ECLI:NL:RBNNE:2018:3049

ECLI:NL:RBNNE:2018:3049, Rechtbank Noord-Nederland, 31-07-2018, 18/930117-15

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 31-07-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/930117-15
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Assen
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2020:5053
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

De Noordelijke Fraudekamer heeft een hennepteler de verplichting opgelegd om het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim 3 miljoen euro terug te betalen aan de staat. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de veroordeelde gedurende ongeveer acht jaren hennep heeft geteeld in de kelder onder een woning en de koelruimte en silo van het kassencomplex achter die woning. Het voordeel is berekend op basis van het onverklaarbaar hoge elektriciteitsverbruik in de genoemde periode. De rechtbank acht niet aannemelijk dat veroordeelde gedurende een groot deel van de periode bloemen of groenten heeft geteeld in het kassencomplex, noch dat sprake was van een zeer hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik. De veroordeelde heeft een deel van het voordeel uit de hennepteelt ten bedrage van ruim € 300.000 aan een medeveroordeelde gegeven (onder meer onder de noemer alimentatie). De rechtbank heeft geoordeeld dat de medeveroordeelde dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en haar de verplichting opgelegd dit bedrag terug te betalen. Daarom heeft de rechtbank dit bedrag afgetrokken van de betalingsverplichting van veroordeelde.

Uitspraak

34. oogsten x voorlopige netto opbrengst koelruimte =€ 1.586.168,00

34 oogsten x voorlopige netto opbrengst silo = € 1.586.168,00

Verdachte [veroordeelde] heeft verklaard dat in de kelder 220 planten per vertrek stonden, dat hij van de eerste twee hokken in totaal ongeveer vijf keer geoogst heeft en van het derde hok drie keer. Voor de berekening zal worden uitgegaan van 660 planten. Voor de berekening van het aantal oogsten zal worden uitgegaan van de verbruikte elektriciteit ten behoeve van hennepkweek zoals weergegeven in de tabel ‘verbruik elektriciteit ten behoeve van (hennep)kweek en huishoudelijk verbruik’. Hieruit blijkt het restant verbruik voor de

kelder na aftrek van volledig verbruik in silo en koelruimte. Door dit verbruik (529.581 kWh) te delen door het verbruik per oogst, zijnde 30.334 kWh, komt het aantal oogsten afgerond naar beneden op 17. De berekening voor de kelder wordt dan als volgt. De afschrijvingskosten van de investeringen zijn afhankelijk van het aantal planten per oogst. Bij 600 - 699 planten bedraagt de afschrijving per oogst € 400. De inkoopprijs van de stekken bedraagt € 2,85 per stek. De overige variabele kosten (kweekmedium, water en voedingsstof) bedraagt € 3,33 per plant. De totale variabele kosten bedragen dan € 6,18 per stek; 660 planten x € 6,18 = € 4.078,80. De totale kosten (vast en variabel) van de kelder bedragen dan: € 400,00 + € 4.078,80= € 4.478,80.

[veroordeelde] heeft opgegeven dat de opbrengst per vertrek 3,5 à 4 kilo was. Er zal worden uitgegaan van een opbrengst van 4 kilo per vertrek. Dit levert de volgende berekening op:

bruto opbrengst: (3 x 4 kilo =) 12 kg x € 3.000,00 = € 36.000,00

minus vaste en variabele kosten: € 4.478,80

-------------- -

voorlopige netto opbrengst kelder: € 31.521,20

17. oogsten x voorlopige netto opbrengst € 31.521,20 = € 535.860,40

Zoals is gebleken uit het overzicht elektriciteitsverbruik van Enexis, werd de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerijen legaal afgenomen. Een overzicht van de diverse leveranciers in de betreffende periode is door Enexis verstrekt. Deze leveranciers zijn bevraagd over de jaarrekeningen elektriciteitsverbruik. Daaruit blijken de betaalde elektriciteitskosten voor de afgenomen hoeveelheid kWh. De elektriciteitskosten ten behoeve van het huishoudelijk gebruik dienen daarop in mindering te worden gebracht. Voor de berekening zal worden uitgegaan van het totaalbedrag aan afgenomen elektriciteit minus het totaalbedrag aan huishoudelijk verbruik. De berekening ziet er dan als volgt uit:

Nuon: Deze periode beslaat 47 maanden. Voor het huishoudelijk verbruik van elektriciteit uitgegaan van 10.000 kWh per jaar. 47 maanden is dan 47/12 x 10.000 kWh = 39.166 kWh. Uitgaande in het voordeel van verdachten van de in deze periode laagste éénheidsprijs kWh van € 0,05805, komen de kosten voor huishoudelijk verbruik in deze periode op 39.166 kWh x € 0,05805 = € 2.273,58. Totaal aftrek Nuon: € 11.777,18 + € 3.809,86 + € 10.921,80 + € 4.913,89 + € 16.231,61 + € 25.401,82 + € 2.880,50 - € 2.273,58 = € 73.663,08.

E.on: Deze periode beslaat 33 maanden. Voor het huishoudelijk verbruik van elektriciteit uitgegaan van 10.000 kWh per jaar. 33 maanden is dan 33/12 x 10.000 kWh = 27.500 kWh. Uitgaande van de in deze periode laagste éénheidsprijs kWh van € 0,0987 komen de kosten voor huishoudelijk verbruik in deze periode op 27.500 kWh x € 0,0987 = € 2.715,00. Totaal aftrek E.on: € 17.187,42 + € 25.399,35 + € 24.306,23 - € 2.715,00 = € 64.178,00.

Eneco: Deze periode beslaat 16 maanden. Voor het huishoudelijk verbruik van elektriciteit uitgegaan van 10.000 kWh per jaar. 16 maanden is dan 16/12 x 10.000 kWh = 13.333 kWh. Uitgaande van de in deze periode laagste éénheidsprijs kWh van € 0,07 komen de kosten voor huishoudelijk verbruik in deze periode op 13.333 kWh x € 0,07 = € 933,31. Totaal aftrek Eneco: € 15.708,37 + € 5.599,72 + € 264,29 - € 933,31 = € 20.639,07.

Totaal aftrek kosten verbruik elektriciteit ten behoeve van hennepkweek afgenomen van en betaald aan elektriciteitsleveranciers Nuon, E.on en Eneco: € 73.663,08 + € 64.178,00 + € 20.639,07 = € 158.480,15.

De kosten van hypotheek op de woning zijn als aftrekpost buiten beschouwing gelaten. Deze zijn sowieso verschuldigd, ook zonder aanwezigheid van een hennepkwekerij.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) wordt in mindering gebracht op de netto opbrengst. De beelden van de beveiligingscamera dienen als basis voor de berekening van het voor [medeverdachte 2] verkregen voordeel. In twaalf dagen cameraregistratie in de periode van 22 juni tot 3 juli 2013 is [medeverdachte 2] om de dag en in totaal vijf dagen in de kelder onder de woning aan de [adres 1] . Als hij in twaalf dagen tijd vijf dagen in [plaats 2] is geweest om [veroordeelde] te helpen in diens hennepkwekerij in verband met diens ziekte, zoals [veroordeelde] heeft verklaard, is het aannemelijk dat [medeverdachte 2] om de dag in de kwekerij heeft gewerkt. Op jaarbasis betekent dat afgerond 152 dagen. In verband met vakanties, school en andere verplichtingen wordt het aantal aldaar gewerkte dagen naar beneden afgerond naar een gewerkt aantal dagen van 100 per jaar. [veroordeelde] kreeg in maart 2012 een auto-ongeval waarbij hij letsel opliep en als gevolg daarvan moest hij de hulp van [medeverdachte 2] inschakelen. Tussen het moment van het ongeval tot het moment van ontdekking van de hennepkwekerij in de kelder zitten, naar beneden afgerond, vijftien maanden. 100 dagen per jaar werken betekent afgerond naar beneden acht dagen per maand. In vijftien maanden is derhalve 120 dagen gewerkt. Een gemiddelde van vier uur per dag is, gezien het aantal uren dat op beeld is vastgelegd, te weten tussen de anderhalf en elf uur per dag, ruimschoots in het voordeel van de verdachte. 120 dagen x 4 uur = 480 uur x een verdienste van € 10,00 per uur is een totale opbrengst van € 4.800,00. [medeverdachte 2] woont in [plaats 1] en reist naar [plaats 2] een retourafstand van 90 kilometer. Dit is in 120 dagen 10.800 kilometer. Uitgaande van een brandstofverbruik van 1:10 is het verbruik negen liter brandstof per dag en 1.080 liter in totaal. Uitgaande van een voor hem in dit geval gunstige prijs van € 1,70 per liter brandstof komen de kosten op € 1.836,00. € 4.800,00 - € 1.836,00 = € 2.964,00.

De uiteindelijke berekening ziet er dan als volgt uit:

Opbrengst koelruimte: € 1.586.168,00

Opbrengst silo: € 1.586.168,00

Opbrengst kelder: € 535.860,40

------------------ +

Totale opbrengst: € 3.708.196,40

Elektriciteitskosten: € 158.480,15

------------------ -

Voorlopige netto opbrengst: € 3.549.716,25

Wederrechtelijk verkregen voordeel [medeverdachte 2] € 2.964,00

------------------ -

Totaal netto opbrengst: € 3.546.752,25

Beoordeling

De ontnemingsvordering

2. De officier van justitie heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt vastgesteld op een bedrag van € 1.773.376,00 en dat dit bedrag aan veroordeelde wordt ontnomen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het telen van hennep in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 (hierna: de ontnemingsperiode). De manier waarop dit bedrag is berekend, is uiteengezet in de ontnemingsrapportage. Deze berekening is gebaseerd op het daadwerkelijke stroomverbruik in de ontnemingsperiode. Daarbij is ervan uitgegaan dat het grote stroomverbruik niet kan worden verklaard door andere grote stroomverbruikers op de locatie. Op basis van gegevens betreffende het gasverbruik op het perceel en getuigenverklaringen is aangenomen dat veroordeelde in een korte periode van hooguit een jaar bloemen heeft gekweekt en dat deze kweek het hoge elektriciteitsverbruik niet kan verklaren. In de ontnemingsrapportage is ervan uitgegaan dat het jaarlijkse legale elektriciteitsverbruik op het perceel 10.000 kWh bedroeg en dat in het jaar 2005/2006 - daar bovenop - 30.000 kWh elektriciteit is gebruikt voor het kweken van tulpen en/of chrysanten. Het legale elektriciteitsverbruik is afgetrokken van het geregistreerde elektriciteitsverbruik. Vervolgens is ervan uitgegaan dat het resterende elektriciteitsverbruik gerelateerd is aan het kweken van hennep. Op basis van de apparatuur die is aangetroffen in de kweekruimtes in de kelder, de verklaringen van veroordeelde over het aantal assimilatielampen dat hij gebruikte in de kweekruimtes in de koelruimte en de silo en het wattage van deze lampen en overige apparatuur is berekend hoeveel elektriciteit per kweekruimte nodig is voor een geslaagde oogst. In de ontnemingsrapportage is ervoor gekozen om telkens eerst uit te gaan van een maximaal aantal kweken in de koelruimte en de silo en de daarvoor benodigde elektriciteit te berekenen en vervolgens de resterende elektriciteit toe te rekenen aan de kweekruimtes in de kelder. Op basis daarvan is berekend dat zowel in de koelruimte als in de silo 34 oogsten hebben plaatsgevonden en dat in de kelder 17 oogsten hebben plaatsgevonden. Vervolgens is in de ontnemingsrapportage op basis van de aangetroffen situatie, de verklaringen van veroordeelde en gegevens uit het BOOM-rapport de opbrengst in kilo's hennep en in geld berekend. Hierbij is ten aanzien van de drie kweekruimtes in de kelder uitgegaan van de door veroordeelde genoemde opbrengst van 4 kg hennep per oogst per ruimte en ten aanzien van de koelruimte en de silo van de in het BOOM-rapport genoemde gemiddelde opbrengst van 28,2 gram per hennepplant. Voorts zijn op basis van de door veroordeelde genoemde aantallen hennepplanten per kweekruimte de afschrijvingskosten, de kosten voor hennepstekken en de overige variabele kosten (kweekmedium, water en voedingsstof) berekend. Zowel de opbrengst van de koelruimte als de opbrengst van de silo is, na aftrek van kosten, berekend op € 1.586.168,00. De opbrengst van de kelder is, na aftrek van kosten, berekend op € 535.860,40. Vervolgens zijn hiervan de kosten voor het elektriciteitsverbruik (€ 158.480,15) en het wederrechtelijk verkregen voordeel van medeverdachte Steunenbrink (€ 2.964,00) afgetrokken. Dit resulteert in een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van € 3.546.752,25. Dit bedrag is pondspondsgewijs verdeeld tussen veroordeelde en [medeverdachte 1] .

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich blijkens de conclusie van antwoord, de conclusie van dupliek en hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd primair op het standpunt gesteld dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van de verklaringen van veroordeelde.

Veroordeelde heeft verklaard dat hij over de gehele ontnemingsperiode tot medio 2010 bloemen heeft geteeld. Volgens de verdediging vindt deze verklaring steun in de grootboekgegevens van [bedrijfsnaam 2] over de periode van 2008 tot en met 2010. In dat kader heeft de verdediging opgemerkt dat de rapporteurs op basis van het gasverbruik hebben aangenomen dat alleen in 2005/2006 sprake is geweest van legale teelt. De verdediging heeft erop gewezen dat de gegevens betreffende het gasverbruik lopen tot 23 februari 2009, waardoor geen compleet beeld van het gasverbruik is verkregen, en dat uit de gegevens die wel beschikbaar zijn, blijkt dat ook in de periode van 12 april 2008 tot 2 augustus 2008 sprake is geweest van een piekverbruik van 4.251 m³ aan gas. Dit duidt er volgens de verdediging op dat ook in 2008 sprake was van legale teelt. Verder heeft de verdediging erop gewezen dat de rapporteurs er op basis van de verklaring van [naam] vanuit zijn gegaan dat voor de legale teelt 30.000 kWh benodigd was. Volgens de verdediging is dit geen juist uitgangspunt, omdat [naam] perkplantjes teelde, waarvoor volgens veroordeelde veel minder stroom nodig is dan voor de door hem geteelde bloemen. Volgens de verdediging heeft veroordeelde voldoende aannemelijk gemaakt dat hij over de gehele ontnemingsperiode tot medio 2010 (ook) bloemen heeft geteeld en dat dit (mede) het continu hoge stroomverbruik kan verklaren.

Ten aanzien van het telen van hennep heeft veroordeelde verklaard dat hij in de kelder vijf maal heeft geoogst verdeeld over drie hokken. Dit leidt tot een opbrengst van € 135.725,20. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij in de koelruimte vijf maal heeft geoogst. Dit leidt tot een opbrengst van € 106.360,00. Verder heeft hij verklaard dat hij in de silo zes maal heeft geoogst. Dit leidt tot een opbrengst van € 127.632,00. Daarvan moet volgens de verdediging worden afgetrokken de huur van medio 2010 tot en met juli 2013 (drie jaar), zijnde € 72.000,00, en de elektriciteit ten behoeve van de kweekcycli à € 34.851,52 (316,932 kWh x € 0,11). Op basis van deze gegevens komt de verdediging tot de conclusie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel € 262.865,68 bedraagt. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op dit bedrag.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat vier variabelen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage moeten worden aangepast. Na deze aanpassing bedraagt het wederrechtelijk verkregen voordeel volgens de verdediging € 804.911,85. De bedoelde variabelen zijn:

a.) De toerekening van het aantal kWh aan de kweekruimten;

b.) Het standaardverbruik van de woning;

c.) De opbrengst per plant (in grammen);

d.) De huurkosten die voor aftrek in aanmerking komen.

Ten aanzien van de toerekening van het aantal kWh aan de kweekruimten heeft de verdediging geconstateerd dat de kweekruimtes in de kelder relatief weinig winst genereren ten opzichte van de kweekruimtes in de koelruimte en de silo. Volgens de verdediging hebben de rapporteurs niet beargumenteerd waarom zij zijn begonnen met de toerekening van elektriciteitsverbruik aan de silo en de koelruimte en is daarvoor in het dossier ook geen argument te vinden. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze berekeningswijze in het nadeel is van veroordeelde en dat daarom moet worden begonnen met de toerekening van elektriciteitsverbruik aan de kelder. Daarbij moet volgens de verdediging worden uitgaan van het maximale aantal van vijf kweken en oogsten per jaar in de kelder en moet het restant van het elektriciteitsverbruik worden toegerekend aan de koelruimte, respectievelijk de silo.

Ten aanzien van het standaardverbruik van de woning heeft de verdediging aangevoerd dat veroordeelde heeft verklaard dat het huishoudelijke verbruik circa 54.000 kWh per jaar was en dat dit wordt bevestigd door de gegevens betreffende het elektriciteitsverbruik in de periode van 17 september 2013 tot en met 14 oktober 2015. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat [naam 2] van Enexis in een e-mailbericht d.d. 27 oktober 2015 schrijft dat er na de (tweede) inval in 2014 gedurende zeven maanden een meting op het pand heeft gestaan, waarbij een gigantisch verbruik is geconstateerd, maar waarbij geen henneppatroon is aangetroffen. Daarom moet volgens de verdediging worden uitgegaan van een huishoudelijk jaarverbruik van 54.000 kWh. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat veroordeeldes stiefzoon [zoon medeverdachte] gedurende (een groot deel van) de ontnemingsperiode bedrijfsactiviteiten heeft uitgevoerd op het perceel, bestaande uit de handel in auto's en brommobielen.

Ten aanzien van de opbrengst per plant heeft de verdediging aangevoerd dat veroordeelde gemotiveerd heeft verklaard dat de opbrengst in de kweekruimtes in de koelruimte en de silo 14,1 gram hennep per plant was, in plaats van de in de ontnemingsrapportage gehanteerde 28,2 gram hennep per plant. Veroordeelde heeft verklaard dat hij wekelijks een strook hennepplanten knipte, waardoor de andere planten in de ruimte extra licht kregen en sprake was van een onregelmatig lichtschema gedurende de volledige cyclus. Volgens veroordeelde raakten de planten daardoor gestrest en brachten zij minder op. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dient te worden uitgegaan van deze verklaring van veroordeelde, omdat het openbaar ministerie deze verklaring had kunnen verifiëren en de verklaring niet door nader onderzoek is weerlegd. Volgens de verdediging beantwoordt het aanvullend proces-verbaal d.d. 9 mei 2016 niet aan de stelling van veroordeelde, omdat daarin wordt uitgegaan van een langere periode van licht en niet van een onregelmatig lichtschema. Volgens de verdediging blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat de lichtperiode gedurende de hele cyclus op hetzelfde tijdstip moet starten en eindigen, dat het volledig donker moet zijn in de nachten van de planten, dat de planten anders hermafrodiet kunnen worden en mannelijke bloemen kunnen gaan produceren en dat lichtstress ervoor kan zorgen dat aanzienlijk minder wordt geoogst.

Ten aanzien van de huurkosten heeft de verdediging aangevoerd dat veroordeelde voor de silo en de koelruimte per jaar een bedrag van € 24.000 aan huur verschuldigd was. Volgens de verdediging moeten deze kosten worden afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat zij in directe relatie staan tot het delict.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een eventuele betalingsverplichting ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de teelt van hennep alleen moet worden opgelegd aan veroordeelde. Volgens de verdediging heeft veroordeelde inzicht gegeven in de verdeling van de opbrengst, nu hij heeft verklaard dat er niets werd verdeeld, de winst volledig aan hem is toe te rekenen en [medeverdachte 1] nimmer enige opbrengst heeft genoten.

De verdediging heeft een draagkrachtverweer gevoerd en betoogd dat de betalingsverplichting op nihil moet worden gesteld. Daartoe is aangevoerd dat veroordeelde onvoldoende vermogen en verdiencapaciteit heeft om uit hoofde van deze zaak enig bedrag te kunnen voldoen. Veroordeelde ontvangt enkel een AOW-uitkering van € 860 per maand. Aangezien hij 67 jaar oud en gepensioneerd is, valt ook niet te verwachten dat zijn toekomstige verdiencapaciteit zodanig zal veranderen dat hij dan wel in staat zal zijn om aan een betalingsverplichting te voldoen. Bovendien zijn in 2007 in het kader van twee andere ontnemingsprocedures aan veroordeelde betalingsverplichtingen opgelegd, waarvan op dit moment nog € 64.000 respectievelijk € 17.000 moet worden betaald en waarvoor betalingsregelingen zijn getroffen van € 25 per vordering per maand. Volgens de verdediging mag daarom worden aangenomen dat de maximale aflossingscapaciteit van veroordeelde € 50 per maand is. Daarbij heeft de verdediging erop gewezen dat het openbaar ministerie en het CJIB in dit soort gevallen uitvoering financieel onderzoek doen naar verdiencapaciteiten en eventueel (verborgen) vermogenscomponenten. Kennelijk heeft men vastgesteld dat er geen verborgen vermogen en geen financiële rek meer is. De verdediging heeft verwezen naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 5 oktober 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:7961), waarin het hof de betalingsverplichting op nihil heeft gesteld. Het ging in dat geval om een 74 jaar oude man, die persoonlijk failliet was verklaard, geen inkomsten uit arbeid genoot, een AOW-uitkering ontving en niet over een substantieel vermogen beschikte. Bovendien moest hij nog een bedrag van ruim 1,7 miljoen euro betalen aan concurrente schuldeisers. Volgens de verdediging is dat geval zeer goed te vergelijken met het geval van veroordeelde, met dien verstande dat de Nederlandse staat in dit geval haar eigen concurrente schuldeiser is.

De reactie van de officier van justitie op het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de gehanteerde wijze van toerekening heeft de officier van justitie aangevoerd dat deze is gebaseerd op de verklaringen van veroordeelde, die erop neerkomen dat hij is begonnen met telen in de koelruimte en de silo en dat hij daarna in de kelder onder de woning is begonnen. Hieruit volgt volgens de officier van justitie dat het zwaartepunt van de hennepteelt vóór 2012 in de koelruimte en de silo lag.

Ten aanzien van het huishoudelijk elektriciteitsverbruik heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het stroomverbruik van ná de ontmanteling van de kwekerij, het verbruik van vóór die ontmanteling niet zonder meer verklaart. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat een gemiddelde woning ongeveer 3.360 kWh verbruikt op jaarbasis, dat het gehanteerde jaarverbruik van 10.000 kWh ruim is en dat de verdediging op geen enkele wijze heeft aangetoond wat voor apparatuur ná de ontmanteling van de kwekerij een dergelijk hoog stroomverbruik kan verklaren. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat in de ontnemingsrapportage is geconcludeerd dat na de ontmanteling op 3 juli 2013 wederom een hennepkwekerij op het perceel is geweest, dat het stroomverbruik van bijna 52.000 kWh in het jaar na 3 juli 2013 grotendeels is gebruikt voor die kwekerij en dat het huishoudelijk jaarverbruik van de woning dus nooit 54.000 kWh kan zijn geweest. Daarnaast heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat er grote interne veranderingen zijn geweest in of rond de woning ten opzichte van de situatie dat de vorige eigenaar [naam] daar woonde en zijn stroomgebruik - inclusief de kas - in een piekjaar rond de 30.000 kWh lag. Verder heeft de officier van justitie aangevoerd dat de fraude-inspecteur van Enexis de meetresultaten van na 2014 nogmaals heeft bekeken en heeft geconcludeerd dat in de nachtelijke uren voor perioden van respectievelijk 14,5 uur, 12,5 uur en 16,5 uur veel stroom is verbruikt. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het onaannemelijk is dat gedurende een groot deel van de ontnemingsperiode bedrijfsactiviteiten met betrekking tot de handel in auto's, minicars of paardentrucks heeft plaatsgevonden op het perceel.

Ten aanzien van de opbrengst per plant heeft de officier van justitie betoogd dat het niet aannemelijk is dat de door veroordeelde geteelde hennepplanten slechts 14,1 gram hennep per plant hebben opgebracht. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er voor veroordeelde geen noodzaak was om in stroken te kweken, aangezien de rechtbank bewezen heeft verklaard dat hij het feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. De inrichting van de kweekruimtes in de kelder geeft ook geen aanleiding om te veronderstellen dat in stroken is gekweekt. Bovendien heeft de verdediging niet aangevoerd waarom het knippen van de hennep niet samen kon vallen met het dagritme van de hennepplanten, zodat niet vaststaat dat de planten extra licht en daardoor mogelijk lichtstress hebben gehad. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat het standpunt van de verdediging is voorgelegd aan de drugsexpert van de politie en dat deze erop heeft gewezen dat het rapport waar de verdediging op doelt, ziet op industriële, in de buitenlucht geteelde hennep die niet bestemd is voor de productie van softdrugs maar voor de productie van hennepvezels. In het rapport staat onder meer dat stress in deze periode invloed heeft op de grootte van de plant en de vezelopbrengst, maar niet op de zaadoogst. Zaden komen voort uit de bloem(poll)en en de productie van softdrugs ziet met name op de bloem. Daarom geeft het rapport geen aanleiding om te veronderstellen dat stress een negatieve invloed heeft op de opbrengst van de hennep (bloemen) per plant. Indien al zou worden aangenomen dat stress een lagere opbrengst genereert, geldt volgens de officier van justitie dat de door de verdediging aangedragen 14,1 gram hennep per plant op geen enkele wijze is onderbouwd. De opbrengst van 28,2 gram hennep per plant uit het BOOM-rapport is daarentegen tot stand gekomen na empirisch onderzoek. Dit betreft een gewogen gemiddelde, waarbij de absolute ondergrens van de opbrengst is aangegeven.

Ten aanzien van de huurkosten heeft de officier van justitie aangevoerd dat het uitgangspunt is dat huurkosten alleen in mindering kunnen worden gebracht, als deze kosten niet waren gemaakt als de illegale activiteiten niet waren gepleegd. Daarvan is volgens de officier van justitie geen sprake, aangezien de koelruimte en de silo in eerste instantie werden gehuurd ten behoeve van de legale teelt, de ruimtes ook werden verhuurd aan [zoon medeverdachte] ten behoeve van de exploitatie van zijn brommobielen en veroordeelde daarvoor bovendien per maand € 2.500 aan huur ontving.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een pondspondsgewijze verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel tussen veroordeelde en [medeverdachte 1] het meest voor de hand ligt, omdat veroordeelde en [medeverdachte 1] geen waarschijnlijke en onderbouwde verklaring hebben afgelegd omtrent die verdeling.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen het matigen of op nihil stellen van de betalingsverplichting in verband met de draagkracht van veroordeelde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het niet op voorhand vaststaat dat veroordeelde in de aankomende jaren niet in staat zal zijn enig inkomen te verwerven. Voorts heeft hij aangevoerd dat veroordeelde in 2007 is veroordeeld in verband met zijn betrokkenheid bij het telen van hennep en dat hem toen de verplichting is opgelegd bedragen te betalen aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In deze zaak is veroordeelde opnieuw veroordeeld voor het telen van hennep. Kennelijk was veroordeelde na de veroordeling en toewijzing van de ontnemingsvorderingen in 2007 in staat opnieuw een kwekerij met duizenden hennepplanten op te zetten en daarmee veel geld te verdienen. Hieruit volgt dat er kennelijk verborgen vermogen was dat het openbaar ministerie niet heeft gevonden. Reeds daarom is deze zaak niet te vergelijken met het door de verdediging aangedragen voorbeeld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de ontnemingsvordering in deze zaak diende te worden aangebracht binnen een periode van twee jaar na het wijzen van het vonnis in de hoofdzaak op 30 november 2016. Deze periode is nog niet verstreken en het valt te verwachten dat de rechtbank binnen deze termijn uitspraak zal doen. Tevens valt te verwachten dat de rechtbank binnen drie jaar na het aanbrengen van de ontnemingsvordering op deze vordering zal beslissen. Daarbij komt dat het, gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, vreemd is om aan een overschrijding van de redelijke termijn een matiging van de betalingsverplichting te verbinden, aangezien de veroordeelde daardoor een deel van het criminele vermogen zou mogen behouden. De Hoge Raad staat dit dan ook slechts marginaal toe. Volgens de officier van justitie is in dit geval nog zo weinig tijd verstreken sinds het veroordelende vonnis dat er geen aanleiding is voor het matigen van de betalingsverplichting.

Oordeel van de rechtbank

Inleidende overwegingen

5. De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 30 november 2016 in de zaak met parketnummer 18/930117-15 (waarbij ter berechting is gevoegd de zaak met parketnummer 18/950279-13) veroordeeld ter zake oplichting en in de uitoefening van een beroep/bedrijf in vereniging opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (hierna: het telen en bewerken van hennep). De bewezenverklaring ziet op het telen en bewerken van hennep in de periode van 1 juni 2012 tot en met 3 juli 2013 in een pand aan [adres 1] .

Grondslag van de ontnemingsvordering

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen vast komen te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde telen en bewerken van hennep en soortgelijke feiten (voor zover het de periode vóór 1 juli 2011 betreft) dan wel andere strafbare feiten (voor zover het de periode vanaf 1 juli 2011 betreft), waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan. Deze soortgelijke feiten, dan wel andere strafbare feiten, betreffen het telen van hennep in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 31 mei 2012 en het verkopen van hennep in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013.

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde gedurende deze gehele periode in de kelder onder het pand aan [adres 1] en in de silo en de koelruimte op dit perceel hennep heeft geteeld en dat hij deze hennep heeft verkocht. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Veroordeelde heeft erkend dat hij hennep heeft geteeld in de genoemde ruimtes, dat hij in al deze ruimtes meerdere malen hennep heeft geoogst en dat hij de geoogste hennep heeft verkocht.

Uit de gegevens die zijn verstrekt door de netwerkbeheerder Enexis blijkt dat op het perceel [adres 1] in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 sprake is van een zeer hoog elektriciteitsverbruik.

De verdediging heeft gesteld dat dit elektriciteitsverbruik is veroorzaakt doordat veroordeelde gedurende de periode van 2005 tot 2012 legaal bloemen en groenten heeft gekweekt in het kassencomplex op het perceel, een deel van het kassencomplex door de stiefzoon van veroordeelde werd gebruikt als showroom voor auto's en brommobielen en bovendien sprake was van een zeer hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik.

Op grond van de verklaring van [buurtbewoner] , de bewoner van een naastgelegen perceel, en hetgeen veroordeelde heeft verteld aan een medewerker van [bedrijfsnaam 3] in het kader van de letselschadeprocedure in verband met het auto-ongeluk dat veroordeelde in maart 2012 heeft gehad, acht de rechtbank aannemelijk dat veroordeelde gedurende de periode van medio 2005 tot en met medio 2006 in het kassencomplex tulpen (en/of andere bloemen en/of groenten) heeft geteeld. Op grond van dezelfde bewijsmiddelen acht de rechtbank niet aannemelijk dat nadien nog bloemen en/of groenten zijn geteeld in het kassencomplex. Daartoe overweegt de rechtbank dat [buurtbewoner] heeft verklaard dat hij weet dat toen veroordeelde, [medeverdachte 1] en [zoon medeverdachte] op het adres [adres 1] kwamen wonen, veroordeelde in het begin tulpen verbouwde, dat veroordeelde dit naar zijn idee maar één seizoen heeft gedaan en dat de kassen na de tulpen niet meer in gebruik waren. Voorts overweegt de rechtbank daartoe dat in het rapport van [bedrijfsnaam 3] staat dat veroordeelde gedurende een jaar tulpen heeft geteeld, maar dat hij daarmee is gestopt omdat het telen van tulpen financieel onvoldoende opleverde. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdediging geen documenten - zoals aankoopfacturen van zaden of stekjes, verkoopfacturen van bloemen of groenten of betalingsbewijzen - of andere bewijsmiddelen heeft overgelegd of aangedragen, waaruit zou kunnen blijken dat in de periode na medio 2006 nog bloemen of groenten zijn geteeld in het kassencomplex. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, ook indien in die periode nog wel bloemen en/of groenten zouden zijn geteeld, dit het geconstateerde, zeer hoge elektriciteitsverbruik op het perceel niet (volledig) zou hebben kunnen verklaren. Daartoe overweegt zij dat [naam] heeft verklaard dat hij de woning aan de [adres 1] in het verleden in bezit heeft gehad, dat hij toen werkzaam was als tuinder, dat zijn gemiddelde verbruik van stroom toen jaarlijks ongeveer tussen de 20.000 en 30.000 kWh lag, dat dit zowel het stroomverbruik van de woning als van de kas betrof, dat het verbruik van 30.000 kWh een piekjaar was, dat het verbruik nooit hoger was en dat hij de kas dan op volledige productie had draaien.

De rechtbank acht aannemelijk dat een deel van het kassencomplex gedurende een deel van de ontnemingsperiode door de stiefzoon van veroordeelde werd gebruikt als showroom voor auto's en brommobielen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd echter nog geen begin van aannemelijkheid dat het elektriciteitsverbruik op het perceel daardoor zozeer is toegenomen dat daarmee het geconstateerde, zeer hoge elektriciteitsverbruik kan worden verklaard. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat het kassencomplex werd verwarmd met behulp van gas en niet met behulp van elektriciteit.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van de verdediging om aannemelijk te maken dat gedurende de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 op het perceel sprake is geweest van een zeer hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik. Uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, volgt naar het oordeel van de rechtbank nog geen begin van aannemelijkheid dat sprake was van een zodanig hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik dat daarmee het geconstateerde, zeer hoge elektriciteitsverbruik kan worden verklaard. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking hetgeen de vorige eigenaar van het perceel heeft verklaard, zoals hiervoor weergegeven onder 6.6.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het zeer hoge elektriciteitsverbruik in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 is veroorzaakt doordat veroordeelde gedurende die gehele periode hennep heeft geteeld. Gelet op de verklaringen van veroordeelde is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde de door hem geteelde hennep heeft verkocht en dat hij uit deze verkoop wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De rechtbank zal de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseren op het tweede lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Berekening aantal oogsten op basis van elektriciteitsverbruik

De rechtbank neemt de ontnemingsrapportage als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat. De rechtbank baseert de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel - in navolging van de ontnemingsrapportage - op het hiervoor besproken, onverklaarbaar hoge elektriciteitsverbruik in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het zeer hoge elektriciteitsverbruik in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 is veroorzaakt doordat veroordeelde gedurende die gehele periode hennep heeft geteeld. De rechtbank acht aannemelijk dat de in deze periode verbruikte elektriciteit geheel is aangewend voor het telen van hennep, met uitzondering van de elektriciteit die gedurende deze periode is verbruikt voor het driepersoonshuishouden, de jacuzzi, de koikarpervijver en het houden van paarden en de elektriciteit die in de periode van medio 2005 tot en met medio 2006 is verbruikt voor het telen van tulpen (en/of andere bloemen en/of groenten) in het kassencomplex. Daarom acht de rechtbank de verklaringen van veroordeelde, die inhouden dat hij weliswaar hennep heeft geteeld maar dat dit gedurende een veel kortere periode en met een veel kleinere omvang is geweest dan in de ontnemingsrapportage wordt aangenomen, niet aannemelijk. De rechtbank volgt de verdediging dan ook niet in haar stelling dat de berekening dient te worden gebaseerd op de verklaringen van veroordeelde.

Voor de berekening van de hoogte van het legale elektriciteitsverbruik sluit de rechtbank aan bij de ontnemingsrapportage. Dit betekent dat zij aannemelijk acht dat in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 jaarlijks 10.000 kWh is verbruikt voor het driepersoonshuishouden, de jacuzzi, de koikarpervijver en het houden van paarden. Daarnaast acht de rechtbank aannemelijk dat in de periode van medio 2005 tot en met medio 2006 30.000 kWh is verbruikt voor het telen van tulpen (en/of andere bloemen en/of groenten) in het kassencomplex.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging geen begin van bewijs geleverd voor haar stelling dat het huishoudelijke elektriciteitsverbruik meer heeft bedragen dan de in de ontnemingsrapportage berekende en onderbouwde 10.000 kWh per jaar, laat staan dat het huishoudelijke elektriciteitsverbruik 54.000 kWh per jaar heeft bedragen. Ook anderszins is dit niet aannemelijk geworden. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. In de periode van ongeveer twee jaar na het ontmantelen van de hennepkwekerij is door de netwerkbeheerder een elektriciteitsverbruik van (omgerekend) meer dan 50.000 kWh per jaar gemeten. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, is echter niet gebleken dat dit uitzonderlijk hoge elektriciteitsverbruik kan worden gerelateerd aan legaal huishoudelijk verbruik. In het bijzonder is niet gebleken dat in die periode op het perceel (legale) apparaten, installaties of voorzieningen aanwezig zijn geweest die dit grote stroomverbruik kunnen verklaren en die niet zijn meegenomen in de berekening van het huishoudelijk elektriciteitsverbruik in de ontnemingsrapportage. Daarentegen zijn in het dossier wel aanwijzingen gevonden dat in de periode na de ontmanteling van de hennepkwekerij op 3 juli 2013 opnieuw hennep is geteeld op het dossier. Bij een inval op 14 mei 2014 zijn op het perceel onder meer een naar hennep ruikende kweektent en droognet, vers ogende grond, steenwolblokjes, nieuw ogende bloempotten, een nieuw ogend slakkenhuis en een voor gebruik gereed zijnde koolstoffilter aangetroffen, die daar ten tijde van de inval op 3 juli 2013 nog niet waren. Bovendien hing er een henneplucht in één van de kelderruimtes en lag in de kelder een nieuw aangelegde elektriciteitskabel. [naam 3] , werkzaam als fraude-inspecteur bij netwerkbeheerder Enexis heeft ten aanzien van de meetresultaten betreffende het perceel [adres 1] over de periode van 26 mei 2014 tot en met 20 oktober 2014 verklaard dat er in bepaalde periodes met name 's nachts telkens gedurende 9 tot 12 uur een aanzienlijk stroomverbruik is, dat in een bepaalde periodes gedurende 8 à 9 uur per dag sprake is van een onverklaarbare energie-afname van continu 4 kWh en dat de in- en uitschakeling automatisch moet zijn of met een automatische schakelaar. Ook neemt de rechtbank in aanmerking hetgeen de vorige eigenaar van het perceel heeft verklaard over het elektriciteitsverbruik op het perceel, zoals hiervoor is weergegeven onder 6.6. Gelet op deze verklaring en de in de ontnemingsrapportage vermelde gegevens van het NIBUD betreffende het gemiddelde elektriciteitsverbruik van een driepersoonshuishouden en de op het perceel aangetroffen grote stroomverbruikers, is een legaal huishoudelijk elektriciteitsverbruik van 54.000 kWh zeer onaannemelijk.

Zoals de rechtbank hiervoor onder 6.6. heeft overwogen, acht zij niet aannemelijk dat veroordeelde in de periode na medio 2006 nog bloemen en/of groenten heeft gekweekt in het kassencomplex. Ook acht de rechtbank niet aannemelijk dat het gebruik van een deel van het kassencomplex als showroom voor auto's en brommobielen tijdens een deel van de ontnemingsperiode heeft geleid tot een zodanig hoog elektriciteitsverbruik dat het totale legale elektriciteitsverbruik in die periode hoger was dan 10.000 kWh per jaar. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij de berekening van het jaarverbruik van 10.000 kWh - in het voordeel van veroordeelde - ruime marges in acht zijn genomen en dat het niet aannemelijk is dat het gedeelte van het kassencomplex dat als showroom werd gebruikt, elektrisch werd verwarmd.

Voor de berekening van de hoeveelheid elektriciteit die nodig is voor een geslaagde oogst in de silo, de koelruimte en de kelder sluit de rechtbank aan bij de ontnemingsrapportage. De verdediging heeft deze berekening niet bestreden. De rechtbank neemt het in de ontnemingsrapportage vermelde elektriciteitsverbruik van 11.938 kWh per oogst in de silo en 12.640 kWh per oogst in de koelruimte over. De rechtbank constateert dat in de ontnemingsrapportage bij de berekening van het elektriciteitsverbruik van de kweekruimtes in de kelder is uitgegaan van 49 lampen van elk 600 Watt, terwijl elders in deze rapportage is vermeld dat in die kweekruimtes 42 lampen van 600 Watt en zeven lampen van 700 Watt zijn aangetroffen. De rechtbank zal in het voordeel van veroordeelde uitgaan van de laatstgenoemde aantallen en wattages. Dit betekent dat de rechtbank aanneemt dat het elektriciteitsverbruik per oogst in de kweekruimtes in de kelder (7 lampen x 100 Watt x 110% x 798 uren =) 614,46 kWh hoger is geweest dan is vermeld in de ontnemingsrapportage. Daarom gaat de rechtbank uit van een elektriciteitsverbruik per oogst in de kelder van (30.334,92 kWh + 614,46 kWh =) 30.949 kWh.

Voor de berekening van het aantal oogsten per kweekruimte sluit de rechtbank aan bij de ontnemingsrapportage. De rechtbank zal per periode eerst het geschatte legale elektriciteitsverbruik aftrekken van het door de netwerkbeheerder vastgestelde elektriciteitsverbruik. Van de uitkomst van die som zal de rechtbank het elektriciteitsverbruik aftrekken dat nodig is voor een zo groot mogelijk aantal oogsten in de silo en de koelruimte tot een maximum van vijf oogsten per jaar. Het elektriciteitsverbruik dat daarna resteert, zal de rechtbank toerekenen aan de kweekruimtes in de kelder. Dit echter met uitzondering van de periode 2012/2013. In die periode zal de rechtbank het gehele elektriciteitsverbruik dat resteert na aftrek van het geschatte legale elektriciteitsverbruik toerekenen aan de kweekruimtes in de kelder. Voorts zal de rechtbank het elektriciteitsverbruik van 38.255 kWh dat in de ontnemingsrapportage is vermeld bij de laatste periode in de tabel ‘elektriciteitsverbruik ten behoeve van hennepkweek en huishoudelijk verbruik’ (hierna: de tabel) buiten beschouwing laten, omdat zij ervan uitgaat dat dit verbruik gerelateerd is aan de teelt van de hennepplanten en stekjes die zijn aangetroffen bij de inval op 3 juli 2013, welke teelt niet tot voordeel heeft geleid.

Ten aanzien van de hiervoor vermelde volgorde van de toerekening overweegt de rechtbank het volgende. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde al in augustus 2005 is begonnen met het telen van hennep. Daarnaast acht de rechtbank het op grond van de tabel aannemelijk dat gedurende een groot deel van de ontnemingsperiode tegelijkertijd hennep is geteeld in de silo en de koelruimte én in de kelder. Voor zover veroordeelde heeft verklaard dat hij maximaal twee jaar voor juni of juli 2012 is begonnen met het telen van hennep in de silo en de koelruimte en dat hij pas is begonnen met het telen van hennep in de kelder, nadat in juni of juli 2012 was gestopt met het telen van hennep in de silo en de koelruimte, acht de rechtbank deze verklaring dan ook niet geloofwaardig. Op grond van deze verklaring acht de rechtbank wel aannemelijk dat het zwaartepunt van de hennepteelt in de periode vóór juni of juli 2012 in de silo en de koelruimte lag en dat veroordeelde na juni of juli 2012 in die ruimtes geen hennep meer heeft geteeld.

Dit leidt tot de volgende berekening van het aantal oogsten per kweekruimte.

jaar: verbruik: privé: over tbv silo: koelruimte: rest=kelder:

in kWh in kWh kweek:

3 oogsten = 3 oogsten =

05/06 (114.859 - 40.000 =) 74.859 kWh - (35.814 kWh + 37.920 kWh) = 1.125 kWh

5 oogsten = 5 oogsten =

06/07 (152.503 - 10.000 =) 142.503 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 19.613 kWh

5 oogsten = 5 oogsten =

07/08 (201.437 - 10.000 =) 191.437 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 68.547 kWh

5 oogsten = 5 oogsten =

08/09 (208.988 - 10.000 =) 198.988 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 76.098 kWh

5 oogsten = 5 oogsten =

09/10 (208.603 - 10.000 =) 198.603 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 75.713 kWh

5 oogsten = 5 oogsten =

10/11 (221.573 - 10.000 =) 211.573 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 88.683 kWh

5 oogsten = 5 oogsten =

11/12 (204.647 - 10.000 =) 194.647 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 71.757 kWh

12/13 (162.623 - 10.000 =) 152.623 kWh - 0 + 0 =152.623 kWh

------------- ------------- ----------------

totaal aantal oogsten 33 oogsten 33 oogsten

totaal resterend elektriciteitsverbruik 554.159 kWh

De rechtbank berekent het aantal oogsten in de kelder door het resterende elektriciteitsverbruik van 554.159 kWh te delen door het in overweging 7.5. berekende elektriciteitsverbruik van 30.949 kWh dat nodig is voor één oogst in deze kweekruimtes. Dit resulteert (naar beneden afgerond) in zeventien oogsten.

Berekening opbrengst hennepteelt

Ook voor de berekening van de opbrengst per oogst in hennep en geld sluit de rechtbank aan bij de ontnemingsrapportage. De rechtbank volgt de verdediging niet in haar stelling dat voor wat betreft de opbrengst van de silo en de koelruimte moet worden uitgegaan van de verklaring van veroordeelde dat de opbrengst 14,1 gram per hennepplant was. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Volgens de verdediging is de door veroordeelde gestelde opbrengst van 14,1 gram per hennepplant veroorzaakt doordat veroordeelde wekelijks een strook hennepplanten knipte, waardoor de andere planten in die ruimte extra licht kregen en sprake was van een onregelmatig lichtschema gedurende de volledige cyclus. Dit heeft er volgens de verdediging toe geleid dat de planten gestrest raakten en minder opbrachten. De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat veroordeelde de lichtcyclus van de hennepplanten heeft verstoord door planten te knippen op een moment dat het donker diende te zijn in de desbetreffende kweekruimte. Daartoe overweegt zij dat hiervoor - buiten de verklaring van veroordeelde - geen aanwijzingen zijn. Bovendien bestond er ook geen noodzaak om de hennepplanten in de donkere periode te knippen en kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat veroordeelde, als professionele kweker en ervaren hennepteler, op de hoogte was van het belang van de lichtcyclus voor de hennepplanten, zodat het maken van extra licht voor het knippen van hennepplanten zeer onlogisch zou zijn geweest. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat J.A.F. Jespers, hoofdinspecteur van politie, drugsexpert en eenheidscoördinator hennep bij de Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie, erop heeft gewezen dat vrouwelijke hennepplanten standaard niet worden ontdaan van de bloemtoppen als de planten nog in de grond staan maar in hun geheel worden geknipt en verwijderd, dat voor het knippen geen extra licht behoeft te worden gemaakt als dit wordt gedaan tijdens de 12 uren dat de planten in de bloeifase licht krijgen en dat de vrouwelijke hennepplanten hierdoor geen last ondervinden van het knippen en verwijderen. Zelfs indien ervan uit zou worden gegaan dat veroordeelde hennepplanten heeft geknipt op het moment dat het donker diende te zijn in de desbetreffende kweekruimte, acht de rechtbank niet aannemelijk dat daarvoor zoveel en zolang extra licht is gebruikt dat dit kan hebben geleid tot een substantieel lagere opbrengst van de hennepplanten. Daarom acht de rechtbank aannemelijk dat de hennepplanten in de silo en de koelruimte gemiddeld 28,2 gram per plant hebben opgebracht. Deze opbrengst betreft het gewogen gemiddelde dat is vermeld in het BOOM-rapport.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat de opbrengst van zowel de silo als de koelruimte 16,92 kg hennep per oogst bedroeg en dat veroordeelde zowel voor de hennep uit de silo als voor de hennep uit de koelruimte per oogst € 50.760 ontving, zoals is berekend in de ontnemingsrapportage. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat de opbrengst van de kweekruimtes in de kelder 12 kg hennep per oogst bedroeg en dat veroordeelde daarvoor € 36.000 ontving, zoals is berekend in de ontnemingsrapportage.

Berekening af te trekken kosten

Ten aanzien van de berekening van de af te trekken afschrijvingskosten, kosten voor de inkoop van hennepstekken en overige variabele kosten (kweekmedium, water en voedingsstof) volgt de rechtbank de ontnemingsrapportage. De verdediging heeft deze berekening niet betwist. Daarom zal de rechtbank zowel voor wat betreft de silo als voor wat betreft de koelruimte per oogst een bedrag van € 4.108 aan kosten in mindering brengen op het voordeel. Voor wat betreft de kweekruimtes in de kelder zal de rechtbank per oogst een bedrag van € 4.478,80 aan kosten in mindering brengen op het voordeel.

Ook voor wat betreft de berekening van de kosten van het elektriciteitsverbruik volgt de rechtbank de ontnemingsrapportage. De verdediging heeft deze berekening niet betwist. Daarom zal de rechtbank voor de kosten van het elektriciteitsverbruik in totaal een bedrag van € 158.480,15 in mindering brengen op het voordeel.

De rechtbank volgt de verdediging niet in haar betoog dat per jaar een bedrag van € 24.000 aan kosten voor de huur van het kassencomplex in mindering moet worden gebracht op het voordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat dit geen kosten zijn die rechtstreeks voortvloeien uit het telen van de hennep, aangezien veroordeelde deze kosten ook zou hebben gemaakt indien hij geen hennep zou hebben geteeld. Veroordeelde heeft het kassencomplex oorspronkelijk (mede) gehuurd om daarin legaal bloemen en/of groenten te telen. Daarnaast werd een deel van het kassencomplex gedurende een deel van de ontnemingsperiode door de stiefzoon van veroordeelde gebruikt als showroom voor auto's en brommobielen. Bovendien blijkt uit de verklaringen van veroordeelde dat hij daarvoor van zijn stiefzoon maandelijks een huursom ontving van € 2.000 à € 2.500.

De rechtbank constateert dat in de ontnemingsrapportage een voorzichtige schatting is gemaakt van het bedrag dat [medeverdachte 2] van veroordeelde heeft ontvangen voor de door hem in het kader van de hennepteelt verrichte werkzaamheden. Deze schatting is in het nadeel van veroordeelde. Daarom zal de rechtbank afwijken van de berekening in de ontnemingsrapportage en een ruimhartigere berekening maken van de arbeidskosten van [medeverdachte 2] . In navolging van de ontnemingsrapportage neemt de rechtbank als uitgangspunten dat [medeverdachte 2] werkzaamheden in de hennepkwekerij heeft verricht in de periode vanaf het ongeval van veroordeelde op 21 maart 2012 tot de ontmanteling van de hennepkwekerij op 3 juli 2013 (zijnde een periode van 470 dagen), dat veroordeelde [medeverdachte 2] voor zijn werkzaamheden in het kader van de hennepteelt € 10 per uur betaalde en dat tijdens de observatieperiode van twaalf dagen is vastgesteld dat [medeverdachte 2] op vijf dagen in de kelder onder de woning aan de [adres 1] is geweest en dat hij daar telkens anderhalf tot elf uur is gebleven. Op basis hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 2] op (5/12 x 470 =) 196 dagen werkzaamheden heeft verricht en dat [medeverdachte 2] op die dagen gemiddeld zes uren aan het werk was in de hennepkwekerij. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde in verband met de werkzaamheden van [medeverdachte 2] naar schatting (196 x 6 x € 10 =) € 11.760 aan arbeidskosten heeft betaald. Deze arbeidskosten zal de rechtbank in mindering brengen op het voordeel.

Berekening van het voordeel

10. Dit levert de volgende berekening op:

opbrengst silo (33 x € 50.760 =) € 1.675.080

opbrengst koelruimte (33 x € 50.760 =) € 1.675.080

opbrengst kelder (17 x € 36.000 =) € 612.000

-------------- +

totale opbrengst € 3.962.160

kosten silo (33 x € 4.108 =) € 135.564

kosten koelruimte (33 x € 4.108 =) € 135.564

kosten kelder (17 x € 4.478,80 =) € 76.139,60

kosten elektriciteit € 158.480,15

arbeidskosten € 11.760

-------------- +

totale kosten € 517.507,75

totale opbrengst € 3.962.160

totale kosten € 517.507,75

-------------- -

wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.444.652,25

Verdeling van het voordeel en hoogte betalingsverplichting

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in zijn standpunt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in gelijke delen dient te worden verdeeld tussen veroordeelde en [medeverdachte 1] . Daartoe overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 1] in de hoofdzaak is vrijgesproken van het telen en bewerken van hennep en dat uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken ook niet is gebleken dat [medeverdachte 1] in de ontnemingsperiode een rol heeft gehad bij het telen en verkopen van de hennep. Daarom kan [medeverdachte 1] niet worden aangemerkt als dader van de feiten waaruit het wederrechtelijk voordeel is verkregen. Op grond van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken acht de rechtbank niet aannemelijk dat [medeverdachte 1] samen met veroordeelde de beschikking heeft gehad over de gehele opbrengst van de door veroordeelde gepleegde strafbare feiten. De rechtbank acht aannemelijk dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is gegenereerd door veroordeelde en dat hij degene was die daarover de beschikking had. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepkwekerij, dat zij is veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van hennepplanten, dat zij in het verleden getrouwd is geweest met veroordeelde, dat zij tijdens (een deel van) de ontnemingsperiode met veroordeelde samenwoonde in de woning op het perceel waar de hennepkwekerij zich bevond en dat zij van veroordeelde contante bedragen heeft ontvangen, waarvan zij (ten minste) bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat deze afkomstig waren van de opbrengst van de hennepkwekerij. Uit deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [medeverdachte 1] heeft geprofiteerd van de opbrengsten van de hennepteelt door veroordeelde. Maar daaruit blijkt niet dat dit op zodanig grote schaal heeft plaatsgevonden dat het redelijk is om het wederrechtelijk verkregen voordeel in gelijke delen te verdelen tussen veroordeelde en [medeverdachte 1] . De omstandigheid dat veroordeelde en [medeverdachte 1] geen volledige openheid van zaken hebben gegeven ten aanzien van de onderlinge verdeling van het voordeel is onvoldoende reden om hier anders over te oordelen.

De rechtbank acht aannemelijk dat [medeverdachte 1] de beschikking heeft gehad over de bedragen van in totaal € 236.697,14 die blijkens de ontnemingsrapportage contant zijn gestort op haar bankrekeningen en de bedragen van in totaal € 84.080,08 die blijkens (de bijlagen bij) de ontnemingsrapportage in de periode van januari 2006 tot en met december 2011 contant zijn gestort op haar hypotheekrekeningen. Gelet op de omstandigheden dat veroordeelde heeft verklaard dat de alimentatie die hij contant aan [medeverdachte 1] betaalde, welke volgens [medeverdachte 1] € 1.600 per maand bedroeg, afkomstig was van de opbrengst van de hennepkwekerij en dat [medeverdachte 1] in de ontnemingsperiode geen andere substantiële, verifieerbare contante inkomsten had, acht de rechtbank aannemelijk dat alle geldbedragen die in die periode contant zijn gestort op haar (hypotheek)rekeningen, afkomstig zijn uit de opbrengst van het telen en verkopen van hennep door veroordeelde.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeverdachte 1] (€ 236.697,14 + € 84.080,08 =) € 320.777,22 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bedrag in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde. Daartoe overweegt zij dat de omstandigheid dat veroordeelde ervoor heeft gekozen om een deel van het door hem verkregen voordeel aan [medeverdachte 1] te geven niet van invloed is op de hoogte van het door hemzelf uit de strafbare feiten verkregen voordeel. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 3.444.652,25.

De rechtbank zal het bedrag van € 320.777,22 dat [medeverdachte 1] van veroordeelde heeft gekregen echter wel aftrekken van de aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting. Dit om te voorkomen dat dit bedrag tweemaal dient te worden terugbetaald. Bij beslissing van heden heeft de rechtbank in de ontnemingsprocedure tegen [medeverdachte 1] immers vastgesteld dat zij dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en wordt haar reeds de verplichting opgelegd dit bedrag terug te betalen. Daarom zal de rechtbank de betalingsverplichting van veroordeelde vaststellen op een bedrag van (€ 3.444.652,25 - € 320.777,22 =) € 3.123.875,03.

Draagkracht

Naar aanleiding van het door de verdediging gevoerde draagkrachtverweer overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering komt de draagkracht in beginsel eerst in de executiefase aan de orde. Uitsluitend in die gevallen waarin vooraf al vaststaat dat veroordeelde ook in de toekomst in het geheel niet zal kunnen betalen, kan de rechter gebruik maken van zijn matigingsbevoegdheid.

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van een dergelijk geval. Gelet op de hoogte van het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel en de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, acht de rechtbank het aannemelijk dat zich problemen zullen gaan voordoen ten aanzien van het voldoen aan de betalingsverplichting. De rechtbank is echter van oordeel dat zij op dit moment niet kan vaststellen wat de draagkracht van veroordeelde is. Daarbij neemt zij in aanmerking dat in dit onderzoek conservatoir beslag is gelegd op meerdere waardevolle goederen, terwijl op dit moment onvoldoende kan worden ingeschat op welke wijze dit beslag zal worden uitgewonnen en in hoeverre dit van invloed zal zijn op de (daarna resterende) betalingsverplichting van veroordeelde. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat zij onvoldoende kan uitsluiten dat veroordeelde beschikt over verborgen vermogen. Het betoog van de verdediging dat op grond van de betalingsregelingen in twee eerdere ontnemingsprocedures mag worden aangenomen dat de maximale aflossingscapaciteit van veroordeelde € 50 per maand is, omdat kennelijk is vastgesteld dat er geen verborgen vermogen en geen financiële rek meer is, overtuigt de rechtbank niet. Daarbij neemt zij in aanmerking dat veroordeelde, ondanks het feit dat in het kader van deze betalingsregelingen kennelijk is vastgesteld dat hij een zeer beperkte draagkracht had, nog over de middelen beschikte om een omvangrijke hennepkwekerij in te richten.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er op dit moment geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de matigingsbevoegdheid.

Redelijke termijn

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn ambtshalve het volgende.

Het is vaste rechtspraak dat in ontnemingszaken door tijdsverloop inbreuk kan worden gemaakt op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn. Dit tijdsverloop dient te worden gerekend vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Dat moment zal in de regel niet samenvallen met dat waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak begint. In het algemeen zal als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden het moment waarop de officier van justitie zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken of het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld. Onder omstandigheden zijn ook andere aanvangsmomenten aan te wijzen, bijvoorbeeld in het geval dat de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifieke op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de betrokkene en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In ontnemingszaken komt daar als bijzonderheid bij dat de afdoening van de zaak mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en dat de ontnemingszaak zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, als hiervoor vermeld. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

De rechtbank constateert dat in deze zaak geen strafrechtelijk financieel onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de officier van justitie zijn voornemen om een ontnemingsvordering aanhangig te maken voor het eerst kenbaar heeft gemaakt door het uitbrengen van de ontnemingsvordering d.d. 29 juli 2015. De rechtbank stelt vast dat conservatoir beslag is gelegd op (onder meer) de woning van veroordeelde aan de [adres 3] te [plaats 1] . De rechtbank is niet gebleken dat de positie van veroordeelde hierdoor in belangrijke mate is beïnvloed. Daarbij heeft de rechtbank vooral in aanmerking genomen dat uit het dossier blijkt dat veroordeelde ten tijde van de beslaglegging al niet meer in deze woning woonde en deze niet in eigendom aan hem toebehoorde.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 29 juli 2015. Hieruit volgt dat op het moment dat deze beslissing wordt uitgesproken sprake is van een tijdsverloop van drie jaren en twee dagen sinds de aanvang van de termijn en dat dus niet binnen twee jaren na het indienen van de ontnemingsvordering een eindbeslissing is genomen op deze vordering.

De rechtbank is echter van oordeel dat in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden die deze langere termijn rechtvaardigen. Daartoe overweegt zij dat de afdoening van deze ontnemingszaak mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en dat deze ingewikkeld is. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats gelet op de omvang van het in die strafzaak verrichte onderzoek, dat niet alleen betrekking had op de hennepkwekerij maar ook op (onder meer) faillissementsfraude, verduistering, oplichting en witwassen. Voorts acht de rechtbank daarbij van belang dat dit onderzoek niet alleen was gericht tegen veroordeelde maar ook tegen de (stief)zoon van veroordeelde, [medeverdachte 1] en andere familieleden van [medeverdachte 1] . Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ingewikkeldheid van de strafzaak bevestigd door de duur van het onderzoek en de omvang van het einddossier (meer dan twintig ordners). De rechtbank heeft in de strafzaak vonnis gewezen op 30 november 2016. Nadien heeft een schriftelijke uitwisseling van standpunten plaatsgevonden. Sinds het vonnis in de strafzaak zijn minder dan twee jaren verstreken.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijk termijn.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 3.444.652,25.

Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 3.123.875,03 (zegge: driemiljoen honderddrieëntwintigduizend achthonderdvijfenzeventig euro en drie eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze uitspraak is gegeven door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 juli 2018. Mr. Janssen en mr. Sikkema zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J. van Bruggen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?