ECLI:NL:RBNNE:2023:5648

ECLI:NL:RBNNE:2023:5648, Rechtbank Noord-Nederland, 08-11-2023, C/19/141315 / HA ZA 22-154

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 08-11-2023
Datum publicatie 20-11-2025
Zaaknummer C/19/141315 / HA ZA 22-154
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Tussenuitspraak
Zittingsplaats Assen
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNNE:2024:5432
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002226 BWBR0002761 BWBR0005291

Samenvatting

Erfrecht; informatieverplichting van de erfgenaam jegens legitimaris; afvullegaat; legitieme portie. Eisers hebben gedaagde, die de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, weliswaar in persoon gedagvaard maar uit de tekst van de dagvaarding en de manier waarop de vordering is ingestoken, leidt de rechtbank af dat eisers bedoelen hem als vereffenaar in de nalatenschap van erflater aan te spreken. Het eindvonnis in deze zaak is gepubliceerd onder nummer ECLI ECLI:NL:RBNNE:2024:5432

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Assen

Zaaknummer: C/19/141315 / HA ZA 22-154

Vonnis van 8 november 2023

in de zaak van

1. [eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,2. [eiser sub 2],

te [woonplaats] ,3. [eiser sub 3],

te [woonplaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers] ,

advocaat: mr. B.L. van Riel te Assen,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. D. van de Lockant-Geschiere te Utrecht.

Partijen hebben dezelfde achternamen en zullen daarom om verwarring te voorkomen bij

hun voornaam genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 6 september 2023 en het daarin beschreven procesverloop.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Wijlen mevrouw [moeder] (moeder) en wijlen de heer [vader] (vader) waren getrouwd in gemeenschap van goederen. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren: [eiser sub 1] en [gedaagde] . [eiser sub 1] heeft twee kinderen gekregen: [eiser sub 3] en [eiser sub 2] . [gedaagde] heeft drie kinderen gekregen: [kind 1 van gedaagde] , [kind 2 van gedaagde] en [kind 3 van gedaagde] .

Moeder is op 24 december 2017 overleden. Zij heeft in haar testament van 26 april 2010, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

B. LEGAAT

Ik legateer aan ieder van mijn kleinkinderen een bedrag in contanten ter grootte van het bedrag wat voor kleinkinderen is vrijgesteld van erfbelasting (…) welke legaten niet opeisbaar zijn gedurende het leven van mijn echtgenoot (…) behoudens de hierna onder G1 genoemde gevallen van opeisbaarheid. C. ERFSTELLING

Ik benoem tot mijn erfgenamen mijn echtgenoot en mijn kinderen tezamen voor gelijke delen.(…)

E. WETTELIJKE VERDELING Ik bepaal dat mijn nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld, zodat alle tot mijn nalatenschap behorende goederen door mijn echtgenoot worden verkregen, terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor zijn rekening komt. Ieder van mijn overige erfgenamen verkrijgt een geldvordering ten laste van mijn echtgenoot ter grootte van de waarde van zijn erfdeel.

F. VASTSTELLING GELDVORDERINGEN In verband met de vaststelling van gemelde geldvorderingen van mijn overige erfgenamen moet binnen één jaar na mijn overlijden een boedelbeschrijving worden opgemaakt. De boedelbeschrijving bevat een waardering van de goederen en schulden van mijn nalatenschap. De waardering van de activa van mijn nalatenschap zal moeten geschieden in onderling overleg (…)

G. BIJZONDERE BEPALINGEN (…) Voor deze verdeling geldt, in afwijking van het in de wet bepaalde, het volgende: 1. De geldvorderingen van mijn overige erfgenamen met de eventuele verschuldigde rente ten laste van mijn genoemde echtgenoot zijn opeisbaar: a. bij zijn overlijden; (…) 2. Over de vorderingen is, te rekenen vanaf de dag van mijn overlijden, een rente verschuldigd, welk rente percentage gelijk is aan zes (6%) samengestelde rente dan wel (zo deze hoger is) de samengestelde wettelijke rente ten tijde van mijn overlijden (…).

3. Voorzover, rekening houdend met hetgeen hiervoor onder 2 ten aanzien van de rente is bepaald, van een ideale spreiding van erfbelasting nog geen sprake is, legateer ik aanvullend aan mijn echtgenoot, uit te keren zo spoedig mogelijk na mijn overlijden, een bedrag in contanten zo groot als hij wenst, doch maximaal van zodanige omvang dat dit legaat tezamen met zijn overige (fictieve) erfrechtelijke verkrijgingen uit mijn nalatenschap nooit meer bedraagt dan het maximale bedrag wat vrij van erfbelasting door hem kan worden verkregen. Dit bedrag zal, zo bepaal ik, verrekend worden met de vorderingen van de kinderen in het kader van de verdeling/inbreng en heeft derhalve tot effect dat de vorderingen van de kinderen in het kader van de verdeling/inbreng dienovereenkomstig verminderd worden. Het geldlegaat heeft uit de aard geen invloed op de omvang van de erfdelen als zodanig. (…) H. EXECUTEUR

Ik benoem mijn genoemde echtgenoot tot executeur (…).

J. BEROEP OP LEGITIEME PORTIE

Indien een afstammeling een beroep doet op zijn legitieme portie of op een andere grond de integrale uitvoering van mijn uiterste wilsbeschikking en schriftelijk betwist, sluit ik hem en zijn afstammelingen uit als erfgenamen in mijn nalatenschap

Voor het daardoor vrij vallende gedeelte van mijn nalatenschap benoem ik tot mijn enige erfgenaam mijn echtgenoot voor een zodanig gedeelte dat de vorderingen van een legitimaris door hem kan worden voldaan en voor het resterende gedeelte mijn overige erfgenamen, die in de uitvoering van mijn uiterste wilsbeschikking en berusten, naar evenredigheid van ieders erfdeel.

(…) Ik bepaal dat alleen op de making van mijn genoemde echtgenote kan worden ingekort. Ik bepaal ten behoeve van mijn echtgenoot, dat eventuele ten laste van hem komende vorderingen ter zake van de legitieme portie eerst opeisbaar zijn na zijn overlijden. Indien een kind in verband met de aan zijn of haar kinderen gedane legaten een beroep doet op zijn of haar legitieme portie bepaal ik dat het betreffende kind op de legaten aan zijn of haar kinderen dient in te korten.

(…)

L. VRIJSTELLING INBRENG

Ik stel mijn afstammelingen vrij van de verplichting tot inbreng van giften in mijn nalatenschap, op welk tijdstip deze ook zijn gedaan, tenzij bij een gift schriftelijk anders is bepaald.

In haar testament van 12 december 2014 heeft zij het volgende bepaald, voor zover hier van belang:

Ik herroep de erfstelling gedaan onder C (…) en bepaal in plaats daarvan als volgt: A. Ik benoem tot mijn erfgenamen mijn echtgenoot voor één/honderdste (1/100ste) gedeelte van mijn nalatenschap en mijn kinderen tezamen en voor gelijke delen voor negenennegentig/honderdste (99/100ste) gedeelte van mijn nalatenschap B. EXECUTELE

Indien mijn genoemde echtgenoot mij niet overleeft, benoem ik tot executeur mijn zoon de heer [gedaagde] (…)

Vader heeft op 14 oktober 2019 aangifte erfbelasting gedaan. In de aangifte heeft hij de vraag “Erfdeel erfgenaam” beantwoord met “100000/100000” en de vraag “Verkrijging legaat?” beantwoord met “N”. De vraag "Aangegeven legaat niet aanvaard?" heeft hij beantwoord met een "N" en de vraag "Hele vermogen naar een persoon?" met een "J". Ook heeft hij bij de vraag "Andere erfgenamen vordering erfenisdeel op verkrijger?" ingevuld "N".

Moeder en vader waren eigenaar van hun woning aan [adres] . Op grond van het testament van moeder is haar 1/2e deel in de eigendom van de woning onder toepassing van de wettelijke verdeling verkregen door vader.

Uit een op 27 oktober 2021 opgemaakte notariële akte van schenking volgt dat vader de woning aan [adres] heeft geschonken aan zijn kleinkinderen [kind 1 van gedaagde] , [kind 2 van gedaagde] en [kind 3 van gedaagde] en dat de woning aan hen is geleverd. De WOZ-waarde bedroeg in dat jaar € 375.000,00.

Vader is op 21 december 2021 overleden. Hij heeft in zijn testament van 18 september 2019, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

B. Legaat Ik legateer, niet vrij van erfbelasting en kosten, af te geven binnen zes maanden na mijn overlijden aan: - de kinderen van mijn zoon [eiser sub 1] (…) en de kinderen van mijn zoon [gedaagde] (…) tezamen en voor gelijke delen, een bedrag in contanten gelijk aan één/tweede deel (vijftig procent 50%) van het saldo van de nalatenschap. (…)

C. ONTERVING EN ERFSTELLING

Ik sluit mijn voornoemde zoon [eiser sub 1] (en niet zijn afstammelingen) uit van erfopvolging. Indien de onterfde legitimaris aanspraak maakt op de legitieme dan wordt overeenkomstig artikel 4:87 lid 1 BW voor zijn vordering als legitimaris als eerste op het aan zijn kinderen toekomende gedeelte (de hiervoor vermelde legaten aan zijn kinderen) van de nalatenschap ingekort. Ik benoem tot mijn enige erfgenaam mijn andere zoon [gedaagde] . Slechts in geval van vooroverlijden verklaar ik de regels van plaatsvervulling van toepassing. (…)

F. AFWIKKELINGSBEWINDVOERDER/EXECUTEUR

Ik benoem tot afwikkelingsbewindvoerder en executeur mijn hiervoor genoemde zoon [gedaagde] .

[gedaagde] heeft de nalatenschap van vader op 16 februari 2022 beneficiair aanvaard. Volgens de verklaring van erfrecht van 28 maart 2022 is de taak van [gedaagde] als executeur geëindigd omdat hij niet kon aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen en moet de nalatenschap vereffend worden.

Bij brief van 7 mei 2022 aan zijn broer [gedaagde] heeft [eiser sub 1] een beroep gedaan op de legitieme portie in de nalatenschap van vader en heeft hij verzocht om informatie om die legitieme portie te kunnen vaststellen. Ook heeft hij bij brief van 30 juni 2022 over de nalatenschap van moeder aan [gedaagde] geschreven dat hij erfgenaam is in haar nalatenschap, dat hij een berekening heeft gemaakt van wat hem toekomt en dat hij [gedaagde] verzoekt dit bedrag aan hem over te maken en ook de legaten aan [eiser sub 2] en [eiser sub 3] over te maken.

Bij brief van 8 juli 2022 heeft [gedaagde] aangegeven wat de stand van de boedel is en welke bedragen hij van plan is om over te maken. Bij brief van 10 augustus 2022 heeft [eiser sub 1] opnieuw verzocht om informatie.

Bij brieven van 19 december 2022 aan [eisers] heeft [gedaagde] meegedeeld dat hij aanvullend aanspraak maakt op zijn legitieme portie in de nalatenschap van zowel moeder als vader voor zover mocht blijken dat die aanspraken hoger zijn dan zijn erfrechtelijke aanspraken in beide nalatenschappen.

3. 3. Het geschil

[eisers] vorderen – samengevat – na wijziging van hun eis, dat de rechtbank, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser sub 1] , [eiser sub 3] en [eiser sub 2] alle inlichtingen te verschaffen over de nalatenschappen van moeder en vader en inzage in en afschrift van alle bescheiden met betrekking tot de nalatenschappen verstrekken, waaronder in elk geval:

• boedelbeschrijvingen met onderbouwingen en stukken

• aanslagen erfbelasting vader en moeder

• bankafschriften of print internetpagina’s van de bankrekeningen op data overlijden

• rekeningafschriften en jaaropgaven van alle bank-, beleggings- en overige rekeningen voor de jaren van overlijden en voor beide gevallen de vier jaren ervoor

• de aanslagen en aangiften IB voor de jaren van overlijden en voor beide gevallen de vier jaren ervoor

• informatie over giften

• informatie over levensverzekeringen en polissen

• opgave van alle inkomsten en uitgaven van overlijdensdatum tot en met heden, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft in de nakoming van een hem bij vonnis opgelegde verplichting,

2. een verklaring voor recht afgeeft over wat de omvang van de nalatenschappen van zowel moeder als vader is,

3. een verklaring voor recht afgeeft over de aanspraken van [eisers] in de nalatenschappen van moeder en vader,

4. een verklaring voor recht afgeeft dat de aangiften erfbelasting betreffende moeder en vader niet juist zijn,

5. [gedaagde] in zijn hoedanigheid van vereffenaar te veroordelen tot betaling van de vastgestelde aanspraken, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zes maanden na het overlijden van moeder respectievelijk vader tot de dag der algehele voldoening,

6. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

[eisers] leggen hieraan, samengevat, ten grondslag dat [eiser sub 1] in de nalatenschap van moeder recht heeft op zijn erfdeel en in de nalatenschap van vader op de legitieme portie terwijl [eiser sub 3] en [eiser sub 2] in beide nalatenschappen recht hebben op uitkering van het aan hen toegekende legaat. Zij stellen in dat verband in beide nalatenschappen belang te hebben bij de ontvangst van de door hen gevorderde stukken. In de nalatenschap van moeder om het erfdeel van [eiser sub 1] vast te stellen en eventuele giften te achterhalen en in de nalatenschap van vader vanwege gedane giften in het kader van de legitieme portie. [eiser sub 1] stelt dat hij na het overlijden van moeder nooit enig inzicht heeft gekregen in de nalatenschap maar overal buiten is gehouden, zodat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen aanvullend beroep heeft gedaan op de legitieme portie. Hij meent verder dat hij ook geen recht of bevoegdheid had om inzage te krijgen in de nalatenschap van moeder. [eiser sub 1] , [eiser sub 3] en [eiser sub 2] stellen verder dat uit de wel verstrekte bankafschriften blijkt dat er vraagtekens zijn te plaatsen bij het gebruik door [gedaagde] van de bankpas van vader.

[eisers] betwisten in de nalatenschap van moeder dat vader gebruik heeft gemaakt van het aanvullende legaat. Volgens hen heeft vader een onjuiste aangifte erfbelasting gedaan en kan daaraan geen gewicht kan worden toegekend. Ook kan er niet uit worden geconcludeerd dat hij het aanvullende legaat heeft gebruikt. Verder blijkt uit niets dat de vrijstellingen van [eiser sub 1] en [gedaagde] door vader daadwerkelijk zijn benut en is er geen formele melding gedaan dat het aanvullende legaat is gebruikt. Ook heeft het legaat volgens het testament geen invloed op de omvang van de erfdelen. In dat verband stellen zij dat de aangifte erfbelasting in de nalatenschap van vader niet klopt.

Ten aanzien van beide nalatenschappen stellen [eisers] dat ten onrechte de WOZ-waarde tot uitgangspunt wordt genomen; volgens hen moet van de marktwaarde worden uitgegaan. Volgens hen moet die schenking worden teruggedraaid omdat het een onverplichte handeling is geweest met het doel om [eisers] te benadelen. [eisers] hebben een eigen voorlopige berekening gemaakt. Volgens deze berekening heeft [eiser sub 1] aanspraak op € 105.168,10 uit de nalatenschap van moeder en op een legitieme portie in de nalatenschap van vader ter grootte van € 56.831,70. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] zouden volgens deze berekening ieder aanspraak hebben op een legaat van € 20.209,00. Zij stellen dat voor de legitieme van [gedaagde] op de legaten aan kinderen van [gedaagde] zal moeten worden ingekort.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert aan, samengevat, dat de erfrechtelijke aanspraak van [eiser sub 1] in de nalatenschap van moeder nihil is omdat vader maximaal gebruik heeft gemaakt van het in moeders testament opgenomen aanvullende legaat. Omdat [eiser sub 1] , anders dan [gedaagde] , geen aanvullend beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie in de nalatenschap van moeder, heeft hij ook geen recht op de legitieme portie. [eiser sub 3] en [eiser sub 2] hebben, net als de andere kleinkinderen, op grond van het legaat ieder recht op € 20.209,00 en dit bedrag heeft [gedaagde] daarom als schuld in de nalatenschap van vader meegenomen. In de nalatenschap van vader voert [gedaagde] aan dat de legitieme portie van zowel [eiser sub 1] als [gedaagde] € 69.448,92 bedraagt. Bij de berekening van die legitieme portie heeft [gedaagde] rekening gehouden met de giften die vader aan [kind 1 van gedaagde] , [kind 2 van gedaagde] en [kind 3 van gedaagde] heeft gedaan in de vorm van schenking van de woning, met zijn eigen aanspraak op de legitieme portie in de nalatenschap van moeder van € 30.433,33 en met de legaten die de kleinkinderen toekomen. Met betrekking tot de legaten die vader aan [eiser sub 2] en [eiser sub 3] heeft toegekend, voert [gedaagde] aan dat vader daarbij heeft bepaald dat als [eiser sub 1] een beroep doet op zijn legitieme portie als eerste op die legaten moet worden ingekort. [gedaagde] meent dat de aanspraken van [eiser sub 2] en [eiser sub 3] van € 7.741,60 niet tot uitbetaling komen. [gedaagde] komt tot de conclusie dat van het saldo in de nalatenschap van vader van € 38.709,00 eerst de legitieme portie van [gedaagde] in de nalatenschap van moeder betaald moet worden. Het bedrag dat resteert, € 8.274,67, moet tussen [eiser sub 1] en [gedaagde] als legitimarissen in de nalatenschap van vader worden gedeeld, ieder € 4.137,34. [gedaagde] voert aan dat hij bereid is dit bedrag aan [eiser sub 1] te betalen waarna de legaten niet meer uit het saldo van de nalatenschap kunnen worden betaald. Daarna moet volgens [gedaagde] inkorting plaatsvinden om ieders resterende aanspraken te kunnen voldoen. Volgens hem kan van inkorting op de legaten geen sprake zijn omdat ze niet tot uitbetaling komen zodat op de begiftigden moet worden ingekort. [gedaagde] heeft zijn drie dochters aangeschreven en een beroep gedaan op inkorting, maar dat geldt niet voor [eisers] , aldus [gedaagde] zodat hen geen beroep toekomt op inkorting.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De rechtbank zal eerst de vorderingen met betrekking tot de nalatenschap van moeder behandelen en daarna die met betrekking tot de nalatenschap van vader.

Hoedanigheid van [gedaagde] in deze procedure

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] in hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van vader in deze procedure is verschenen. [eisers] hebben hem weliswaar in persoon gedagvaard maar uit de tekst van de dagvaarding en de manier waarop de vordering is ingestoken, leidt de rechtbank af dat zij bedoelen hem als vereffenaar in de nalatenschap van vader aan te spreken. Dat ligt ook voor de hand omdat [gedaagde] de nalatenschap van vader beneficiair heeft aanvaard, zodat hij niet in persoon aansprakelijk is voor eventuele schulden uit die nalatenschap.

Nalatenschap moeder

Afgifte stukken

[eisers] vorderen dat [gedaagde] hen de in het petitum genoemde inlichtingen verschaft inzake de nalatenschap van moeder. Zij hebben eerder, in incident, dezelfde stukken gevorderd. [eiser sub 1] , [eiser sub 3] en [eiser sub 2] hebben bij conclusie van antwoord in incident een groot deel van de gevorderde stukken van [gedaagde] ontvangen, zodat zij bij dat deel van hun vordering geen belang meer hebben. Naar de rechtbank begrijpt, gaat het hen nu nog enkel om de bankafschriften over de vier jaren voorafgaand aan het overlijden van moeder en de jaaropgaven van de bank. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Artikel 843a van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) kan een zelfstandige grondslag bieden voor een vordering tot afgifte van (kopie-)stukken. Voor toewijzing van een 843a-vordering is het, voor zover hier van belang, noodzakelijk dat de eisende partij een rechtmatig belang heeft bij de gevorderde bescheiden en dat de wederpartij deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. [eiser sub 1] , [eiser sub 3] en [eiser sub 2] hebben niet gesteld dat [gedaagde] de jaaropgaven en de bankafschriften van moeder over de vier jaren voorafgaand aan haar overlijden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, en [gedaagde] heeft aangegeven dat hij niet over deze stukken beschikt, zodat de vordering alleen al om die reden moet worden afgewezen. Ook als [gedaagde] de bankafschriften wel heeft of kan verkrijgen, moet de vordering worden afgewezen, bij gebrek aan rechtmatig belang. Niet gesteld of gebleken is welk rechtmatig belang [eiser sub 2] en [eiser sub 3] hebben bij hun vordering. [eiser sub 1] stelt, zonder verdere onderbouwing, dat hij ‘met het oog op giften’ belang heeft bij inzicht in het vermogen van moeder in de jaren voor haar overlijden. [eiser sub 1] heeft echter geen aanspraak gemaakt op de legitieme portie, zodat vaststelling van de legitimaire massa (waarbij giften kunnen meetellen) voor hem niet aan de orde is. [eiser sub 1] heeft niet gesteld waarom giften voor hem van belang kunnen zijn en hij heeft ook geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die een aanwijzing vormen dat er relevante giften zijn verricht die uit de gevraagde bankafschriften of jaaropgaven zouden kunnen blijken. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien welk rechtmatig belang [eiser sub 1] , [eiser sub 3] en [eiser sub 2] hebben bij de door hen gevorderde inlichtingen en bescheiden.

Een andere grond voor toewijzing van de vordering is ook niet aanwezig. De rechtbank heeft in het vonnis in incident van 23 november 2022 al geoordeeld dat er geen grondslag is om van [gedaagde] te vorderen dat hij inlichtingen verschaft over de nalatenschap van moeder aangezien [gedaagde] in die nalatenschap geen executeur is. De rechtbank heeft in dat vonnis tevens geoordeeld dat [eiser sub 1] de benodigde stukken, als erfgenaam van moeder, zelf rechtstreeks bij de betreffende instanties kan opvragen. In wat [eisers] hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om terug te komen op het in het tussenvonnis van 23 november 2022 gegeven oordeel. Dat [eiser sub 1] geen bankafschriften kon inzien toen vader executeur was in de nalatenschap van moeder, neemt niet weg dat hij zich na het overlijden van vader als erfgenaam van moeder wél tot de bank kan wenden. De rechtbank verwijst naar overweging 2.11 van het tussenvonnis.

De rechtbank zal de vordering tot het geven van inlichtingen en afgifte van stukken in de nalatenschap van moeder dan ook afwijzen.

De omvang van de nalatenschap van moeder

Zoals hierna onder 4.10 tot en met 4.14 zal blijken, is het voor de aanspraken van [eiser sub 1] , [eiser sub 3] en [eiser sub 2] in de nalatenschap van moeder niet van belang om de precieze omvang van de nalatenschap van moeder vast te stellen omdat die in elk geval ruimschoots toereikend was voor hun aanspraken. [gedaagde] heeft echter een aanvullend beroep gedaan op zijn legitieme portie in de nalatenschap van moeder, hetgeen vervolgens invloed heeft op de omvang van de nalatenschap van vader en dus ook op de legitieme portie van [eiser sub 1] in die nalatenschap. Om de legitieme portie van [gedaagde] te bepalen, is van belang de legitimaire massa vast te stellen, te weten de activa van de nalatenschap op de peildatum vermeerderd met de daarvoor in aanmerking komende giften en verminderd met schulden.

Niet in geschil is dat de nalatenschap van moeder, behoudens haar aandeel in de echtelijke woning, € 11.100,- bedroeg. [eiser sub 1] , [eiser sub 3] en [eiser sub 2] stellen de waarde van de woning per datum overlijden van moeder op € 497.000,- en betwisten dat van de WOZ-waarde moet worden uitgegaan, terwijl [gedaagde] die hogere waarde betwist en meent dat juist wel moet worden uitgegaan van de toenmalige WOZ-waarde van € 343.000,-. De rechtbank is van oordeel dat van de waarde in het economisch verkeer moet worden uitgegaan en het is een feit van algemene bekendheid dat de WOZ-waarde niet noodzakelijk representatief is voor de werkelijke waarde van een pand.

De rechtbank is van oordeel dat het in deze zaak nodig is om een deskundige de waarde van de woning in het economisch verkeer op de peildatum, overlijden moeder, te laten bepalen. De rechtbank draagt [eisers] op om, voorafgaand aan de nog te bepalen mondelinge behandeling, een taxatierapport in te brengen dat is opgemaakt door een taxateur die is geregistreerd in het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs (NRVT). Zij draagt ook [gedaagde] op om met een taxatierapport te komen, eveneens door een registertaxateur opgemaakt. Mochten de beide rapporten verschillen, dan zal de rechtbank in beginsel uitgaan van het gemiddelde van de vastgestelde waardes. De rechtbank geeft partijen overigens in overweging om, ter besparing van onnodige kosten, gezamenlijk een NRVT-taxateur in te schakelen.

Het aanvullende legaat

Moeder heeft in haar testament een aanvullend legaat toegekend aan vader dat partijen “afvullegaat” noemen. Als, zoals in deze zaak, de wettelijke verdeling van toepassing is verklaard, krijgen de kinderen een niet-opeisbare geldvordering (een “vordering op papier”) waarover wel alvast erfbelasting verschuldigd is als de hoogte van de geldvordering hun belastingvrijstelling te boven gaat. Met een aanvullend legaat, zoals in het testament van moeder is opgenomen, wordt beoogd om een besparing van de erfbelasting te bereiken. Bij een opvullegaat wordt de verkrijging van de langstlevende vergroot (opgevuld) en dat van de kinderen dus verkleind zodat van de hogere partnervrijstelling gebruik kan worden gemaakt en de kinderen geen erfbelasting hoeven te betalen. Een afvullegaat heeft hetzelfde doel maar bepaalt daarnaast dat als er na het opvullen van de fiscale vrijstellingen nog geld resteert (en dus over dat restant wel belasting moet worden betaald), gezocht wordt naar een optimale successierechtelijke spreiding tussen de langstlevende en de kinderen. De rechtbank stelt vast dat aan dat laatste niet wordt toegekomen omdat gesteld noch gebleken is dat de omvang van de nalatenschap van moeder groter is dan de maximale partnervrijstelling.

Een legaat wordt verkregen zonder dat een aanvaarding nodig is (artikel 4:201 BW). Alleen voor een verwerping van een legaat vereist de wet dat dit op ondubbelzinnige wijze gebeurt. De veronderstelling van [eiser sub 1] dat er een formele melding moet worden gedaan dat van het legaat gebruik wordt gemaakt, is dus onjuist. Verder is gesteld noch gebleken dat vader het aanvullend legaat op ondubbelzinnige wijze heeft verworpen. Een legaat is een vorderingsrecht van de legataris ten laste van de gezamenlijke erfgenamen. Verwerping van het legaat zal daarom op ondubbelzinnige wijze kenbaar moeten worden gemaakt aan de erfgenamen. Een aangifte erfbelasting is geen verklaring of gedraging jegens de erfgenamen, maar slechts een verklaring aan de belastingdienst. Uit de antwoorden op het formulier volgt dat vader meende dat hij enig erfgenaam was. Juist gezien het aanvullend legaat waartoe vader gerechtigd was, is deze (onjuiste) veronderstelling van vader op zich wel te begrijpen. Uit zijn antwoorden kan niet worden afgeleid dat hij het legaat heeft verworpen. Bovendien heeft vader in de aangifte erfbelasting vermeld dat geen sprake is van de situatie dat het legaat niet is aanvaard. Nu uit de inhoud van de aangifte erfbelasting niet volgt dat vader het legaat op ondubbelzinnige wijze heeft verworpen en de belastingaangifte bovendien niet is te beschouwen als een verklaring of gedraging jegens de erfgenamen, moet het ervoor worden gehouden dat vader het legaat heeft aanvaard.

Vervolgens is in geschil of vader van het legaat gebruik heeft gemaakt en op welke wijze. Volgens [gedaagde] blijkt uit de aangifte dat vader maximaal gebruik heeft gemaakt van het legaat zodat de hele nalatenschap feitelijk aan hem is toebedeeld. Daarmee miskent [gedaagde] echter dat aan het legaat een voorwaarde is verbonden, namelijk de voorwaarde dat van een ideale spreiding van de erfbelasting nog geen sprake is. [gedaagde] en [eiser sub 1] zijn voor 99/100e deel tot erfgenaam benoemd. Uit de zinsnede van het aanvullend legaat “Voorzover (…) van een ideale spreiding van erfbelasting nog geen sprake is”, leidt de rechtbank af dat het de bedoeling van moeder was dat geen erfbelasting hoefde te worden betaald over een niet-opeisbare vordering maar niet dat het de bedoeling was dat de vorderingen van [gedaagde] en [eiser sub 1] op nihil zouden komen te staan. Dat impliceert dat aan [gedaagde] en [eiser sub 1] wel het belastingvrije bedrag van € 20.209,00 toekomt. Dat vader de aangifte deels onjuist heeft ingevuld, is voor de omvang van het legaat niet van belang. Vader kon geen gebruik maken van een legaat voor zover hem dat niet is toegekend.

De rechtbank is dus van oordeel dat [eiser sub 1] in de nalatenschap van moeder een vordering heeft verkregen ter hoogte van de voor hem geldende fiscale vrijstelling. In het legaat is bepaald dat bij de ideale spreiding van erfbelasting ook rekening moet worden gehouden met wat in het testament is bepaald over de rente. De rente over de niet-opeisbare onderbedelingsvordering van de kinderen is in het testament bepaald op 6% samengestelde rente, behoudens andersluidende afspraken tussen de erfgenamen onderling. Gesteld noch gebleken is dat de erfgenamen onderling een andere rente hebben afgesproken, zodat de rechtbank uitgaat van 6% samengestelde rente. Dat betekent dat er geen sprake is van fictief vruchtgebruik in de zin van artikel 18 Successiewet en dat de onderbedelingsvordering van [eiser sub 1] dus nominaal moet worden gewaardeerd (artikel 9 Successiewet). De vrijstelling voor kinderen en kleinkinderen bedroeg in 2017 (het jaar van overlijden van moeder) € 20.209,00. Op grond van het legaat dat moeder aan haar echtgenoot heeft toegekend, bedraagt het erfdeel van [eiser sub 1] dus € 20.209,-.

Aangezien [gedaagde] inmiddels een aanvullend beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie, komt zijn erfdeel op grond van artikel J. van het testament te vervallen en zou in beginsel eerst zijn legitieme portie moeten worden vastgesteld, alvorens te kunnen beoordelen in hoeverre de legaten van de kleinkinderen kunnen worden voldaan en welk bedrag voor [eiser sub 1] resteert. Partijen zijn het er echter over eens dat de omvang van de nalatenschap van moeder minstens € 188.650,- bedraagt, zodat ook zonder taxatie van de woning al vast staat dat de nalatenschap toereikend is voor de legaten van de kleinkinderen en het erfdeel van € 20.209,- van [eiser sub 1] . Het erfdeel van [eiser sub 1] is (civielrechtelijk gezien) rentedragend met 6% samengestelde rente.

Dat betekent dat de schulden van vader aan [eiser sub 1] en aan de kleinkinderen bedroegen:

 € 20.209,- € 20.209,- per kleinkind en

 € 20.209,- € 25.505,48 voor [eiser sub 1] (€ 20.209,- erfdeel nalatenschap moeder plus € 5.296,48 gekweekte rente tot aan datum overlijden vader)

De rechtbank zal de vorderingen uit de nalatenschap van moeder van [eiser sub 1] , [eiser sub 3] en [eiser sub 2] op deze bedragen vaststellen in de nalatenschap van vader.

De (on)juistheid van de aangifte erfbelasting

[eiser sub 1] , [eiser sub 3] en [eiser sub 2] vorderen dat de rechtbank voor recht verklaart dat de aangifte erfbelasting betreffende moeder onjuist is. [gedaagde] betwist dat fouten zijn gemaakt in de aangifte en voert aan dat de aangifte, ook als deze onjuist zou zijn, gezien het verstrijken van de termijn voor ambtshalve correctie, niet meer kan worden aangepast. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de aangifte inzake de nalatenschap van moeder op enkele onderdelen onjuist is ingevuld. Zo heeft vader ten onrechte de vraag “Erfdeel erfgenaam” beantwoord met “100000/100000” terwijl zijn erfdeel 1/100e bedroeg. De vraag “Verkrijging legaat?” heeft vader beantwoord met “N” terwijl aan hem een opvullegaat toekwam. Ook heeft hij bij de vraag "Andere erfgenamen vordering erfenisdeel op verkrijger?" ten ingevuld "N" terwijl [eiser sub 1] een vordering had verkregen terzake van zijn erfdeel. Toch zal de rechtbank dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Ter toelichting daarop dient het volgende.

Artikel 3:302 BW bepaalt dat op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon de rechter omtrent die rechtsverhouding een verklaring voor recht uitspreekt. Met een verklaring voor recht komt de rechtsverhouding tussen eiser(s) en gedaagde onbetwistbaar vast te staan. De regel dat de verklaring voor recht duidelijkheid moet creëren over het bestaan of de inhoud van een rechtsverhouding, brengt mee dat de verklaring voor recht tot rechtsgevolg moet kunnen leiden. De juistheid of onjuistheid van de aangifte erfbelasting leidt op zichzelf echter niet tot enig rechtsgevolg voor [eiser sub 1] , [eiser sub 3] en [eiser sub 2] in hun rechtsverhouding met [gedaagde] . De civiele rechter maakt een eigen afweging ten aanzien van de door partijen gestelde feiten en de bewijskracht van de aangifte. De vordering tot het afgeven van een verklaring voor recht inzake de aangifte erfbelasting zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nalatenschap vader

afgifte stukken

[eisers] vorderen dat [gedaagde] hen de in het petitum genoemde inlichtingen verschaft in de nalatenschap van vader. Zij vorderen hetzelfde als zij in incident hebben gevorderd, maar daarover heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.13-2.14 van het vonnis in incident van 23 november 2022 al een oordeel gegeven en de rechtbank verwijst dan ook naar die overwegingen.

Uit de conclusie van repliek blijkt dat het [eiser sub 1] in de hoofdzaak alleen nog gaat om bankafschriften van vier jaar voor het overlijden van moeder als vader en om de jaaropgaven van die bankrekeningen. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.15 van het vonnis in incident overwogen dat de vraag of recht bestaat op bankrekeningafschriften van vier jaar voor het overlijden van vader, in de hoofdzaak aan de orde kan komen, zodat de rechtbank daar nu op zal ingaan.

[eiser sub 3] en [eiser sub 2] hebben niet gesteld welk belang zij hebben bij de gevorderde inlichtingen en inzage of afschrift van bescheiden met betrekking tot de nalatenschap van vader (hun opa) en ook overigens hebben zij geen feiten of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot toewijzing van hun vordering, zodat deze wordt afgewezen.

Ten aanzien van [eiser sub 1] overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 4:78 BW heeft [eiser sub 1] als legitimaris die geen erfgenaam is, aanspraak op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft. Aangenomen moet worden dat deze aanspraak niet alleen geldt tegenover de erfgenamen en de executeur, maar ook tegenover de vereffenaar (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8877). Uit de bewoordingen ‘alle daartoe strekkende inlichtingen’ in artikel 4:78 lid 1 BW kan afgeleid worden dat dit begrip weliswaar zo ruim als mogelijk moet worden uitgelegd, maar dat het wel beperkt is tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie.

Het recht op inzage en afschrift gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver dat er zonder meer een recht bestaat van [eiser sub 1] op inzage in het vermogensverloop van een periode voor het overlijden van vader. Hij mocht zijn leven immers invullen zoals hij dat wenste zodat [eiser sub 1] niet achteraf kan eisen dat [gedaagde] rekening en verantwoording geeft over de leefwijze van vader en het mogelijk daarmee gepaard gaande uitgavenpatroon. Het enkele willen controleren of de omvang van de legitieme portie juist is berekend, is onvoldoende. Dit kan anders zijn wanneer er een concrete aanleiding is om de juistheid van de door [gedaagde] verstrekte informatie te wantrouwen (Zie gerechtshof Den Bosch 12 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3344).

Die concrete aanleiding is er in dit geval niet. [eiser sub 1] heeft weliswaar kanttekeningen geplaatst bij de wél verstrekte bankafschriften maar hij verbindt daar geen conclusies aan voor zijn legitieme portie. Ook stelt hij niet dat er aanleiding is om de juistheid van de door [gedaagde] verstrekte informatie te wantrouwen. De vordering tot het verstrekken van inlichtingen en bescheiden ten aanzien van de nalatenschap van vader zal daarom worden afgewezen.

De rechtbank merkt daarbij op dat zij uit de kanttekeningen die [eiser sub 1] plaatst bij de verstrekte bankafschriften begrijpt dat [eiser sub 1] bedoelt te stellen dat de boodschappen in Rolde, de tankkosten en de overboekingen van en naar [gedaagde] en diens dochters moeten worden beschouwd als giften die zouden moeten worden bijgeteld bij de legitimaire massa. [gedaagde] zegt weliswaar dat hem niets bekend is van een auto die nog opgenomen moet worden, maar betwist niet dat zijn dochters rondrijden in de auto van vader en ook niet dat na de wijziging tenaamstelling van de auto (19 september 2020) nog tankkosten werden betaald met de pinpas van vader en dat uitgaven voor boodschappen werden gedaan in [plaats] , de woonplaats van [gedaagde] in plaats van in [plaats] waar vader woonde. De rechtbank acht het zinvol dat deze banktransacties worden besproken tijdens een mondelinge behandeling.

Omvang nalatenschap

[eiser sub 1] stelt dat [gedaagde] bij de omvang van de nalatenschap van vader ten onrechte de WOZ-waarde van de woning heeft aangehouden. Daarbij lijkt hij ervan uit te gaan dat de woning tot de nalatenschap behoort. Dat is onjuist omdat vader de woning bij leven heeft geschonken aan de drie dochters van [gedaagde] waardoor deze ten tijde van zijn overlijden niet tot zijn nalatenschap behoort. De vraag of deze schenking vernietigbaar is, is onderwerp van geschil in een andere procedure van [eisers] tegen de dochters van [gedaagde] . In deze zaak speelt dat geen rol. Voor [eiser sub 1] doet dit er ook niet toe omdat hij is onterfd en een beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie. Dan geldt dat de waarde van de woning in het kader van de in aanmerking te nemen giften wordt meegenomen bij het bepalen van de legitimaire massa.

[eisers] hebben niet betwist dat de omvang van de nalatenschap van vader bestaat uit contant geld, inboedel, drie bankrekeningen en een effectenrekening, die samen een waarde van € 38.708,00 vertegenwoordigen. Daar moet van afgetrokken worden de schulden van vader, waaronder de schulden aan [gedaagde] (legitieme portie nalatenschap moeder), aan de kleinkinderen voor zover daarop niet wordt ingekort (legaat van moeder/ oma van elk € 20.209,-) en aan [eiser sub 1] (erfdeel nalatenschap moeder met rente ad € 25.505,48). Verder stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat de uitvaartkosten € 4.434,00 bedragen. De rechtbank constateert daarom dat de nalatenschap van vader negatief is.

Aanspraak nalatenschap

De legitimaire aanspraak van [eiser sub 1] bestaat uit zijn legitieme portie verminderd met giften aan [eiser sub 1] en verkrijgingen krachtens erfrecht. De legitieme portie wordt berekend door de legitimaire massa met (in dit geval) het breukdeel 1/4e te vermenigvuldigen. De legitimaire massa wordt berekend door de activa van de nalatenschap op de datum van overlijden te nemen, vermeerderd met giften en verminderd met de nalatenschapsschulden. Niet in geschil is dat vader een gift heeft gedaan aan zijn drie kleindochters in de vorm van de woning. Deze schenking moet bij de berekening van de legitimaire massa worden meegenomen. [eiser sub 1] heeft gelijk dat [gedaagde] daarbij ten onrechte is uitgegaan van de WOZ-waarde van de woning. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.8 al heeft overwogen, moet van de waarde in het economisch verkeer worden uitgegaan. De rechtbank zal partijen ook hier opdragen om een taxatie door een registertaxateur in te brengen van de economische waarde van de woning op de datum van overlijden van vader.

Voor het bepalen van de schulden van de nalatenschap van vader is van belang dat, naar het voorlopig oordeel van de rechtbank, de legitieme portie van [gedaagde] in de nalatenschap van moeder moet worden ingekort op de legaten van zijn drie dochters. Het testament van moeder bevat immers de volgende bepaling:

Indien een kind in verband met de aan zijn of haar kinderen gedane legaten een beroep doet op zijn of haar legitieme portie bepaal ik dat het betreffende kind op de legaten aan zijn of haar kinderen dient in te korten.

Inkorting van de legitieme portie van [gedaagde] op de legaten van zijn dochters in de nalatenschap van moeder is echter nog geen onderdeel geweest van het debat tussen partijen, zodat de rechtbank het zinvol acht om partijen tijdens een mondelinge behandeling in de gelegenheid te stellen om daarop hun visie te geven.

Tijdens deze mondelinge behandeling zullen, zoals vermeld onder 4.23, tevens de eventuele giften die [eiser sub 1] meent te hebben ontwaard uit de door [gedaagde] overgelegde bankafschriften worden besproken aangezien deze van belang kunnen zijn voor de legitimaire massa.

De rechtbank houdt de beslissing over de aanspraak van [eiser sub 1] in de nalatenschap van vader, in afwachting van de informatie over de giften en over de schulden, aan.

Vader heeft [eiser sub 2] en [eiser sub 3] , net als zijn drie andere kleinkinderen, een bedrag gelegateerd in contanten dat gelijk is aan de helft van het saldo van de nalatenschap. Vader heeft echter ook bepaald dat als [eiser sub 1] een beroep doet op zijn legitieme, als eerste op het aan zijn kinderen toekomende gedeelte moet worden ingekort. Verder staat, zoals de rechtbank hierboven onder 4.25 heeft overwogen, vast dat de nalatenschap van vader negatief is. Dat komt er op neer dat [eiser sub 2] en [eiser sub 3] per saldo geen aanspraken zullen kunnen doen gelden in de nalatenschap van vader.

De (on)juistheid van de aangifte erfbelasting

Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht inzake de aangifte erfbelasting in de nalatenschap van vader verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven onder 4.16 heeft overwogen. Deze vordering zal worden afgewezen.

Mondelinge behandeling

De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. De rechtbank geeft [gedaagde] in overweging om zijn dochters [kind 1 van gedaagde] , [kind 2 van gedaagde] en [kind 3 van gedaagde] mee te brengen naar de zitting zodat zij, met het oog op de aan hen geschonken woning, desgewenst betrokken kunnen worden bij een tussen partijen te treffen minnelijke regeling.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van die partij – kan maken die zij geraden zal achten.

Op de mondelinge behandeling wordt aan de advocaten van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.

Tijdens of na de mondelinge behandeling kan de rechtbank direct mondeling uitspraak doen.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. S. van Gessel, in het gerechtsgebouw te Assen, Brinkstraat 4, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

bepaalt dat zowel [eiser sub 1] , [eiser sub 3] en [eiser sub 2] als [gedaagde] voorafgaand aan deze zitting een taxatierapport moeten inbrengen dat is opgemaakt door een NRVT-registertaxateur waarin de economische waardes van de woning aan [adres] zijn bepaald zoals die golden op 24 december 2017 en op 21 december 2021,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 29 november 2023 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met maart 2024, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2023.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl ERF-Updates.nl 2025-0597 VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0597
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?