RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde] ,
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.335381.23
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 27 maart 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 11 februari 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 170.000 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.335381.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 maart 2026, waarbij aanwezig waren veroordeelde en zijn raadsman mr. T.W. Delhaye. Het openbaar miniserie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H.P. Polstra.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat door de officier van justitie wordt geschat op 55.691,56. Hierbij is de officier van justitie uitgegaan van de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (hierna: het rapport) die is gebaseerd op drie eerdere oogsten, waarbij hij de aangetroffen oogst niet in mindering heeft gebracht. De officier van justitie schat het totale voordeel op 161.053,12.
Gelet op de verklaring van veroordeelde bij de politie dat de opbrengsten 50/50 zouden worden verdeeld acht de officier van justitie een toewijzing van gelijke delen voor veroordeelde en zijn medeveroordeelde voor de hand liggen. Na aftrek van de rekening die [veroordeelde] van Liander heeft ontvangen van 24.835,-- komt de officier van justitie uit op een voordeel voor veroordeelde van
55.691,56.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit de vordering af te wijzen, danwel op nihil te stellen nu uit het objectieve bewijs in het dossier en de verklaring van veroordeelde volgt dat er twee keer van 280 planten is geoogst. Nu de ene oogst is mislukt en de andere oogst is aangetroffen door de politie en vervolgens in beslag is genomen en vernietigd is er door veroordeelde en zijn medeveroordeelde geen wederrechtelijk voordeel genoten.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 27 maart 2026 in de zaak met parketnummer 18/335381-23 veroordeeld ter zake van (onder meer) het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde in de periode van 1 september 2023 tot en met 13 februari 2024 voordeel heeft gekregen uit de baten van dit door gepleegde strafbare feit.
In de strafzaak heeft de rechtbank een kortere periode bewezen verklaard dan de officier van justitie bewijsbaar vond. Daarnaast heeft de rechtbank de veroordeelde gevolgd in zijn stelling dat er in totaal twee keer 280 planten zijn geoogst in afzonderlijke ruimtes en dat er geen sprake is geweest van het gelijktijdig telen in beide ruimtes. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er weliswaar aanwijzingen zijn gevonden, zoals kalkafzetting en stof, die zouden kunnen wijzen op meerdere gelijktijdige oogsten, maar dat die niet voldoende zijn om voorbij te gaan aan de verklaring van veroordeelde en de aangetroffen hoeveelheid hennep die daar bij past.
Veroordeelde heeft verklaard dat er twee keer van 280 planten per keer is geoogst. De eerste oogst zou onverkoopbaar zijn geweest en weg zijn gegooid en de tweede oogst is door de politie op zolder aangetroffen, in beslag genomen en vernietigd. Veroordeelde ontkent dat hij voordeel heeft genoten. Wel had hij met zijn mededader afgesproken dat eventuele winst 50/50 zou worden verdeeld.
De rechtbank acht de verklaring van veroordeelde dat hij de eerste oogst heeft weggegooid ongeloofwaardig, nu de tweede oogst in het pand aanwezig was en er geen enkele aanwijzing is dat dit onverkoopbare hennep zou zijn. De rechtbank gaat er bij de berekening van het wederrechtelijk voordeel vanuit dat er wel voordeel is behaald van de eerste oogst van 280 planten.
Bij de berekening van de opbrengst en de kosten is de rechtbank, naast de verklaring van veroordeelde, uitgegaan van het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM) van 1 juni 2016 (hierna: rapport FPA).
Ten aanzien van de kosten merkt de rechtbank op dat alleen kosten voor aftrek in aanmerking komen die in directe relatie staan tot de verkrijging van het voordeel. Dat betekent dat bijvoorbeeld de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van het telen en oogsten van de in beslag genomen hoeveelheid hennep niet voor aftrek in aanmerking komen.
Veroordeelde en zijn medeveroordeelde hebben niet eenduidig en consistent verklaard wie welke kosten voor zijn rekening heeft genomen. Om die reden zal de rechtbank uitgaan een gelijke verdeling over veroordeelden van betaalde kosten.
De rechtbank gaat er van uit dat de oogst heeft plaatsgevonden in ruimte B waar tijdens de ontdekking van de kwekerij geen hennepplanten aanwezig waren. Daar lagen slabs op de grond met een afmeting van 700cm bij 250cm, waar in totaal 280 gaten zaten, kennelijk om later planten in te doen. Dit betreft dus 16 planten per vierkante meter. Uit het rapport FPA blijkt dat de opbrengst van 16 planten per m2 27,7 gram per plant bedraagt en de daadwerkelijke opbrengst in geld bedraagt 4.070,00 per kilogram hennep.
Veroordeelde heeft verklaard dat de stekken 5,00 per stek hebben gekost. Met betrekking tot de kosten voor elektriciteit heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het kWh verbruik per kweek van kweekruimte C, zoals aangegeven in de aangifte van Liander N.V. Op basis daarvan schat de rechtbank de elektriciteitskosten voor de kweek van 280 planten op 3.400,00. (de rechtbank gaat uit van een prijs per Kwh van ongeveer 20 cent)
Veroordeelde heeft verklaard dat hij een kennis heeft ingeschakeld om mee te helpen met knippen en hem 800 euro heeft betaald. Hij wil van deze persoon geen naam noemen. Omdat niet duidelijk is geworden ten behoeve van welke oogst deze kosten gemaakt zouden zijn en veroordeelde niet de naam wil noemen van de knipper, zal de rechtbank uitgaan van de standaardbedragen die in het rapport FPA worden gehanteerd.
Dit levert de volgende berekening op:
Inkomsten
280 planten x 27,7 gram levert op 7.756 kilogram hennep 7,756 kilogram x 4070,00
= totaal 31.566,92
Kosten
Afschrijvingskosten 200,00 (tabel pagina 3 rapport FPA) Hennepstekken 1.400,00 (( 5,00 per stek/plant) Variabele kosten 1.086,40 ( 3,88 per stek/plant) Elektriciteitskosten 3.400,00 (17.149 Kwh per kweek) Kosten knippers 58,80 ( 0,21 per stek/plant)
Totale kosten 6.145,20
Berekening totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
Totale opbrengsten 31.566,92
Totale kosten 6.145,20
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: 25.421,72
De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde samen met zijn mededader [mededader] wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Nu veroordeelde heeft verklaard dat was afgesproken op de opbrengst 50/50 te verdelen is de rechtbank van oordeel dat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel daarom gedeeld moet worden door twee.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat veroordeelde 12.710,86 voordeel heeft genoten en zal de betalingsverplichting eveneens voor dat bedrag aan hem opleggen.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 12.710,86.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
12.710,86 (zegge: twaalfduizend zevenhonderdentien euro en zesentachtig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 88 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 maart 2026.
mr. M. van der Veen en C. Vellinga-Terpstra zijn buiten staat de beslissing mede te ondertekenen.