ECLI:NL:RBMNE:2026:6650

ECLI:NL:RBMNE:2026:6650

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 25-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 16/044605-25 en 16/071899-24 (vord. tul
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2026:6652

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor mishandeling ten gevolge waarvan iemand is overleden, het handelen in cocaïne en diefstal met geweld. Toewijzing vordering kosten nabestaanden voor lijkbezorging en van affectieschade, afwijzing van vorderingen tot shockschade. Jeugddetentie van 77 dagen en een werkstraf van 50 uren. Oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Dadelijk uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/044605-25 en 16/071899-24 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 september 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2008] in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

hierna: [verdachte] .

1. Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 11 september 2026. Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:

feit 1

op 5 december 2024 in Amersfoort [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door hem een duw tegen de borst te geven, waardoor hij is komen te overlijden;

feit 2

in de periode van 1 juli 2023 tot en met 11 februari 2025 in Amersfoort cocaïne en heroïne heeft verkocht;

feit 3

op 7 februari 2025 in Amersfoort samen met iemand anders met geweld een elektrische fiets heeft gestolen.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten heeft gepleegd, met uitzondering van het verkopen van heroïne onder feit 2. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich allereerst op het standpunt dat feiten 1 en 3 bewezen kunnen worden. Verder verzoekt de advocaat de rechtbank om [verdachte] gedeeltelijk vrij te spreken van feit 2. De gevoerde verweren over het bewijs van feit 2 worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Feiten 1 en 3

[verdachte] bekent dat hij de feiten 1 en 3 (de mishandeling met de dood ten gevolge en de diefstal met geweld in vereniging) heeft gepleegd, zoals deze feiten hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 11 september 2026;

een proces-verbaal van bevindingen (aantreffen slachtoffer [slachtoffer 1] );

- een geschrift, te weten een NFI-rapport (forensisch pathologisch onderzoek);

- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] ;

- een geschrift, te weten een medische verklaring.

Feit 2

De rechtbank oordeelt verder dat ook de handel in cocaïne (feit 2) is bewezen, zoals het feit hieronder bewezen is verklaard. De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van de handel in heroïne. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Bewijsoverweging

Feit 2: periode handel in cocaïne

Op de telefoon van [verdachte] zijn drugsgerelateerde gesprekken gevonden vanaf 25 november 2024. [verdachte] verklaart zelf dat hij enkel in de periode vanaf ongeveer dat moment tot aan zijn aanhouding op 11 februari 2025 cocaïne heeft verkocht. In het dossier zit echter ook een verklaring van [getuige] , die zegt dat hij van de zomer 2023 tot in de zomer van 2024 cocaïne bij [verdachte] heeft gekocht. De rechtbank oordeelt dat op basis hiervan bewezen is dat [verdachte] in de periode van 1 oktober 2023 tot 11 februari 2025 cocaïne heeft verkocht.

Anders dan de advocaat vindt de rechtbank de verklaring van [getuige] betrouwbaar. Hij heeft [verdachte] namelijk herkend als de jongen die cocaïne aan hem heeft verkocht, hij kent [verdachte] onder zijn bijnaam ‘ [contactnaam verdachte] ’ en er is een bankpas van [getuige] op de slaapkamer van [verdachte] gevonden. Dat [getuige] heeft verklaard dat hij ‘maar’ 10 keer cocaïne van [verdachte] heeft gekocht doet niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :

feit 1 op 5 december 2024 te Amersfoort [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] een duw tegen de borst te geven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

feit 2 in de periode 1 oktober 2023 tot en met 11 februari 2025 te Amersfoort opzettelijk verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 3 op 7 februari 2025 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander een elektrische fiets die geheel aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer 2] van achter te benaderen en aan te vallen, op haar achterhoofd te slaan, te bespugen en tegen haar ribben te slaan en te schoppen.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1: mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid feiten en de verdachte

De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.

5. Straf en maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 77 dagen, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast eist de officier van justitie dat aan [verdachte] een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) wordt opgelegd met de bijzondere voorwaarden, kortgezegd, meewerken aan behandelingen, begeleiding en dagbesteding, met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt om de bijzondere voorwaarden zoals die door de Raad van de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd (en door de officier van justitie zijn gevorderd onder een voorwaardelijke PIJ-maatregel) aan een voorwaardelijke jeugddetentie te koppelen, in plaats van aan een voorwaardelijk PIJ-maatregel.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan [verdachte] een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 77 dagen op. Daarvan wordt zijn voorarrest van 77 dagen afgetrokken, waardoor hij niet meer terug hoeft naar de jeugdgevangenis. De rechtbank legt ook een werkstraf van 50 uur op. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke PIJ-maatregel op.

Bij het bepalen van deze straffen en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

[verdachte] heeft tijdens een ruzie [slachtoffer 1] omver geduwd. Volgens [verdachte] heeft het slachtoffer hem eerder op die avond met een ijzeren buis geslagen. De politie heeft op aanwijzing van [verdachte] een buis bij hem thuis gevonden. Deze buis bleek uit het appartementencomplex van het slachtoffer te komen. Verder is niet duidelijk geworden wat er zich precies heeft afgespeeld voor de duw. Het staat wel vast dat de duw heftige gevolgen heeft gehad: het slachtoffer is op zijn achterhoofd gevallen en is daardoor twee weken later overleden in het ziekenhuis. Het is duidelijk dat [verdachte] dit niet heeft gewild en dat hij er veel spijt van heeft. Maar hij had het slachtoffer niet mogen duwen. Hiermee heeft hij de dood van het slachtoffer veroorzaakt. Ook heeft hij voor veel verdriet gezorgd bij de moeder, de twee zussen en de broer van het slachtoffer.

Kort voordat [verdachte] is aangehouden voor de mishandeling van [slachtoffer 1] , heeft hij met geweld een elektrische fiets gestolen. Hierbij heeft [verdachte] wel doelbewust gehandeld. Hij heeft samen met een vriend het slachtoffer naar een afgelegen plek gelokt en daar met fors geweld haar fiets gestolen. [verdachte] heeft op haar achterhoofd geslagen en tegen haar ribben geslagen en geschopt. Hierdoor heeft het slachtoffer flink letsel opgelopen. Zo had zij een geperforeerd oor, bloeduitstortingen op haar benen en een gebroken rib. Bovendien heeft hij haar vernederd door op haar te spugen. Vervolgens heeft hij haar dure fiets gestolen, omdat hij snel geld wilde verdienen. Dit is een zeer ernstig en zorgwekkend feit.

Daar komt bij dat [verdachte] zich de afgelopen jaren heeft beziggehouden met het handelen in harddrugs. Hoewel de rechtbank niet de indruk heeft dat hij in grote hoeveelheden heeft gehandeld, heeft hij er zich over een lange periode mee bezig gehouden en heeft hij meerdere vaste afnemers gehad. Bovendien is gebleken dat hij met zijn vrienden heeft gefantaseerd over het uitbreiden van zijn drugshandel. Dat een jonge jongen als [verdachte] zich hiermee inlaat baart de rechtbank veel zorgen.

Strafblad

Uit het strafblad van [verdachte] van 28 juli 2026 blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor de handel in cocaïne. Daarnaast liep [verdachte] in een proeftijd toen hij de strafbare feiten heeft gepleegd.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Een psycholoog en een psychiater hebben beiden een rapport over [verdachte] geschreven. In deze rapporten van 20 december 2025 staat dat [verdachte] licht verstandelijk beperkt is en dat hij een autismespectrumstoornis en een gedragsstoornis heeft. Deze stoornissen waren al aanwezig tijdens het plegen van de strafbare feiten. Waarschijnlijk hebben deze stoornissen doorgewerkt bij het plegen van de feiten. Daarom zal de rechtbank de bewezen verklaarde feiten licht verminderd toerekenen aan [verdachte] . De psycholoog heeft erop gewezen dat zijn stoornissen niet eerder zijn opgemerkt, waardoor hij mogelijk jarenlang is overvraagd. Hij heeft daarom meer toezicht en nabijheid nodig dan hij eerder heeft gekregen. Beiden hebben geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen. Zonder strenge voorwaarden heeft de psycholoog de kans op recidive als hoog ingeschat. Binnen een strak kader wordt dat risico matig tot hoog volgens de psycholoog.

Om het risico zo veel mogelijk in te perken, hebben de psycholoog en de psychiater geadviseerd om forensisch ambulante begeleiding en behandeling op te leggen en om deze te koppelen aan een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Deze behandeling kan ambulant (zonder opname in een instelling) worden geprobeerd, omdat [verdachte] een gunstige thuissituatie heeft. Het opleggen van de behandeling als bijzondere voorwaarde is volgens de psycholoog niet wenselijk, omdat dit [verdachte] eerder niet ervan heeft weerhouden om strafbare feiten te plegen. Bovendien gaat het om ernstige feiten en heeft hij geen openheid en inzicht gegeven. De psycholoog heeft ook gewezen op het gevaar dat als [verdachte] zich niet aan de voorwaarden houdt, het voorwaardelijk strafdeel ten uitvoer wordt gelegd en daarna niet meer wordt behandeld. Dit is vanwege het recidiverisico zeer onwenselijk.

De Raad heeft op 24 augustus 2026 een rapport over [verdachte] geschreven. Ook de Raad heeft geadviseerd om een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Het is namelijk belangrijk dat [verdachte] langdurig begeleid en behandeld wordt, zodat hij sociale situaties beter leert begrijpen, de gevolgen van zijn handelen leert overzien en om alternatief gedrag aan te leren. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is onverstandig, omdat [verdachte] niet goed weerstand zal kunnen bieden tegen de slechte invloed van groepsgenoten.

De Raad heeft geadviseerd om als bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel te koppelen dat [verdachte] :

meewerkt aan behandeling gericht op zijn spelende problematiek (in lijn met het advies vanuit de psychiater en psycholoog);

meewerkt aan Fast behandeling door de Waag of een andere behandeling door de Waag of een soortgelijke instelling;

meewerkt aan begeleiding door EFM support en een autisme coach;

meewerkt aan dagbesteding en/of stage te bepalen door de jeugdreclassering.

Houding op zitting

De rechtbank heeft op de zitting gezien dat [verdachte] veel moeite heeft om te praten over de strafbare feiten. Desondanks heeft [verdachte] op de zitting verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en verteld dat hij zich schaamt voor het leed dat hij heeft aangericht. Dat is prijzenswaardig. Ook heeft hij aangegeven dat hij het nut inziet van behandeling en dat hij graag wil werken. Dit bevestigt dat [verdachte] , zoals zijn moeder op de zitting heeft aangegeven, de afgelopen tijd positieve stappen heeft gezet.

Toepassing jeugdstrafrecht

[verdachte] was tijdens de feiten minderjarig. Het uitgangspunt is daarmee dat het jeugdstrafrecht van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. Bovendien hebben de deskundigen geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen. Daarom geldt het jeugdstrafrecht voor [verdachte] .

PIJ-maatregel

De rechtbank is het met de deskundigen eens dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel het meest passend is voor [verdachte] . Aan de wettelijke eisen daarvoor is voldaan. Zowel een psychiater als een psycholoog hebben een advies gegeven en vastgesteld dat de stoornissen van [verdachte] aanwezig waren tijdens het plegen van de delicten. Voor deze delicten kan bovendien een PIJ-maatregel worden opgelegd. Het gaat namelijk om delicten waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Daarnaast gaat het om gewelddadige delicten en vraagt de veiligheid van anderen de oplegging van de maatregel, zodat het hoge risico op herhaling kan worden ingeperkt. Gelet op de rapportages van de deskundigen is de maatregel ten slotte in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] .

Hiermee wijkt de rechtbank af van het standpunt van de verdediging. Dat komt vooral omdat de rechtbank het met de deskundigen eens is dat de behandeling van [verdachte] niet in gevaar mag komen. Het is in zijn belang en in dat van de samenleving dat hij leert omgaan met zijn stoornissen. Bij het koppelen van een behandeling aan een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank een groot risico, namelijk dat [verdachte] in de jeugdgevangenis terecht komt als hij opnieuw een fout maakt. Dan heeft hij geen hulp meer en komt hij in aanraking met jongeren die hem mogelijk weer het slechte pad op trekken. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel is daarom geboden. Als het [verdachte] niet lukt om zich binnen dat kader aan de voorwaarden te houden, kan alsnog worden beoordeeld of omzetting naar een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel nodig is. Op die manier blijft de behandeling van [verdachte] gewaarborgd.

De rechtbank zal aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel de bijzondere voorwaarden verbinden die door de officier van justitie zijn geëist. Deze voorwaarden zijn erop gericht om [verdachte] te behandelen en begeleiden.

Verder zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel en aan de William Schrikker Stichting de opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. [verdachte] heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan een mishandeling waardoor iemand is komen te overlijden en een diefstal met geweld, waarbij hij fors geweld heeft gebruikt. Dit betekent dat, als de voorwaardelijke PIJ-maatregel op enig moment wordt omgezet in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, deze kan worden verlengd als bedoeld in artikel 6:6:31, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De rechtbank zal, zoals door de officier van justitie gevorderd en door de Raad geadviseerd, bepalen dat bovenstaande voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Er moet namelijk, gelet op de inhoud van de rapporten en het hoge risico op herhaling, ernstig rekening mee worden gehouden dat de [verdachte] opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank vindt het daarom in het belang van [verdachte] dat de begeleiding en behandeling ook bij een eventueel in te stellen hoger beroep wordt voortgezet.

Strafoplegging

[verdachte] heeft twee geweldsfeiten gepleegd en een drugsfeit. Een van de geweldsfeiten heeft hij in vereniging en doelbewust gepleegd. Dat weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Dit zijn ernstige feiten en rechtvaardigen een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Naast het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel is een straf dus nog passend. Maar de rechtbank wil dat [verdachte] zo snel mogelijk aan zijn behandeling kan beginnen. Daarom legt de rechtbank een jeugddetentie op die gelijk is aan zijn voorarrest (77 dagen), zodat hij niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis en gelijk aan de slag kan met zijn problematiek. Vanwege de ernst van de feiten vindt de rechtbank dat [verdachte] als straf ook nog moet werken. Daarom zal de rechtbank een werkstraf van 50 uren opleggen.

De voorlopige hechtenis

Omdat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat aan [verdachte] een vrijheidsbenemende maatregel kan worden opgelegd (namelijk door omzetting van de voorwaardelijke PIJ-maatregel in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel), heft de rechtbank de voorlopige hechtenis niet op en blijft de schorsing van de voorlopige hechtenis doorlopen.

De rechtbank vindt het van belang dat [verdachte] nu niet vast komt te zitten en door kan gaan met toezicht en begeleiding in het kader van de bijzondere voorwaarden. De rechtbank is zich ervan bewust dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel niet mag worden omgezet in een PIJ-maatregel zolang het vonnis nog niet onherroepelijk is. Om een vangnet te creëren voor het geval [verdachte] de aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel verbonden voorwaarden overtreedt in de periode waarin de uitspraak nog niet onherroepelijk is, zal de rechtbank het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis niet opheffen en zal zij de huidige voorwaarden die aan de schorsing zijn verbonden, wijzigen zodat deze voorwaarden gelijk zijn aan de voorwaarden die aan de voorwaardelijke pij-maatregel verbonden zijn. Als [verdachte] deze voorwaarden niet naleeft, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. Bovendien is dit een stok achter de deur voor [verdachte] om zich ook aan de voorwaarden te houden zolang het vonnis nog niet onherroepelijk is.

6. In beslag genomen voorwerpen

Vordering van de officier van justitie en standpunt verdediging

Op de beslaglijst van 11 augustus 2026 staat een pakje vloeitjes voor joints. De officier van justitie heeft aangegeven dat het goed al is vernietigd en stelt zich op het standpunt dat het moet worden onttrokken aan het verkeer. De advocaat heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp dat aan [verdachte] toebehoort onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door [verdachte] begane feit aangetroffen. Dit voorwerp kan bovendien dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven, namelijk de verkoop van verdovende middelen.

7. Vorderingen benadeelde partij

Vorderingen van de benadeelde partijen

Vorderingen van de nabestaanden van [slachtoffer 1] (feit 1)

Vier nabestaanden van [slachtoffer 1] hebben een vordering ingediend:

[nabestaande 1] , de zus van het slachtoffer, vordert € 809,87 aan materiële schade en € 12.500,- aan immateriële schade (shockschade);

[nabestaande 2] , de broer van het slachtoffer, vordert € 324,87 aan materiële schade en € 12.500,- aan immateriële schade (shockschade);

[nabestaande 3] , de zus van het slachtoffer, vordert € 8.503,72 aan materiële schade en € 12.500,- aan immateriële schade (shockschade);

[nabestaande 4] , de moeder van het slachtoffer, vordert € 1.817,29 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade: € 17.500,- aan affectieschade en € 12.500,- aan shockschade.

Vordering van [slachtoffer 2] (feit 3) Het slachtoffer van de diefstal met geweld van de elektrische fiets, [slachtoffer 2], heeft ook een vordering ingediend. Zij vordert immateriële schade, maar ze heeft geen bedrag ingevuld omdat ze niet weet wat voor bedrag ze kan vragen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich ten aanzien van de vorderingen van de nabestaanden van [slachtoffer 1] op het standpunt dat alle gevorderde materiële schade kan worden toegewezen. Verder kan de gevorderde shockschade van [nabestaande 1] en [nabestaande 3] wat betreft de officier van justitie worden toegewezen en moet de gevorderde shockschade van [nabestaande 2] en [nabestaande 4] niet-ontvankelijk worden verklaard. De gevorderde affectieschade door [nabestaande 4] kan volgens de officier van justitie worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat een bedrag van € 1.200,- aan immateriële schade kan worden toegewezen, gelet op het letsel.

Tot slot verzoekt de officier van justitie om ten aanzien van alle vorderingen de wettelijke rente toe te passen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich ten aanzien van de vorderingen van de nabestaanden van [slachtoffer 1] op het standpunt dat alle gevorderde materiële schade kan worden toegewezen. De gevorderde shockschade moet volgens de advocaat worden afgewezen, omdat er geen sprake is geweest van een directe confrontatie en de emotionele shock zit niet kan uitstrekken over een twee weken durende ziekenhuisopname. De advocaat refereert zich ten aanzien van de toekenning van affectieschade.

De advocaat verzoekt ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] om het voorgestelde bedrag van de officier van justitie (€ 1.200) te matigen vanwege het ontbreken van stukken ter onderbouwing.

Oordeel van de rechtbank

Vorderingen van de nabestaanden van [slachtoffer 1] (feit 1)

Inleiding

Onder omstandigheden kan naast onrechtmatig handelen van een verdachte jegens het directe slachtoffer, óók sprake zijn van een zelfstandige onrechtmatige daad jegens derden, waaronder nabestaanden. Het gaat hierbij om de situatie waarin sprake is van shockschade, wat een grond biedt om zowel immateriële schade als materiële schade te vorderen. Daarnaast biedt de wet in artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aanspraken op vergoeding van daar genoemde schade aan daar genoemde derden. Het gaat daarbij om kosten van lijkbezorging en kosten van gederfd levensonderhoud. Tot slot is het op grond van artikel 6:108 BW mogelijk aanspraak te maken op affectieschade als kringgerechtigde.

Affectieschade

De benadeelde partij [nabestaande 4] is de moeder van het slachtoffer en behoort tot de kring van gerechtigden die op grond van artikel 6:108 BW aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij van € 17.500,- toewijzen, overeenkomstig het bepaalde in het Besluit vergoeding affectieschade.

Shockschade

Alle vier de nabestaanden hebben € 12.500 aan shockschade gevorderd. De benadeelde partijen [nabestaande 2] en [nabestaande 4] hebben verzocht om hun gevorderde shockschade niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van diagnostische informatie waardoor het geestelijk letsel niet objectiveerbaar kan worden aangetoond. De rechtbank zal de shockschade ten aanzien van alle vier de benadeelde partijen echter afwijzen en zal hierna toelichten waarom.

Bij de beoordeling van de shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok teweeg wordt gebracht door het waarnemen van het bewezen verklaarde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok moet vervolgens geestelijk letsel zijn voortgevloeid. Bij het beoordelen van de onrechtmatigheid van het handelen van [verdachte] ten opzichte van de nabestaanden moet de rechtbank (onder meer) de volgende gezichtspunten in acht nemen:

1. De aard, toedracht en gevolgen van het strafbare feit

Na een ruzie op straat heeft [verdachte] het slachtoffer een duw tegen de borst gegeven. De toedracht van de ruzie is niet geheel duidelijk, maar het dossier bevat aanwijzingen dat het slachtoffer daarin een rol heeft gehad. Door de duw is het slachtoffer zeer ongelukkig ten val gekomen op zijn hoofd. Hierdoor is het slachtoffer gedurende twee weken in slapeloze toestand gehouden in het ziekenhuis, waarna hij is komen te overlijden. Het is duidelijk dat [verdachte] de coma en de daaropvolgende dood van het slachtoffer niet heeft gewild.

2. De confrontatie met de gevolgen van het strafbare feit

De nabestaanden hebben de duw en de daaropvolgende val niet zelf waargenomen. Hoewel de rechtbank zich voor kan stellen dat het heftig is om een familielid met hoofdletsel in een coma in het ziekenhuis te zien liggen, was het slachtoffer niet ernstig verminkt. De rechtbank stelt verder vast dat de confrontatie met de gevolgen van de duw niet onverhoeds was, aangezien de nabestaanden het slachtoffer pas in het ziekenhuis hebben gezien. Zij moeten dus eerder op de hoogte zijn gebracht van de toestand van het slachtoffer.

3. De aard en hechtheid van de relatie met het slachtoffer

De benadeelde partijen zijn directe familie van het slachtoffer: zijn moeder, zussen en broer. Over de hechtheid van de relatie tussen het slachtoffer en de nabestaanden overweegt de rechtbank dat uit de verklaring van de psycholoog van [nabestaande 1] volgt dat het slachtoffer voorafgaand aan zijn overleden het contact met de familie al jarenlang afhield. Uit de vorderingen komt geen ander beeld naar voren.

Op grond van deze gezichtspunten is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van shockschade die voor vergoeding in aanmerking komt.

Kosten crematie en kosten uitvaart

[nabestaande 3] vordert € 5.367,76 voor de kosten van de uitvaart. Daarnaast vorderen alle vier de nabestaanden € 122,50 aan crematiekosten voor de hersenen. De hersenen zijn door het NFI een tijd bewaard voor eventueel nader onderzoek, waardoor ze in latere instantie zijn gecremeerd. De totale kosten voor deze crematie (€ 490,-) is verdeeld over de vier nabestaanden.

Op grond artikel 6:108 lid 2 BW is [verdachte] aansprakelijk voor de kosten van lijkbezorging van het stoffelijk overschot van het slachtoffer dat door het strafbaar feit is komen te overlijden. Kortgezegd gaat het hier om de kosten voor een uitvaart. De gemaakte kosten voor de uitvaart moeten in redelijkheid zijn gemaakt in het licht van de omstandigheden waarin de overledene leefde.

De gemaakte kosten zoals die zijn gevorderd, komt de rechtbank niet onredelijk voor en zullen worden toegewezen.

Kosten notaris

Door het overlijden van het slachtoffer zijn er notariskosten gemaakt voor (onder andere) een verklaring van erfrecht. De totale kosten zijn over de vier nabestaanden verdeeld waardoor ze alle vier een bedrag van € 202,37 aan notariskosten vorderen. Kosten ter afwikkeling van de nalatenschap vallen echter niet onder kosten van lijkbezorging, omdat notariskosten niet in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene. Om die reden zal de rechtbank de gevorderde notariskosten afwijzen.

Kosten eigen risico en kosten psycholoog

[nabestaande 1] vordert € 485,- aan kosten voor eigen risico en [nabestaande 3] vordert € 1.345,- voor behandelkosten. Beiden hebben deze kosten gemaakt vanwege behandelingen bij een psycholoog naar aanleiding van het verlies van hun broer. Deze kosten vallen echter niet onder kosten van lijkbezorging of kosten van gederfd levensonderhoud, waardoor toewijzing op grond van artikel 6:108 BW niet mogelijk is. Daarnaast is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van shockschade, waardoor deze kosten ook niet als materiële schade als gevolg van shockschade kunnen worden toegewezen. Om die reden zal de rechtbank deze gevorderde kosten afwijzen.

Reiskosten, parkeerkosten en kosten voor overnachting

[nabestaande 3] en [nabestaande 4] vorderen respectievelijk € 1.401,18 en € 1.212,42 aan verscheidende reiskosten en € 65,- en € 30,- aan parkeerkosten bij het ziekenhuis. [nabestaande 4] vordert daarnaast € 250,- voor een overnachting in Frankrijk omdat ze vanwege de ziekenhuisopname van haar zoon eerder van vakantie terug is gereden en vanwege de lange autorit moest overnachten.

De rechtbank zal de reiskosten die zien op de (vervroegde) terugreis vanuit Frankrijk met de bijbehorende overnachting, de reiskosten van de bezoeken aan het ziekenhuis met de bijbehorende parkeerkosten en de reiskosten voor het leeghalen van de woning van het slachtoffer afwijzen, omdat deze kosten niet vallen onder kosten van lijkbezorging of kosten van gederfd levensonderhoud, waardoor toewijzing op grond van artikel 6:108 BW niet mogelijk is.

De rechtbank zal de reiskosten van [nabestaande 3] voor de condoleance, de uitvaart, het crematorium, het ophalen van het as en het ophalen van de ouders toewijzen omdat deze kosten vallen onder kosten van lijkbezorging. Dezelfde reiskosten voor de condoleance, de uitvaart en het crematorium zijn ook door [nabestaande 4] gevorderd en zullen door de rechtbank worden afgewezen. Dit komt doordat uit beide vorderingen tezamen blijkt dat [nabestaande 4] met [nabestaande 3] mee is gereden naar de condoleance, de uitvaart en het crematorium. Dat verklaart ook de reiskosten van [nabestaande 3] voor het ophalen van de ouders. Om die reden rekent de rechtbank deze reiskosten dan ook als kosten voor lijkbezorging.

Conclusie

De rechtbank beslist als volgt op de vorderingen van de benadeelde partijen:

[nabestaande 1] : er wordt € 122,50 aan materiële schade toegewezen en de immateriële schade (shockschade) wordt afgewezen;

[nabestaande 2] : er wordt € 122,50 aan materiële schade toegewezen en de immateriële schade (shockschade) wordt afgewezen;

[nabestaande 3] : er wordt € 5.958,20 aan materiële schade toegewezen en de immateriële schade (shockschade) wordt afgewezen;

[nabestaande 4] : er wordt € 122,50 aan materiële schade toegewezen en er wordt € 17.500,- aan immateriële schade (affectieschade) toegewezen, de rest van de gevorderde immateriële schade (shockschade) wordt afgewezen.

Vordering van [slachtoffer 2] (feit 3)

Immateriële schade

Zoals gezegd vordert de benadeelde partij [slachtoffer 2] een onbepaald bedrag aan immateriële schade. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Het letsel bestond (onder meer) uit een gebroken rib en veel blauwe plekken. Vanwege dit letsel vindt de rechtbank het meer dan redelijk om een bedrag aan immateriële schadevergoeding toe te kennen.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade kijkt de rechtbank onder andere naar de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor een passende immateriële schadevergoeding voor een bepaald gevalstype. De rechtbank kijkt naar hoofdstuk 13 type b (licht letsel met een herstelperiode van ongeveer twee tot vier maanden) vanwege de gebroken rib. De bandbreedte bedraagt hier een toe te kennen bedrag tussen de € 725,- tot € 2.175,-.

Het voorstel van de officier van justitie om € 1.200,- toe te wijzen, komt de rechtbank niet onredelijk voor, gelet op vergelijkbare zaken en het feit dat het overige letsel met name bestaat uit (flinke) bloeduitstortingen en een gebroken rib. Om die reden zal de rechtbank een bedrag van € 1.200,- toewijzen.

Hoofdelijkheid

Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal ten aanzien van alle vorderingen ook de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum waarop de schade is geleden tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald. De rechtbank stelt daarbij de volgende ingangsdata vast ten aanzien van:

[nabestaande 4] , voor wat betreft de affectieschade (€ 17.500,-): vanaf 19 december 2024;

[nabestaande 3] , voor wat betreft de kosten uitvaart en reiskosten voor de condoleance, de uitvaart, het crematorium en het ophalen van de ouders (€ 5.732,08): vanaf 27 december 2024;

[nabestaande 3] , voor wat betreft de reiskosten voor het ophalen van het as (€ 103,62): vanaf 24 januari 2025;

[slachtoffer 2] (€ 1.200,-): vanaf 7 februari 2025;

[nabestaande 1] , [nabestaande 2] , [nabestaande 3] en [nabestaande 4] , voor wat betreft de kosten crematie (€ 122,50): vanaf 23 september 2025.

Schadevergoedingsmaatregel

Ten behoeve van de benadeelden legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan de [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelden de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] in het kader van de (deels) toe te wijzen vorderingen de in paragraaf 7.4.1. en 7.4.2. toegewezen bedragen aan de Staat moet betalen. Deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de in paragraaf 7.4.3. per benadeelde partij genoemde data, tot de dag dat [verdachte] de bedragen volledig heeft betaald. Bij niet betaling wordt er geen gijzeling toegepast.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding (grotendeels) worden toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De kinderrechter heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummer 16/071899-24 op 9 juli 2024 een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 20 uur voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.

Standpunten

De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan [verdachte] opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft [verdachte] zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit. Wat betreft de advocaat kan de vordering worden toegewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen. [verdachte] heeft zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.

9. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen, maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

10. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 77 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 50 uren;

- beveelt dat als [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf zal worden vervangen door 25 dagen jeugddetentie;

maatregel

- legt aan [verdachte] op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 3 jaren;

- bepaalt dat de maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de algemene en bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en de Jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

beslag

verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:

Pakje vloeitjes (G3480928);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [nabestaande 1] (feit 1)

- wijst de vordering van [nabestaande 1] toe tot een bedrag van € 122,50, bestaande uit materiële schade;

- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [nabestaande 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2025 tot de dag van volledige betaling;

- wijst de vordering van [nabestaande 1] voor wat betreft het meer gevorderde af;

- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 1] aan de Staat € 122,50 te betalen, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij niet betaling wordt er geen gijzeling toegepast;

- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van de schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [nabestaande 2] (feit 1)

- wijst de vordering van [nabestaande 2] toe tot een bedrag van € 122,50, bestaande uit materiële schade;

- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [nabestaande 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2025 tot de dag van volledige betaling;

- wijst de vordering van [nabestaande 2] voor wat betreft het meer gevorderde af;

- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 2] aan de Staat € 122,50 te betalen, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij niet betaling wordt er geen gijzeling toegepast;

- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van de schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [nabestaande 3] (feit 1)

- wijst de vordering van [nabestaande 3] toe tot een bedrag van € 5.958,20, bestaande uit materiële schade;

telkens tot de dag van volledige betaling;

- wijst de vordering van [nabestaande 3] voor wat betreft het meer gevorderde af;

- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

telkens tot de dag van volledige betaling en bij niet betaling wordt er geen gijzeling toegepast;

- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van de schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [nabestaande 4] (feit 1)

- wijst de vordering van [nabestaande 4] toe tot een bedrag van €17.622,50, bestaande uit € 122,50 aan materiële schade en € 17.500,-, aan immateriële schade (affectieschade);

telkens tot de dag van volledige betaling;

- wijst de vordering van [nabestaande 3] voor wat betreft het meer gevorderde af;

- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

telkens tot de dag van volledige betaling en bij niet betaling wordt er geen gijzeling toegepast;

- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van de schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 3)

- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 1.200,-, bestaande uit immateriële schade;

- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt [verdachte] de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 1.200,- te betalen, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2025 tot de dag van volledige betaling. Bij niet betaling wordt er geen gijzeling toegepast;

- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van de schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf van parketnummer 16/071899-24

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 9 juli 2024 opgelegde voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 20 uren;

voorlopige hechtenis

- wijzigt de schorsingsvoorwaarden, in die zin dat de schorsingsvoorwaarden gelijk worden gesteld aan de voorwaarden die in dit dictum zijn verbonden aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Van Wambeke, voorzitter, mr. H.A. Gerritse en mr. K. de Meulder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kiestra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit mede vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:

feit 1 hij op of omstreeks 5 december 2024 te Amersfoort, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] een duw tegen de borst, althans tegen het lichaam, te geven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

feit 2 hij in of omstreeks de periode 1 juli 2023 tot en met 11 februari 2025 te Amersfoort, althans in Nederland, opzettelijk bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 3 hij op of omstreeks 7 februari 2025 te Amersfoort, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een elektrische fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 2]- van achter te benaderen en/of aan te vallen,- al dan niet met een voorwerp, op haar achterhoofd te slaan,- meermalen, althans eenmaal, te bespugen en/of- meermalen, althans eenmaal, tegen haar ribben, althans tegen haar lichaam, te slaan en/of te schoppen.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

De verklaring van [verdachte] op de zitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb wel eens drugs verkocht. Ik verkocht cocaïne. De twee maanden voorafgaand aan mijn aanhouding op 11 februari 2025 hield ik mij daarmee bezig. [contactnaam verdachte] is een bijnaam van mij. De berichten in mijn telefoon heb ik verstuurd.

Proces-verbaal van bevindingen (onderzoek telefoon [verdachte] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 11 februari 2025 werd de telefoon van [verdachte] in beslag genomen.

Gesprek op 25 en 26 november 2024

Ik zag een gesprek tussen [verdachte] en het contact [contact 1] .

Outgoing: Heb goeie nieuwe

Outgoing: Je krijgt 1 extra

[contact 1] (incoming): Ok ik bel je als ik weer in Amersfoort ben ok. Laatst was niet sterk maar wel Schoon

Gesprek op 5 december 2024

Ik zag een gesprek tussen [verdachte] het contact [contact 2] .

Outgoing: Heb nieuwe goeie

Outgoing: Dacht ff snel kook

Incoming: Misschien ben ik latter vanaaf nog f thuis heb alleen geen lepel

Ambtshalve weet ik dat snuifbare cocaïne middels de ‘ammoniamethode’ kan worden omgezet tot rookbare cocaïne (basecoke). Bij de ammoniamethode zetje de coke in

een lepel onder ammonia.

Gesprek op 6 december 2024

Ik zag een gesprek tussen [verdachte] en het contact [contact 3] .

[contact 3] (incoming): Breng 1 Malig 3 voor 20 oke? Bem al beneden

[contact 3] (incoming): Ff testen als goed is dan hal ik met iemand 'samen veel hoelang

Outgoing: Ben er met paar m

Proces-verbaal van bevindingen (verklaring [getuige] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Getuige [getuige] verklaarde dat

- [contactnaam verdachte] een keer zijn bankpas van hem heeft gekregen omdat de getuige op dat moment geen contant geld bij zich had en hij toen vrijwillig zijn bankpas aan [contactnaam verdachte] heeft gegeven zodat [contactnaam verdachte] zelf het geld van zijn rekening af zou halen.

Aan getuige werd een recent gemaakte politiefoto van [verdachte] getoond. De getuige zei direct: Ja, dit is hem voor 100%.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand