RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2026 in de zaak tussen
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/2667 en UTR 26/2822
1. Xfitclub Nederland B.V.uit Huizen,
2. [eiser sub 2] , uit [vestigingsplaats] , hierna gezamenlijk eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen (het college), verweerder
(gemachtigde: A. Leijenhorst).
Procesverloop
1. Deze uitspraak gaat over het handhavend optreden door het college tegen de sportschool in de parkeerkelder op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel).
Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank een tussenuitspraak (de tussenuitspraak) gedaan.Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die uitspraak.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek te herstellen.
Het college heeft op 23 juni 2026 het bestreden besluit van een aanvullende motivering voorzien en nader toegelicht dat het gebruik van de parkeerkelder als sportschool in strijd is met het bestemmingsplan. Op 10 juli 2026 hebben eisers hun zienswijze gegeven.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 10 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
Wat vooraf ging
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de beslissing op bezwaar ten onrechte heeft gebaseerd op het standpunt dat met het huidige gebruik niet wordt voldaan aan de parkeernorm die zou gelden volgens de in 2002 en 2008 verleende vergunningen. In de betreffende vergunningen wordt namelijk nergens een parkeernorm als voorschrift vermeld. Aan het college is de gelegenheid geboden nader te motiveren waarom sprake is van een overtreding van de parkeernorm uit het bestemmingsplan. In het primaire besluit was dat namelijk de grondslag voor de last onder dwangsom.
Deze einduitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
Herstelpoging van het college
3. In de aanvullende motivering van 23 juni 2026 heeft het college uiteengezet dat met het gebruik van de parkeerkelder als sportschool niet meer wordt voldaan aan de parkeernorm uit artikel 25.2 van het bestemmingsplan Kom-Oost, dat nu deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Volgens het college moeten er door deze verandering in functie namelijk in totaal 53 parkeerplaatsen beschikbaar zijn op eigen terrein (32 plaatsen voor de reeds bestaande sportschool en 21,2 extra plaatsen voor het nieuwe sportgedeelte in de parkeerkelder). Deze parkeerplaatsen zijn momenteel niet aanwezig waardoor eisers in overtreding zijn.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank moet in deze einduitspraak beoordelen of het college erin is geslaagd het gebrek te herstellen. Dat betekent dat de rechtbank toetst of het college met de aanvullende motivering toereikend heeft onderbouwd dat er sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan op grond waarvan er handhavend kan worden opgetreden.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het college het gebrek niet heeft hersteld. De rechtbank is van oordeel dat artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 25.2 uit het bestemmingsplan Kom-Oost (het tijdelijk deel van het omgevingsplan) in deze situatie geen grondslag biedt voor het handhavend optreden.
Daartoe overweegt de rechtbank dat de parkeernorm uit artikel 25.2 van de planregels alleen van betekenis is wanneer sprake is van de oprichting van een nieuw bouwwerk, de vergroting van een bestaand bouwwerk en/of de verandering in functie op het bijbehorende bouwperceel. Het is niet in geschil dat van de oprichting van een nieuw bouwwerk of de vergroting van een bestaand bouwwerk geen sprake is. De vraag die nu voorligt is dus of het ombouwen van de parkeerkelder tot sportschool een verandering in functie is, zoals bedoeld in het bestemmingsplan.
Van een verandering in functie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake (geweest). De rechtbank merkt allereerst op dat ‘(verandering in) functie’ niet is gedefinieerd in het bestemmingsplan. De rechtbank overweegt dat uit de plansystematiek volgt dat niet alle veranderingen in het feitelijke gebruik van een ruimte kwalificeert als een ‘verandering in functie’. In artikel 25.2 van de planregels staan namelijk verschillende typen gebruik opgesomd als functie. Zo worden bijvoorbeeld ‘maatschappelijke voorzieningen’ en ‘dienstverlening’ genoemd als functie, met een bijbehorende parkeernorm. Hieruit volgt dat alleen als je van bijvoorbeeld maatschappelijke voorzieningen naar dienstverlening gaat of andersom er sprake is van een verandering in functie.
Eisers exploiteren een sportschool op het betreffende perceel. Vóór de verbouwing werd de kelder gebruikt als parkeervoorziening voor de sportschool. Zoals een trappenhuis op zichzelf geen educatieve functie heeft, maar wel onderdeel is van een school, zo was de parkeerkelder onderdeel van de sportschool. Na de verbouwing staat de kelder nog steeds ten dienste van de reeds bestaande sportschool. De functie van het perceel is en blijft dus ‘sport’. Er heeft geen verandering in functie plaatsgevonden. Het gebruik van de parkeerkelder als sportschool is dus niet aan te merken als overtreding in de zin van artikel 5.1, eerste lid, van de Ow in samenhang met de parkeernorm uit artikel 25.2 van het bestemmingsplan.
Gelet hierop is het college er niet in geslaagd om deugdelijk te motiveren dat er sprake is van een overtreding. Dat betekent dat het college zich ten onrechte bevoegd heeft geacht om deze last onder dwangsom op te leggen. De beroepen van eisers zijn daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zelf voorzien door het besluit van 30 oktober 2025 te herroepen. Daarmee is dit besluit van tafel. Eisers hoeven dus niet te voldoen aan de last. Omdat het primaire besluit reeds om bovenstaande reden herroepen wordt, laat de rechtbank de overige beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd verder onbesproken.
Conclusie en gevolgen
De beroepen zijn gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd, omdat er geen sprake is van een overtreding. Het college was daarom niet bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Nu er geen andere uitkomst mogelijk is, zal de rechtbank het geschil definitief beslechten door zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 30 oktober 2025 te herroepen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college in beide zaken aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Eisers hebben zich niet laten bijstaan door een juridisch gemachtigde. Daarom bestaat geen aanleiding om het college proceskosten te laten vergoeden.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het besluit van 30 oktober 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van totaal € 794,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.