RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Alkmaar
Meervoudige raadkamer
Registratienummer: 18/008772
Parketnummer: 15/104036-17
Uitspraakdatum: 13 mei 2019
Beschikking (art. 591a Sv)
1. Ontstaan en loop van de procedure
Op 6 november 2018 is ter griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat, ingediend verzoekschrift van
[verzoeker] , verzoeker,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
domicilie kiezende te Purmerend, ten kantore van mr. Mühren voornoemd.
Het verzoekschrift strekt tot toekenning aan verzoeker van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 126.744,47 wegens de door deze met betrekking tot de strafzaak met bovengenoemd parketnummer gemaakte kosten van een raadsman, alsmede tot vergoeding van de kosten van een raadsman met betrekking tot de indiening en behandeling van het onderhavige verzoekschrift.
Het Openbaar Ministerie heeft op 19 april 2019 schriftelijk op het verzoek gereageerd.
Op 29 april 2019 is het verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld.
Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Mühren voornoemd.
Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. S.M. de Vries.
2. Beoordeling
De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door het onherroepelijk worden van het vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 11 oktober 2018. In dit vonnis is verzoeker door de rechtbank vrijgesproken van de hem ten laste gelegde omkoping van een gemeenteambtenaar (feit 1) en schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel aan het bezit van twee wapens en munitie (feiten 2 en 3). Bij onherroepelijk vonnis van 11 oktober 2018 is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
Op de voet van het bepaalde in artikel 591a jo artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de gewezen verdachte – indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) – in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten van een raadsman.
De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden of het begrip ‘zaak’, zoals vermeld in artikel 591a Sv, in dit geval de gehele strafzaak betreft inclusief de feiten 2 en 3 waarvoor artikel 9a Sr is gevolgd, of dat hierop een uitzondering dient te worden gemaakt.
Voorop dient te worden gesteld dat de strafzaak jegens verzoeker een megazaak betrof (genaamd Veenpluis), waarvan het onderwerp ‘corruptie’ was. De medeverdachte van verzoeker was gemeenteambtenaar [medeverdachte] . Er was sprake van een omvangrijk onderzoek, zowel door de Rijksrecherche als door de rechter-commissaris en de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting heeft meerdere dagen in beslag genomen. Het onderzoek en de behandeling ter zitting betrof voor het overgrote gedeelte de verdenking van omkoping (feit 1). Dat in de woning van verzoeker – overigens naar aanleiding van zijn eigen verklaring tijdens de doorzoeking van die woning, op de (standaard)vraag of er nog wapens in de woning aanwezig waren – twee wapens en munitie waren aangetroffen (feiten 2 en 3), is bij de behandeling ter terechtzitting slechts zeer beknopt aan de orde gekomen.
De rechtbank is van oordeel dat een inhoudelijk verband tussen feit 1 enerzijds en de feiten 2 en 3 anderzijds ontbreekt; de feiten 2 en 3 betreffen feiten van een geheel andere orde, die niets met feit 1 te maken hebben.
De raadsman van verzoeker heeft in verband met het onderhavige verzoek een aparte declaratie opgemaakt voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de feiten 2 en 3. De hoogte van deze declaratie betreft € 726,00, welk bedrag in schril contrast staat met de gestelde kosten van rechtsbijstand ter zake van feit 1, te weten een bedrag van € 126.744,47.
Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 591a Sv meebrengt dat in dit uitzonderlijke geval de omstandigheid dat verzoeker schuldig is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde er niet aan in de weg behoort te staan om tot vergoeding over te gaan van de geleden schade en gemaakte kosten ter zake van feit 1, indien daarvoor ook overigens gronden van billijkheid aanwezig zijn. Die ‘zaak’ is immers geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Het beroep van de officier van justitie op het arrest van de Hoge Raad van 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1502 en de daarop gebaseerde rechtspraak gaat in dit geval dus niet op.
Ten aanzien van de kosten van de klaagschriftprocedure
Het verzoek met betrekking tot vergoeding van de kosten van een raadsman voor het indienen en behandelen van het klaagschrift over gelegde beslagen is naar het oordeel van de rechtbank niet tijdig ingediend. De uitspraak in die beklagzaak is immers gedaan op 23 april 2018 en onherroepelijk geworden op 8 mei 2018. Een verzoek tot vergoeding van kosten gemaakt in het kader van deze beklagprocedure had ingevolge artikel 591a Sv moeten worden ingediend binnen drie maanden na 8 mei 2018 (Hoge Raad 3 februari 2009, NJ 2009/99, ECLI:NL:HR:2009:BG2191). Verzoeker kan in zoverre niet in zijn verzoek worden ontvangen.
De rechtbank begroot deze kosten op basis van de urendeclaratie van mr. Mühren (pagina 3) op precies 600 minuten in de periode van 13 februari 2018 tot en met 9 april 2018 (met uitzondering van de posten “bestudering dossier”, omdat die geacht worden (ook) te zijn gemaakt in verband met de hoofdzaak).
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de kosten voor de beklagzaak ook niet voor vergoeding in aanmerking zouden zijn gekomen indien het verzoek wel tijdig zou zijn ingediend. Het klaagschrift is immers voor het allergrootste deel ongegrond verklaard.
Ten aanzien van de overige kosten
Het door verzoeker ondertekende verzoekschrift is voor het overige tijdig ingediend en verzoeker kan in zoverre worden ontvangen in zijn verzoekschrift.
Het Openbaar Ministerie heeft zich inhoudelijk niet verzet tegen toekenning van de verzochte vergoeding.
De rechtbank acht in dit geval, alles in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig die toekenning van de verzochte vergoeding voor het overige rechtvaardigen, met dien verstande dat de rechtbank geen vergoeding zal toekennen voor de volgende posten:
3. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het verzoek voor zover het de kosten betreft voor de beklagprocedure met registratienummer 18/001636.
Kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 120.679,10 (zegge: eenhonderdtwintigduizend zeshonderdnegenenzeventig euro en tien cent), welk bedrag als volgt is samengesteld:
Wijst af het meer of anders verzochte.
Beveelt de uitbetaling door de griffier van deze rechtbank van de bij deze beschikking aan verzoeker toegekende vergoeding op de derdengeldrekening van verzoekers advocaat, bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Hendriksen & Mühren, onder vermelding van “schadevergoeding [verzoeker] /om – dossiernummer 20180189”.
4. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum
Deze beschikking is gegeven door:
mr. S. Jongeling, voorzitter,
mr. L.J. Saarloos en mr. I.H. Lips, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. de Jong, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2019.
Bij ontstentenis van de voorzitter, is deze beschikking door de oudste rechter en de griffier ondertekend.
Informatie bij deze beschikking
Voor zover er in deze uitspraak een bedrag is toegewezen kan de opdracht tot uitbetaling van dit bedrag pas worden gegeven nadat de beslissing onherroepelijk is geworden. Bijgaande beschikking is op dit moment nog niet onherroepelijk; de officier van justitie heeft 14 dagen de tijd om hoger beroep in te stellen en voor de verzoekende partij is binnen een maand (30 dagen) na betekening van deze uitspraak hoger beroep mogelijk. Genoemde termijnen kunnen worden bekort wanneer ter griffie afstand wordt gedaan van het recht op het instellen van hoger beroep.
U kunt op de volgende wijze ter griffie afstand doen van het recht op het instellen van hoger beroep: