ECLI:NL:RBMNE:2026:6352

ECLI:NL:RBMNE:2026:6352

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer C/16/617267 / KG ZA 26-546
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2026:6359

Samenvatting

Eisende partij vordert in dit kort geding onder andere dat gedaagde stopt met het doen van onrechtmatige uitlatingen over eisende partij. Gedaagde is niet verschenen en haar wordt verstek verleend. Er wordt aan gedaagde een verbod opgelegd om zich op welke manier dan ook zoals via e-mails, WhatsApp, Google Review, uitlatingen in de pers, social media (waaronder LinkedIn, Facebook, Instagram) uitlatingen te doen over eisende partij met de strekking dat eisende partij: • niet handelt conform de gedrags- en beroepsregels van de beroepgroep, en/of • inzet op escalatie van het geschil, en/of • structureel geschillen expres laat escaleren, zodat zij meer geld kan verdienen. Het verbod geldt voor 1 jaar. Voor iedere overtreding van het verbod moet gedaagde een dwangsom aan eisende partij betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/617267 / KG ZA 26-546

Vonnis in kort geding van 15 september 2026

in de zaak van

[eisende partij] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

advocaten: mrs. B.S. Nonnekes en D. Andringa

tegen

[gedaagde partij] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

niet verschenen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding en de producties van [eisende partij]- de mondelinge behandeling van 14 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Aan het einde van de mondelinge behandeling is aan [eisende partij] meegedeeld dat op uiterlijk 16 september en mogelijk op 15 september 2026 vonnis wordt gewezen.

2. Afwijzing verzoek om verplaatsing van de mondelinge behandeling

[gedaagde partij] heeft een aantal keren verzocht om de mondelinge behandeling van 14 september 2026 te verplaatsen wegens medische redenen. Dit verzoek is afgewezen, omdat [gedaagde partij] niet aan de hand van een afdoende medische verklaring heeft onderbouwd dat zij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig kan zijn (vergelijk artikel 9.2 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). Dat is ook aan [gedaagde partij] bericht.

3. Buiten beschouwing laten van verweerschrift met tegenvordering en producties van [gedaagde partij]

heeft op zaterdag 12 september 2026 rond 12.00 uur een verweerschrift van 36 pagina’s en 26 producties geüpload in het digitale dossier. Het verweerschrift bevat ook een aantal tegenvorderingen (vorderingen in reconventie).

Het verweerschrift en de producties worden al buiten beschouwing gelaten, omdat verstek tegen [gedaagde partij] wordt verleend. Overigens moeten het verweerschrift en de producties ook op grond van artikel 3.16 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken buiten beschouwing worden gelaten. In dat artikel is bepaald dat stukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de mondelinge behandeling worden ingediend buiten beschouwing worden gelaten. Daarvan is in dit geval sprake. Er is geen reden om hierop een uitzondering te maken. [eisende partij] heeft gelet op de omvang van de stukken in relatie met het zeer late tijdstip waarop het is ingediend onvoldoende tijd gehad om zich goed te kunnen verweren tegen wat in het verweerschrift door [gedaagde partij] naar voren wordt gebracht. Het beginsel van hoor en wederhoor is daardoor in het geding. Het verweerschrift en de producties worden dus niet bij de beoordeling betrokken.

Doordat het verweerschrift buiten beschouwing wordt gelaten, worden ook de in dat verweerschrift genoemde tegenvorderingen (vorderingen in reconventie) buiten beschouwing gelaten. Overigens wordt aan de beoordeling van die tegenvorderingen ook niet toegekomen, omdat voor instelling van tegenvorderingen is vereist dat [gedaagde partij] wordt vertegenwoordigd door een advocaat en daarvan is geen sprake.

4. De beoordeling

Verstek

Aan [gedaagde partij] wordt verstek verleend. Aan alle daarvoor geldende formaliteiten en termijnen is voldaan.

Toetsingskader

Omdat verstek is verleend, geldt als uitgangspunt dat de vorderingen van [eisende partij] moeten worden toegewezen, tenzij de vorderingen de voorzieningenrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Vorderingen genoemd in de dagvaarding onder I tot en met VII en IX

De vorderingen genoemd in de dagvaarding onder I tot en met IV, VI en VII houden verband met een door [gedaagde partij] op 2 en 4 september 2026 geplaatste Google review over [eisende partij] .

De Google review van 2 september 2026 luidt als volgt: Zeer slechte ervaring met dit advocatenkantoor. Handelen niet conform de beroeps- en gedragsregels. Staan niet open voor de-escalatie of mediation. Zetten veel te snel in op escalatie. Deze advocaten hebben nog veel te leren. Binnen het tuchtrecht mag je van een advocaat verwachten dat deze rekening houdt met de wederpartij en niet onnodig escalerend gaat handelen.

Deze advocaten staan liever in de rechtbank (kost een hoop geld), dan dat ze alternatieven als mediation onderzoeken. Mediation levert wellicht minder geld op voor het advocatenkantoortje? Maar wat is nou belangrijker: een duurzame oplossing of structureel geschillen expres laten escaleren, zodat [A] en [B] meer geld in hun zakken kunnen steken?

Op 4 september 2026 heeft [gedaagde partij] deze review uitgebreid met de opmerking:

Tientallen leerkrachten zitten thuis. Zij bevinden zich in een zeer moeilijke situatie en ervaren het handelen van [eisende partij] als intimiderend en escalerend.

[eisende partij] heeft in de dagvaarding gemotiveerd onderbouwd dat de uitlatingen die in deze google reviews over haar worden gedaan onrechtmatige uitlatingen zijn. Ook heeft [eisende partij] in de dagvaarding en tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd toegelicht dat [gedaagde partij] de heer [C] als “stroman” gebruikt om deze onrechtmatige uitlatingen over [eisende partij] te doen.

Het voorgaande rechtvaardigt dat aan [gedaagde partij] een verbod wordt opgelegd om zelf of via de heer [C] uitlatingen te doen met de strekking dat [eisende partij] :

niet handelt conform de gedrags- en beroepsregels van de advocatuur, en/of

niet openstaat voor de-escalatie of mediation, en/of

(snel) inzet op escalatie van het geschil, en/of

onnodig escalerend handelt, en/of

liever in de rechtbank staat dan alternatieven zoals mediation te onderzoeken, en/of

structureel geschillen expres laat escaleren, zodat zij meer geld kan verdienen, en/of

intimiderend en escalerend handelt.

Benadrukt wordt dat het verbod wordt overtreden als er één of meer opmerkingen worden gemaakt die niet zijn toegestaan.

De hiervoor bedoelde uitlatingen mogen niet openbaar worden gemaakt, op welke manier dan ook zoals via e-mails, WhatsApp, Google Review, uitlatingen in de pers, social media (waaronder LinkedIn, Facebook, Instagram).

In verband met de eisen van proportionaliteit wordt het verbod opgelegd voor 1 jaar te rekenen vanaf de datum van dit vonnis.

Dit verbod wordt (zoals gevorderd onder V en IX van de dagvaarding) versterkt met een dwangsom. Die dwangsom wordt bepaald op € 5.000,- voor elke keer dat [gedaagde partij] zelf of via [C] een uitlating doet met de in 4.6. genoemde strekking. Er kan hoogstens € 50.000,- aan dwangsommen door [gedaagde partij] worden verbeurd.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

De vorderingen onder I en II betreffen een verklaring voor recht wat in kort geding niet kan.

De rectificatievordering (vordering onder IV) wordt afgewezen, omdat daarbij geen voldoende belang is. Het doel van een rectificatie is het beperken van schade. De Google reviews van 2 en 4 september 2026 zijn op 5 september 2026 door [gedaagde partij] verwijderd, en hebben dus maar drie dagen op het internet gestaan.

De reviews hebben in die korte periode slechts 12 likes gekregen. [eisende partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij (nog) geen klanten is verloren door de Google reviews, en dat zij er geen zicht op heeft of zij door die reviews minder nieuwe klanten zal werven. Onduidelijk is of degene die de reviews hebben geliked überhaupt klant van [eisende partij] zouden zijn geworden. Onder deze omstandigheden heeft een rectificatie weinig zin. Er valt immers geen of nauwelijks schade meer te beperken. Daarbij komt dat door een rectificatie de onrechtmatige uitlatingen juist weer onder aandacht worden gebracht, wat een negatief bijeffect kan hebben.

Vorderingen genoemd in de dagvaarding onder VIII en IX

De vordering in de dagvaarding genoemd onder VIII en IX betreft een verbod om aan [eisende partij] berichten te doen toekomen die een intimiderend en/of onrechtmatig karakter hebben, versterkt met een dwangsom. Deze vordering wordt afgewezen, omdat deze vordering te vaag en algemeen is geformuleerd.

Vorderingen genoemd in de dagvaarding onder X en XI 4.11. De vordering onder X houdt verband met een e-mail van 24 augustus 2026 waarin [gedaagde partij] aan mr. [B] van [eisende partij] schrijft: Ik heb jouw dreigmail per ongeluk gedeeld in een groepsapp met 250 mensen uit Brabant en ik zie dat er nu een oproep is gedaan om de elfde van de elfde op jullie advocatenkantoor te gaan vieren. Met een foto van jou als prins carnaval. Ik heb het bericht verwijderd, maar ik zie dat de oproep wel massaal wordt gedeeld. Ik hoop dat het een grap is en dat niet heel Brabant straks op 11 november bij jullie op de stoep staat.

[eisende partij] vordert dat [gedaagde partij] wordt geboden om de namen en of telefoonnummers van alle personen van de groepsapp te verstrekken.

Deze vordering wordt afgewezen, omdat gewichtige redenen zich tegen het verstrekken van de gevraagde gegevens verzetten (zie artikel 195 in relatie met artikel 194 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Die gewichtige redenen zien op de privacy van de personen van wie de namen en telefoonnummers zouden moeten worden gegeven. Daarbij is van belang dat het onduidelijk is of het waar is dat een grote groep personen de elfde van de elfde op het kantoor van [eisende partij] wil gaan vieren. Daarvoor zijn geen concrete aanknopingspunten. [eisende partij] heeft daarvoor ook geen signalen ontvangen. De in verband met deze vordering gevorderde dwangsom (vordering XI) wordt afgewezen, aangezien de vordering waarvoor die dwangsom zou moeten worden opgelegd, wordt afgewezen.

Proceskosten

[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten inclusief nakosten van [eisende partij] betalen. Deze proceskosten worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

127,08

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

760,00

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.811,08

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

verleent verstek tegen [gedaagde partij] ,

verbiedt [gedaagde partij] om zelf of via de heer [C] op welke manier dan ook zoals via e-mails, WhatsApp, Google Review, uitlatingen in de pers, social media (waaronder LinkedIn, Facebook, Instagram) uitlatingen te doen over [eisende partij] met de strekking dat [eisende partij] :

niet handelt conform de gedrags- en beroepsregels van de advocatuur, en/of

niet openstaat voor de-escalatie of mediation, en/of

(snel) inzet op escalatie van het geschil, en/of

onnodig escalerend handelt, en/of

liever in de rechtbank staat dan alternatieven zoals mediation te onderzoeken, en/of

structureel geschillen expres laat escaleren, zodat zij meer geld kan verdienen, en/of

intimiderend en escalerend handelt,

bepaalt dat het in 5.1. genoemde verbod geldt voor een periode van 1 jaar te rekenen vanaf de datum van dit vonnis,

veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer dat zij niet aan het in 5.1. genoemde verbod voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.811,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.

4374

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand