RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: C/19/141315 / HA ZA 22-154
Vonnis van 26 juni 2024
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
te [woonplaats] ,2. [eiser sub 2],
te [woonplaats] ,3. [eiser sub 3],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. J.W. Elzinga-Snoek te Groningen,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
geen advocaat.
Partijen hebben dezelfde achternamen en zullen daarom om verwarring te voorkomen bij
hun voornaam genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 november 2023, - het bericht van 21 maart 2023 dat mr. Van de Lockant-Geschiere zich heeft onttrokken als advocaat van [gedaagde] , - het rolbericht van 11 april 2023 waarin [eisers] verzoeken de zitting door te laten gaan, - de brief van 12 april 2024 waarin mr. Gijsbers zich voor [gedaagde] als advocaat heeft gesteld en waarin hij verzoekt de mondelinge behandeling uit te stellen, - het rolbericht van 15 april 2024 van [eisers] dat zij niet akkoord gaan met uitstel van de mondelinge behandeling,- het bericht van de rechtbank dat de mondelinge behandeling niet wordt uitgesteld, - de akte houdende wijziging/aanvulling van eis en overlegging producties van [eisers] , ingekomen 10 april 2024,
- de akte houdende producties van [gedaagde] , ingekomen 19 april 2024,
- het bericht van 22 april 2024 dat mr. Gijsbers zich heeft onttrokken als advocaat- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 25 april 2024.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De (gewijzigde) eis en het verweer
[eisers] vorderen – samengevat – na wijziging van hun eis, dat de rechtbank, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] veroordeelt om aan [eisers] alle inlichtingen te verschaffen over de nalatenschappen van erflaatster en erflater en inzage in en afschrift van alle bescheiden met betrekking tot de nalatenschappen verstrekken, waaronder in elk geval:
• boedelbeschrijvingen met onderbouwingen en stukken
• aanslagen erfbelasting erflater en erflaatster
• bankafschriften of print internetpagina’s van de bankrekeningen op data overlijden
• rekeningafschriften en jaaropgaven van alle bank-, beleggings- en overige rekeningen voor de jaren van overlijden en voor beide gevallen de vier jaren ervoor
• de aanslagen en aangiften IB voor de jaren van overlijden en voor beide gevallen de vier jaren ervoor
• informatie over giften
• informatie over levensverzekeringen en polissen
• opgave van alle inkomsten en uitgaven van overlijdensdatum tot en met heden, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft in de nakoming van een hem bij vonnis opgelegde verplichting,
2. een verklaring voor recht afgeeft over wat de omvang van de nalatenschappen van zowel erflaatster als erflater is,
3. een verklaring voor recht afgeeft over de aanspraken van [eisers] in de nalatenschappen van erflaatster en erflater,
4. een verklaring voor recht afgeeft dat de aangiften erfbelasting betreffende erflaatster en erflater niet juist zijn,
5. [gedaagde] in zijn hoedanigheid van vereffenaar te veroordelen tot betaling van de vastgestelde aanspraken, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zes maanden na het overlijden van erflaatster respectievelijk erflater tot de dag der algehele voldoening,
6. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
[eisers] hebben bij akte van 10 april 2024 hun eis aangevuld en zij vorderen naast het gevorderde onder 2.1 dat de rechtbank – samengevat– bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:Voor recht verklaart datI. erflater in de nalatenschap van erflaatster het afvullegaat heeft verworpen,
II. het erfdeel van [gedaagde] is komen te vervallen door zijn beroep op de legitieme portie en dat aanwas van het vervallen erfdeel van [gedaagde] plaatsvindt bij de overige erfgenamen, conform het testament van erflaatster, III. het erfdeel van [eiser sub 1] in de nalatenschap van erflaatster 98% bedraagt, te berekenen op basis van de waarde in het economische verkeer,
IV. [gedaagde] niet handelt als een goed vereffenaar en dat hij met zijn eigen vermogen aansprakelijk is voor de voldoening van de vorderingen van [eiser sub 1] in de nalatenschap van erflaatster en erflater en [eiser sub 2] en [eiser sub 3] in de nalatenschap van erflaatster,
V. [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser sub 1] heeft gehandeld nu hij essentiële feiten en omstandigheden aangaande de nalatenschap van erflaatster heeft verzwegen voor [eiser sub 1] en de rechtbank,
VI. [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die hij daarmee [eiser sub 1] heeft berokkend, zo nodig nader op te maken bij staat, Alsmede dat de rechtbank na het verkrijgen van alle relevante informatie:VII. De omvang van de nalatenschap van erflaatster en erflater vaststelt zodat de (legitimaire) aanspraken van [eisers] kunnen worden vastgesteld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van de vorderingen tot aan de dag van algehele voldoening, [gedaagde] veroordeelt:VIII. Om binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan [eiser sub 1] de volgende bescheiden af te geven:- de bankafschriften van de bankrekeningen bij SNS Bank met de nummer die eindigen .128, .802, .836, .547 en .262 over de periode vanaf 24 december 2017 tot en met 18 oktober 2020 ten name van erflater (en/of erflaatster)- een taxatierapport van een NRVT-registertaxateur waarin de economische waarde van de woning zijn bepaald zoals die golden op 24 december 2017 en op 21 december 2021,
IX. om een dwangsom aan [eiser sub 1] te voldoen van € 250,00 voor iedere dag of dat deel dat [gedaagde] niet (geheel) hieraan voldoet, met een maximum van € 25.000,00
X. in de kosten van rechtsbijstand die [eiser sub 1] aanvullend heeft moeten maken, zo nodig nader op te maken bij staat en vermeerderd met de wettelijke rente,
XI. in de proceskosten, XV. in de nakosten.
De advocaten van [gedaagde] hebben zich aan de zaak onttrokken, zodat [gedaagde] niet rechtsgeldig is vertegenwoordigd en geen stukken meer kan indienen. Wel heeft de rechtbank hem toegestaan ter zitting het woord te voeren.
3. De verdere beoordeling
De wijziging van eis 3.1. De rechtbank stelt vast dat [eisers] hun vorderingen bij akte van 10 april 2024 opnieuw hebben gewijzigd/aangevuld. Op grond van artikel 130 Rv zijn zij hiertoe bevoegd, zolang geen eindvonnis is gewezen, mits die eiswijziging niet in strijd is met de goede procesorde. [gedaagde] heeft zich over de feiten die [eisers] aan hun gewijzigde eis ten grondslag hebben gelegd, kunnen uitlaten. De rechtbank acht de eiswijziging dan ook niet in strijd met de goede procesorde en zal deze toestaan, behalve wat de vordering onder VIII betreft. Op die vordering heeft de rechtbank namelijk in het tussenvonnis van 8 november 2023 al beslist. Een wijziging van eis is mogelijk uit het oogpunt van efficiëntie maar is niet bedoeld als een verkapte vorm van hoger beroep.
De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de vorderingen zoals die bij akte van 10 april 2024 zijn ingediend (met Romeinse cijfers) omdat die van invloed zijn op de vorderingen zoals ze eerder zijn ingediend (met Westerse cijfers). Waar sprake is van overlap, zal de rechtbank de vorderingen gelijktijdig behandelen.
Vordering onder I: verklaring voor recht dat afvullegaat is verworpen
[eisers] stellen dat er nieuwe informatie boven tafel is gekomen nadat [eiser sub 1] bij de belastingdienst een duplicaat van de aanslag erfbelasting heeft opgevraagd en ontvangen. Uit deze aanslag blijkt dat het erfdeel van [eiser sub 1] op € 40.369,00 is gesteld en dat op basis daarvan € 2.016,00 aan de belastingdienst moet worden afgedragen. Hieruit volgt in hun visie dat het afvullegaat is verworpen. Het gevolg hiervan is dat het aandeel van [eiser sub 1] hoger is dan de rechtbank in het tussenvonnis heeft aangenomen en daarom verzoeken zij de rechtbank om terug te komen op het in het tussenvonnis gegeven oordeel dat het afvullegaat is aanvaard en gedeeltelijk is gebruikt.
[gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij de aangifte erfbelasting destijds samen met vader heeft ingediend en dat de belastingdienst op basis daarvan een aanslag heeft opgemaakt. De aanslag, die voor [gedaagde] en [eiser sub 1] beiden € 2.016,00 bedroeg, is door vader betaald. Verder heeft hij verklaard dat vader tijdens zijn leven het kindsdeel van moeder niet heeft uitbetaald.
De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechtbank kan terugkomen op een in een tussenvonnis gegeven beslissing als haar is gebleken dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag.
In dit geval is gebleken dat de beslissing gebaseerd is op een onjuiste feitelijke grondslag. De rechtbank is in het tussenvonnis uitgegaan van de aangifte erfbelasting waaruit leek te volgen dat vader het opvullegaat impliciet heeft aanvaard en heeft vervolgens geconcludeerd dat [gedaagde] en [eiser sub 1] het belastingvrije bedrag van € 20.209,00 toekomt. Uit de door [eiser sub 1] naderhand overgelegde aanslag blijkt echter dat de verkrijging van [eiser sub 1] (en hetzelfde geldt voor [gedaagde] ) op een bedrag van € 40.369,00 is gesteld. Bovendien heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat vader de aanslag erfbelasting van [gedaagde] en [eiser sub 1] destijds heeft betaald. Daaruit volgt dat hij geen gebruik heeft gemaakt van het opvullegaat en hij deze dus heeft verworpen.
Op grond hiervan komt de rechtbank terug op het in het tussenvonnis onder 4.11-4.14 gegeven oordeel. Dit betekent dat de vordering onder I. zal worden toegewezen. De rechtbank zal hierna opnieuw oordelen over de omvang van de nalatenschap van moeder.
Vordering onder 4: verklaring voor recht over de aangiften erfbelasting.
[eisers] hebben ook een verklaring voor recht gevorderd dat de aangiften erfbelasting in de nalatenschappen van erflater en erflaatster niet juist zijn. Hierover heeft de rechtbank in het tussenvonnis reeds geoordeeld dat [eisers] in deze vordering niet kunnen worden ontvangen. In wat hiervoor is overwogen, ziet zij geen reden om hierop terug te komen. Omdat gebleken is dat de definitieve aanslag erfbelasting een andere inhoud heeft, maakt dat [eisers] geen belang meer hebben bij de gevorderde verklaring.
Vordering onder II en III: verklaring voor recht dat erfdeel van [gedaagde] is komen te vervallen 3.9. [gedaagde] en [eiser sub 1] hebben op grond van het testament samen recht op 99/100ste deel van de nalatenschap.
[eiser sub 1] stelt dat zijn aandeel in de nalatenschap naast zijn erfdeel ook bestaat uit de aanwas van het erfdeel van [gedaagde] vanwege diens beroep op de legitieme portie. Volgens hem heeft dit beroep op de legitieme portie tot gevolg dat [gedaagde] op grond van onderdeel J van het testament van moeder wordt uitgesloten als erfgenaam in de nalatenschap van moeder. [eiser sub 1] verliest hier uit het oog dat [gedaagde] een voorwaardelijk beroep heeft gedaan op de legitieme. In de brief van 19 december 2022 heeft hij immers geschreven dat hij aanvullend aanspraak maakt op de legitieme portie “een en ander voor zover mocht blijken dat voornoemde legitimaire aanspraken hoger zijn dan zijn erfrechtelijke aanspraken in voornoemde beide nalatenschappen”. Daaruit leidt de rechtbank af dat hij, voorwaardelijk, namelijk voor het geval dat mocht blijken dat de aanspraken uit hoofde van de legitieme portie hoger zijn dan de erfrechtelijke aanspraak, aanspraak maakt op de legitieme portie. Aan die voorwaarde is, zoals hierna onder 3.27 zal blijken, niet voldaan zodat aan dit aanvullend beroep niet wordt toegekomen. Daarnaast ziet het testament op de situatie dat een afstammeling de integrale uitvoering van het testament betwist, maar daarvan is hier geen sprake.
De gevorderde verklaringen voor recht onder II en III zullen worden afgewezen.
Vordering onder IV, V en VI: verklaring voor recht dat [gedaagde] niet als goed vereffenaar heeft gehandeld en aansprakelijk is in zijn eigen vermogen, dat hij onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij aansprakelijk is voor de schade
[eisers] stellen dat [gedaagde] niet als goed vereffenaar heeft gehandeld en dat hij daarom aansprakelijk is met zijn eigen vermogen. Zij stellen dat [gedaagde] hen en de rechtbank niet goed heeft geïnformeerd over het afvullegaat en dat hij [eiser sub 1] heeft verhinderd om zijn vordering uit de nalatenschap van moeder voldaan te krijgen. Daarnaast stellen zijn dat [gedaagde] in ernstige mate tekort schiet in de vervulling van zijn verplichtingen en dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Volgens hen is het doel van vereffening zorgen dat iedere schuldeiser krijgt waar hij of zij recht op heeft maar [gedaagde] heeft na overlijdensdatum de ervenrekening gebruikt voor betalingen ten behoeve van zichzelf en hij heeft forse bedragen aan zichzelf overgeboekt (in totaal zes keer een bedrag van € 5.000,00. Weliswaar zijn die bedragen weer teruggeboekt, maar [gedaagde] heeft kort daarop een bedrag van € 13.100,00 naar ieder van zijn dochters overgemaakt. Dit heeft tot gevolg dat [eisers] niet worden betaald maar de dochters van [gedaagde] wel.
[gedaagde] voert aan hiertegen aan dat hij naar eer en geweten heeft gehandeld en dat hij de bedragen aan zijn dochters te goeder trouw heeft overgemaakt. Hij voert in dat verband aan dat hij de legaten ook aan [eiser sub 3] en [eiser sub 2] had willen betalen, maar dat hij van hen geen juiste bankrekeningnummers kreeg. Ook geeft hij aan bereid te zijn om betalingen terug te boeken als dat nodig is.
[gedaagde] is enig erfgenaam en hij heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. In artikel 4:184 BW is, voor zover hier van belang, bepaald dat een erfgenaam niet verplicht is een schuld der nalatenschap ten laste van zijn overig vermogen te voldoen, tenzij hij:
(…)
b. de voldoening van de schuld verhindert en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt;(…)
d. vereffenaar is, in de vervulling van zijn verplichtingen als zodanig in ernstige mate tekortschiet, en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt.
[gedaagde] heeft niet gehandeld als erfgenaam maar als vereffenaar. Aan de vraag of hij aansprakelijk is omdat hij als erfgenaam de voldoening van een schuld verhindert (de b-grond), komt de rechtbank dan ook niet toe.
Wat de d-grond betreft, stelt de rechtbank vast dat [gedaagde] na overlijdensdatum diverse betalingen heeft gedaan vanaf de ervenrekening. Zo heeft hij bedragen overgeboekt aan zichzelf en aan zijn dochters met als overschrijving “legaat”. Deze bedragen heeft hij vervolgens weer teruggeboekt. Uit de door [gedaagde] van 19 oktober 2020 tot en met 10 oktober 2022 (productie 14) blijkt het volgende. Op 23 februari 2022 hebben de drie dochters van [gedaagde] elk een bedrag van € 10.000 overgemaakt naar de ervenrekening. Voor die tijd is niet gebleken van overboekingen van de ervenrekening naar de drie dochters. Vervolgens zijn op 5 juli 2022 bedragen van € 0,01 overgemaakt naar de drie dochters onder vermelding “overboeking legaat volgens testament 18 09-2019 groetjes opa en oma 10.000 euro”. Daarna zijn op 21 augustus 2022 drie maal bedragen van € 3.100,00 bijgeschreven op de ervenrekening met als vermelding “terugboeking” of “restant teveel ontvangen”. Vervolgens zijn op 28 september 2022, 30 september 2022 en 9 oktober 2022 nogmaals drie keer bedragen van elk € 10.000,00 bijgeschreven op de ervenrekening vanaf de rekening van de drie dochters waarna op dezelfde dag een bedrag van € 13.100,00 aan hen is overgeboekt. De drie dochters hebben dus elk per saldo € 10.000,00 aan de ervenrekening betaald in plaats van genomen. Verder blijkt dat tussen 24 augustus 2022 en 16 september 2022 van de ervenrekening zes keer een bedrag van € 5.000,00 naar [gedaagde] is overgeboekt waarna tussen 28 september 2022 en 9 oktober 2022 drie maal een bedrag van € 10.000,00 is terugbetaald aan de ervenrekening.
Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde] legaten heeft betaald op een moment dat hij dat nog niet hoorde te doen. Volgens de rangregeling van artikel 4:7 BW moeten immers eerst de schulden uit de nalatenschap van moeder worden betaald. Dit is aan te merken als een ernstige tekortkoming. De rechtbank is echter van oordeel dat [eisers] onvoldoende hebben onderbouwd dat [gedaagde] daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Uit de omstandigheid dat hij de bedragen ook weer heeft teruggeboekt of enkele malen heeft heen en weer geboekt, leidt de rechtbank af dat eerder sprake is van onkunde of onwetendheid. Bovendien blijkt hieruit niet dat [gedaagde] zichzelf of zijn drie dochters heeft bevoordeeld. [eisers] stellen wel dat [gedaagde] zijn dochters bevoordeelt en daarmee de belangen van de anderen schaadt, maar volgens de bankafschriften hebben de dochters per saldo meer aan de ervenrekening betaald dan dat zij hebben ontvangen. [eiser sub 1] , Rom en [eiser sub 3] hebben hun verwijt aan het adres van [gedaagde] verder niet onderbouwd. Dat geldt ook voor hun stelling dat [gedaagde] onrechtmatig zou hebben gehandeld.
De conclusie is dat de vorderingen onder IV, V, en VI zullen worden afgewezen.
Vordering onder 1: verstrekking inlichtingen en afgifte stukken
[eisers] verzoeken de rechtbank om terug te komen op de rechtsoverwegingen 4.22 van het tussenvonnis over de afgifte van stukken in de nalatenschap van vader. Zij geven aan dat zij niet wensen te discussiëren over banktransacties na het overlijden van moeder en tot het overlijden van vader maar dat zij wel de bankafschriften willen inzien om te kijken welke schenkingen er overigens door vader nog zijn gedaan. Volgens hen is er, anders dan in het tussenvonnis is overwogen, wel degelijk concrete aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door [gedaagde] verstrekte informatie.
De rechtbank ziet geen reden om terug te komen op de in het tussenvonnis gegeven oordeel. Dat die beslissing op een onjuiste feitelijke grondslag berust, is niet gebleken. Ook is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden. Dat de huidige advocaat van [eisers] vraagtekens zet bij banktransacties die de vorige advocaat niet heeft besproken, is geen nieuw feit of omstandigheid. De mogelijkheid om terug te komen op een in een tussenvonnis gegeven beslissing, is bedoeld voor de situatie dat de beslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust maar is niet als bedoeld als een verkapte vorm van hoger beroep.
Vordering onder VII, onder VIII (2e gedachtenstreepje) en vordering onder 2: omvang nalatenschap moeder en (legitimaire) aanspraken [eisers] 3.21. [gedaagde] heeft via zijn voormalig advocaat een taxatierapport ingebracht. Volgens het rapport van 23 december 2023 bedroeg de marktwaarde op de overlijdensdatum van moeder, 24 december 2017, € 445.000,00. De taxateur heeft daarbij de kanttekening gemaakt dat hij de woning niet van binnen heeft mogen inspecteren en dat hij daarom de onderhoudstoestand van de woning als “matig” heeft gekwalificeerd.
[eisers] hebben geen taxatierapport overgelegd. Zij stellen dat het, ondanks hun verzoek daartoe, niet gelukt is om dit samen met [gedaagde] uit te voeren. Zij waren dan ook verrast door het rapport dat al op 23 december 2023 blijkt te zijn opgemaakt en dat zij pas recent hebben ontvangen. Zij hebben bezwaar tegen het rapport omdat het een geveltaxatie betreft en de taxateur heeft, zonder de woning van binnen te hebben bezichtigd, aangenomen dat het onderhoud van de woning matig tot slecht is, waardoor de woning mogelijk te laag is getaxeerd.
De rechtbank acht het redelijk om de waarde van de woning per datum van het openvallen van de nalatenschap van moeder op € 450.000,00 te bepalen. Daarvoor is redengevend dat, hoewel de rechtbank partijen in overweging heeft gegeven om ter besparing van kosten gezamenlijk een NRVT-taxateur in te schakelen, [gedaagde] zijn medewerking daaraan niet heeft verleend. Verder heeft de taxateur de onderhoudstoestand van de woning op “matig” geschat, zonder de woning van binnen te hebben bezichtigd, waardoor de woning mogelijk lager is getaxeerd dan terecht is. Ook is van belang dat [eiser sub 1] ter zitting heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met een bedrag van € 450.000,00. De vordering om [gedaagde] op straffe van een dwangsom te veroordelen om een taxatierapport af te geven, zal dan ook worden afgewezen.
De nalatenschap van moeder bestaat uit:de helft van de waarde van de woning € 225.000,00de helft van de waarde van de inboedel € 1.000,00de helft van de saldi bankrekeningen € 14.950,00 de helft van de Robeco effecten € 1.200,00 de uitvaartkosten - € 6.050,00Totaal € 236.100,00
De kleinkinderen hebben elk op grond van het testament recht op een legaat ter hoogte van het van erfbelasting vrijgestelde bedrag van € 20.209,00. Hierover is geen rente verschuldigd. In totaal is dit voor de vijf kleinkinderen € 101.045,00.
[gedaagde] en [eiser sub 1] hebben ieder aanspraak op hun aandeel. De nalatenschap bedraagt, nadat de legaten daarop in mindering zijn gebracht, € 135.055,00. [gedaagde] en [eiser sub 1] hebben dan ieder aanspraak op 99/200ste deel hiervan, dat is € 66.852,25. Op grond van het testament is hierover vanaf de dag van het overlijden van moeder een samengestelde rente verschuldigd van 6%. Dat betekent dat de schuld van vader aan [eiser sub 1] € 84.372,93 bedroeg (erfdeel nalatenschap moeder € 66.852,25 plus gekweekte rente tot aan datum overlijden vader € 17.520,93= € 84.372,93.
Uit de berekening hiervoor volgt dat het aandeel van [gedaagde] in de nalatenschap van moeder, dat hetzelfde is als dat van [eiser sub 1] , namelijk € 84.372,93, hoger is dan zijn legitieme portie. Zijn legitimaire aanspraak bedraagt immers 1/6 deel van de omvang van de nalatenschap en dat is € 39.350,00. Dat is minder dan zijn erfdeel zodat de voorwaarde voor het beroep op de legitieme portie niet is vervuld.
Uit het voorgaande volgt dat de omvang van de nalatenschap van moeder € 236.100,00 bedraagt en dat de aanspraken van [eisers] als volgt zijn: - [eiser sub 2] : € 20.209,00- [eiser sub 3] : € 20.209,00- [eiser sub 1] : € 84.372,93
Vordering onder VII, onder VIII (2e gedachtestreepje) en vordering onder 2: omvang nalatenschap vader en (legitimaire) aanspraken [eisers]
Vast staat dat de echtelijke woning op 27 oktober 2021 door vader is geschonken, zodat de woning op de datum van zijn overlijden niet meer tot zijn nalatenschap behoorde. De rechtbank stelt de omvang van de nalatenschap van vader als volgt vast:- de activa uit de nalatenschap van vader € 38.708,00- de schulden uit de nalatenschap moeder * legaten vijf kleinkinderen € 101.045,00* aanspraak [gedaagde] € 84.372,93* aanspraak [eiser sub 1] € 84.372,93- de uitvaartkosten € 4.434,00
De schulden bedragen in totaal € 274.224,86. De schulden kunnen niet uit de aanwezige activa worden voldaan. Hieruit volgt dat de omvang van de nalatenschap van vader negatief is, met een bedrag van - € 235.516,86.
Vader heeft in zijn testament aan [eiser sub 3] en [eiser sub 2] en aan de drie dochters van [gedaagde] samen, ieder voor gelijke delen, een legaat toegekend ter waarde van de helft van zijn nalatenschap. Omdat die nalatenschap negatief is, sorteert het legaat aan de kleinkinderen geen effect. De rechtbank kan van [eiser sub 3] en [eiser sub 2] dan ook geen erfrechtelijke aanspraak vaststellen.
[eiser sub 1] heeft een beroep gedaan op de legitieme portie. Die wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW (artikel 4:65 BW), hierna ook de legitimaire massa. De legitieme portie is op grond van artikel 4:64 BW 1/4e van deze legitimaire massa. De waarde van giften en van al hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in mindering van zijn legitieme portie (artikel 4:70 en 71 BW). Wat dan overblijft is de legitimaire aanspraak. In formulevorm weergegeven:Legitimaire massa = activa nalatenschap op de peildatum + giften - schulden ex art. 4:7 onder a t/m c en f BW.Legitieme portie = legitimaire massa x breukdeel
Legitimaire aanspraak = legitieme portie - giften aan de legitimaris - verkrijgingen op grond van het erfrecht
Volgens het door [gedaagde] overgelegde en hierboven al aangehaalde rapport bedroeg de marktwaarde van de woning op 21 december 2021 € 595.000,00. [eiser sub 1] heeft ter zitting verklaard dat hij zich kan vinden in de getaxeerde waarde van € 595.000,00, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan met dien verstande dat niet als peildatum 21 december 2021 geldt maar de datum van schenking, te weten 27 oktober 2021. Ook hier geldt dat de vordering om [gedaagde] te veroordelen een taxatierapport in te brengen, zal worden afgewezen.
De legitieme massa moet dan als volgt worden berekend:de activa ad € 38.708,00 + de schenkingen ad € 595.000,00 – de schulden ad € 274.224,86= € 359.483,14. De legitieme portie bedraagt dan € 89.870,85. Van giften aan [eiser sub 1] of andere verkrijgingen op grond van het erfrecht is niet gebleken, zodat de rechtbank voor recht za verklaren dat de aanspraak van [eiser sub 1] in de nalatenschap van vader € 89.870,85 bedraagt.
Vordering onder 5: veroordeling van [gedaagde] als vereffenaar tot betaling van de vastgestelde aanspraken 3.35. [eisers] vorderen veroordeling van [gedaagde] in zijn hoedanigheid van vereffenaar tot betaling van de vastgestelde aanspraken, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zes maanden na het overlijden.
Zoals hiervoor is overwogen, is de nalatenschap van vader niet toereikend om de vorderingen uit de nalatenschap van moeder te voldoen. In zoverre kan de rechtbank niet veroordelen tot betaling van de hiervoor vastgestelde aanspraken in de nalatenschap van moeder. Omdat er nog een saldo van € 38.708,00 in de nalatenschap is, moeten in het kader van de vereffening wel de preferente schulden in de zin van artikel 4:7 BW naar rato uit dat saldo worden voldaan. Op grond van dit artikel moeten eerst de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met e worden voldaan. In dit geval zijn dat a) de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, namelijk de aanspraken in de nalatenschap van moeder en b) de kosten van lijkbezorging. Hoewel een schuldeiser zijn vordering tijdens de vereffening niet kan verhalen (artikel 4:223 BW) ziet de rechtbank in het feit dat er buiten de familieleden geen andere geen andere crediteuren in de nalatenschap van vader zijn, aanleiding om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de aanspraken, met inachtneming van de rangorde. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank als eerste de uitvaartkosten (artikel 3:288 onder b, BW) uit de activa moeten worden voldaan. Het bedrag dat daarna resteert, € 34.274,00 moet naar rato verdeeld worden over de schuld die daarna in rang in aanmerking komt, te weten de legaten van de vijf kleinkinderen. Legaten gaan immers voor op de erfdelen van de kinderen. Dat betekent dat ieder kleinkind recht heeft op € 6.854,80. De rechtbank zal [gedaagde] veroordelen tot betaling aan [eiser sub 3] en [eiser sub 2] van dit bedrag. Omdat de andere drie kleinkinderen geen partij zijn in deze procedure, kan de rechtbank [gedaagde] in dit vonnis niet veroordelen tot betaling van dit bedrag aan zijn kinderen. De rechtbank gaat er vanuit dat [gedaagde] zijn drie dochters ook dit bedrag zal betalen, waarna de vereffening is voltooid.
In de nalatenschap van vader kan de rechtbank [gedaagde] niet veroordelen tot betaling van de legaten van [eiser sub 3] en [eiser sub 2] . Hiervoor is immers overwogen dat [eiser sub 3] en [eiser sub 2] geen aanspraak hebben op het legaat in de nalatenschap van hun opa omdat de nalatenschap niet toereikend is.
De rechtbank kan [gedaagde] ook niet veroordelen tot betaling van de legitimaire aanspraak van [eiser sub 1] in de nalatenschap van vader. De nalatenschap is niet toereikend. Het testament bepaalt dat [eiser sub 1] , als de nalatenschap ontoereikend is, eerst moet inkorten bij [eiser sub 3] en [eiser sub 2] . Er valt echter niets in te korten omdat zij niet ontvangen. In zoverre biedt artikel 4:87 BW geen soelaas. Wel kan [eiser sub 1] op grond van artikel 4:91 BW inkorten op giften. Daarvoor zal hij de dochters van [gedaagde] , die de woning geschonken hebben gekregen, moeten aanspreken. Dat valt echter buiten het bestek van deze procedure, waarin de drie dochters niet betrokken zijn.
De rechtbank ziet in de familierelatie aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Zij wijst het verzoek van [eiser sub 1] om [gedaagde] in de reële proceskosten te veroordelen, af. Voor een dergelijke kostenvergoeding is alleen aanleiding als sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Dat [gedaagde] welbewust de aanslag erfbelasting zou hebben achtergehouden om [eiser sub 1] tekort te doen, is de rechtbank niet gebleken.
4. De beslissing:
De rechtbank:
verklaart voor recht dat vader het afvullegaat in de nalatenschap van moeder heeft verworpen,
verklaart de vordering tot het afgeven van een verklaring voor recht inzake de aangifte erfbelasting niet-ontvankelijk,
verklaart voor recht dat de omvang van de nalatenschap van moeder vastgesteld moet worden op € 236.100,00,
verklaart voor recht dat de aanspraken van [eisers] in de nalatenschap van moeder per datum van het overlijden van vader als volgt vastgesteld moeten worden:- [eiser sub 1] : € 84.372,93
- [eiser sub 2] : € 20.209,00- [eiser sub 3] : € 20.209,00
verklaart voor recht dat de omvang van de nalatenschap van vader vastgesteld moet worden op € 235.516,86 negatief,
verklaart voor recht dat de aanspraken van [eiser sub 3] en [eiser sub 2] in de nalatenschap van vader op nihil moeten worden gesteld,
verklaart voor recht dat de legitieme aanspraak van [eiser sub 1] in de nalatenschap van vader € 89.870,85 bedraagt,
veroordeelt [gedaagde] in zijn hoedanigheid van vereffenaar tot betaling aan [eiser sub 3] en [eiser sub 2] , van elk een bedrag van € 6.854,80.
compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar wat betreft r.o. 4.8,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2024.