementie en meerdere medische aandoeningen. In een Wmo-advies van de gemeente Utrecht is vermeld dat de moeder door een traumatische verleden niemand anders vertrouwt dan eiseres. Hierdoor is de moeder van eiseres volledig afhankelijk van eiseres. Eiseres verleent al lange tijd onbetaalde mantelzorg, waarvan de afgelopen twee jaar intensief.
Na het primaire afwijzende besluit hebben zich in september 2024 in twee opeenvolgende nachten explosies voorgedaan bij het huis van de zus van eiseres in [plaats 2] en is de auto van de zus in brand gestoken. Eiseres en haar kinderen voelden zich hierdoor niet meer veilig en hebben dit huis daarom verlaten. Eiseres heeft vervolgens een periode voor onderdak gebruik gemaakt van haar sociale netwerk. Uiteindelijk is na een gesprek met de gemeente Utrecht via het Buurtteam voor eiseres en haar kinderen een hotelkamer geregeld in een hotel in Utrecht dat doorgaans wordt gebruikt voor daklozenopvang. Eiseres en haar kinderen verblijven daar sinds 25 december 2024.
Het bestreden besluit
4. Het college heeft de urgentieaanvraag van eiseres afgewezen omdat zij niet voldoet aan het vereiste van het beschikken over een zelfstandige woonruimte in of buiten de woningmarktregio, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b en artikel 28, vierde lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht (Huisvestingsverordening). Hierbij is erop gewezen dat op grond van onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 augustus 2022 nadere eisen mogen worden gesteld aan een urgentie voor mantelzorg. Omdat eiseres niet aan deze voorwaarde voldoet, wordt niet toegekomen aan de toetsing of voldaan is aan de specifieke voorwaarden voor een urgentie bij mantelzorg. Ook ziet het college in de situatie van eiseres onvoldoende bijzondere redenen om de hardheidsclausule van artikel 72 van de Huisvestingsverordening toe te passen, waarbij erop wordt gewezen dat deze clausule alleen wordt toegepast in zeer incidentele bijzondere of levensbedreigende situaties. Daarnaast is er een groot woningtekort en er bestaan vele onwenselijke woonsituaties in de gemeente. Gelet hierop acht het college, hoewel wordt onderkend dat de huidige situatie van eiseres en haar gezin niet ideaal is, het bestreden besluit evenmin in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Standpunt eiseres
5. Eiseres voert, samengevat weergegeven, aan dat de toepassing van deze algemene eis van het beschikken over een zelfstandige woonruimte, in het geval van eiseres, in strijd is met de Huisvestingswet 2014 (Huisvestingswet), hogere wetgeving en het doel van de wet. Deze bepaling is daarom onverbindend of moet buiten toepassing worden gelaten. Eiseres voert daarnaast aan dat het college gebruik had moeten maken van de hardheidsclausule. Hiertoe wijst zij erop dat de gemeente Oosterhout minimale hulp heeft geboden na de aanvallen met explosieven en dat eiseres, mede door de noodgedwongen verhuizing, verergerde vermoeidheidsklachten heeft. Verder is het volgens eiseres in strijd met het evenredigheidsbeginsel om van minderjarige kinderen te verwachten dat zij maandenlang in een hotelkamer verblijven dat dient als daklozenopvang. Ook had het college de belangen van de moeder van eiseres moeten meewegen. Uit de brief van de Wmo-consulent blijkt dat de moeder van eiseres hard achteruit gaat en dat zij alleen eiseres vertrouwt. Eiseres dreigt uit te vallen als mantelzorger. Het college had de eventuele gevolgen van de afwijzing voor de mantelverzorging moeten betrekken en in kaart moeten brengen, aldus eiseres.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
6. In de Huisvestingsverordening staan een aantal algemene eisen voor een urgentieverklaring (artikel 28) en daarnaast een aantal specifieke eisen afhankelijk van de grond voor de urgentieverklaring (in het geval van mantelzorg, artikel 33). Voor een urgentie in het geval van mantelzorg is één van de algemene voorwaarden dat de woningzoekende beschikt over een zelfstandige woonruimte in of buiten de woningmarktregio (artikel 28, eerste en vierde lid). Niet in geschil is dat eiseres niet voldoet aan deze algemene voorwaarde. Wel is in geschil of deze eis in dit geval aan eiseres kan en mag worden tegengeworpen.
De Huisvestingsverordening is een algemeen verbindend voorschrift. De bestuursrechter kan een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is, in een zaak over een besluit dat op dat voorschrift gebaseerd is, toetsen op rechtmatigheid. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het voorschrift niet in strijd is met hogere regelgeving. De bestuursrechter komt ook de bevoegdheid toe te beoordelen of dat algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het besluit waarover de zaak gaat. Bij die indirecte toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer, waarbij de toetsing wordt verricht op de wijze zoals de Afdeling die heeft uiteengezet in haar uitspraak van 12 februari 2020.
De Huisvestingsverordening is gebaseerd op de Huisvestingswet. In deze wet is bepaald dat personen die mantelzorg verlenen of ontvangen altijd een urgentiecategorie moeten zijn (artikel 12, eerste lid, in samenhang met het derde lid). Hieruit volgt echter niet dat iedere mantelzorgerverlener of -ontvanger zonder meer in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Er mogen nadere eisen worden gesteld aan deze categorie en dit is niet in strijd met de Huisvestingswet, zo heeft de Afdeling in voormelde uitspraak 3 augustus 2022 overwogen. Het college heeft in het besluit en in beroep ter onderbouwing van het bestreden besluit ook op deze uitspraak gewezen.
De voorzieningenrechter is echter met eiseres van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van een relevant verschil met de zaak waarop de uitspraak van 3 augustus 2022 is gebaseerd. In die zaak ging het om voorwaarden die verband hielden met de noodzaak van de verhuizing voor de betreffende mantelzorgsituatie. In de onderhavige zaak wordt een voorwaarde tegengeworpen die daar geheel los van staat en als doel heeft om de doorstroming te bevorderen op de (krappe) woningmarkt. De voorzieningenrechter vindt dit op gespannen voet staan met artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet. In dit artikel is immers ondanks die krappe woningmarkt bepaald dat mantelzorg een urgentiecategorie moet zijn. In de totstandkomingsgeschiedenis van deze wet is hierover het volgende opgenomen:“Mantelzorgers zijn mensen die intensieve en langdurige zorg verlenen aan iemand met een beperking, een chronisch zieke of iemand die anderszins hulpbehoevend is vanuit een ander huishouden dan degene die de zorg ontvangt. Het ligt voor de hand dat het wonen van de mantelzorger in de nabijheid van degene die de zorg ontvangt de mantelzorg sterk vergemakkelijkt. Dat is niet alleen van belang vanuit het perspectief van degene die de zorg ontvangt, ook maatschappelijk is hier een belang. Immers de vergrijzing zal de komende decennia nog verder toenemen. De daarmee samenhangende zorgbehoefte eveneens. Wijd verbreid zijn er zorgen over of er op termijn voldoende personeel zal zijn in de zorg. Mantelzorgers kunnen in dit veld derhalve een zeer nuttige functie vervullen. Dat rechtvaardigt de met de urgentie verkregen voorrang.”Gegeven de uitdrukkelijke categoriestelling in artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet en het uit de hiervoor weergegeven passage blijkende doel ervan, volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het in strijd is met deze wet dat in de Huisvestingsverordening een aanvraag om urgentie voor mantelzorg uitsluitend kan worden afgewezen op grond van een voorwaarde die geen betrekking heeft op de noodzaak voor mantelzorg, maar op de doorstroming op de woningmarkt. Indien dit wel mogelijk zou zijn, dan zou zich de situatie kunnen voordoen dat aan alle specifieke voorwaarden voor een urgentie voor mantelzorg is voldaan en er ook een (grote) noodzaak is dat deze wordt verleend of ontvangen, maar dat desondanks zo’n urgentie niet wordt verleend. Dit zou zeer wel strijd met het evenredigheidsbeginsel kunnen opleveren. Dat naast de algemene voorwaarde in het bestreden besluit ook aan de hardheidsclausule is getoetst, maakt niet dat het voorgaande is ondervangen. Voor toepassing van de hardheidsclausule is immers eerst plaats in uitzonderlijke omstandigheden als vastgesteld is dat niet aan de voorwaarden is voldaan. Zoals hiervoor overwogen moet daarvoor ook aan de specifieke voorwaarden voor een urgentie voor mantelzorg worden getoetst. Nu dit nog moet gebeuren en het dus onduidelijk is of wordt toegekomen aan de hardheidsclausule, zal de voorzieningenrechter de daartegen gerichte gronden onbesproken laten.
Gezien het voorgaande is in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet voor een urgentie in aanmerking komt, nu deze afwijzing uitsluitend is gebaseerd op de algemene voorwaarde van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening. Ook is in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat het weigeren van een urgentieverklaring niet leidt tot strijd met het evenredigheidsbeginsel. Weliswaar is dit beginsel in het bestreden besluit betrokken, maar hierin is in het geheel niet ingegaan op de vraag of de verhuizing noodzakelijk is voor het verlenen van mantelzorg en zo ja, waarom dan toch niet onevenredig is om geen urgentie toe te kennen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd vanwege een motiveringsgebrek (artikel 7:12 van de Awb). De voorzieningenrechter draagt het college daarom op om binnen vier weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak (artikel 8:72, vierde lid, van de Awb). Hierbij dient het college in te gaan op de vraag of in het geval van eiseres voldaan is aan de specifieke voorwaarden die gelden voor een urgentieverklaring op grond van mantelzorg. Als aan die voorwaarden voldaan wordt en er wordt toch geen urgentie verleend, dient het college te onderbouwen waarom dit niet strijdig is met het evenredigheidsbeginsel en geen aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule.
8. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb. Hoewel langdurig verblijf van eiseres en haar jonge kinderen in de hotelkamer voor daklozenopvang onwenselijk is, is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat op korte termijn sprake is van een onhoudbare situatie en dat eiseres niet op het nieuw te nemen besluit kan wachten. Bovendien is van belang dat het treffen van de in deze procedure gevraagde voorziening, het behandelen van eiseres als ware zij in het bezit van een urgentieverklaring, geen voorlopig karakter heeft, zodat een dergelijke voorziening slechts in hoogst uitzonderlijke situaties kan worden getroffen. Hiervan is in dit geval niet gebleken.
9. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Die punten hebben een waarde van € 907,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.721,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 388,- (tweemaal € 194,-) aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2025.
De griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.