ECLI:NL:RBNNE:2026:1063

ECLI:NL:RBNNE:2026:1063

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 02-04-2026
Zaaknummer 18.053871.24 ontneming
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNNE:2026:1062

Samenvatting

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel € 12.710,86.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

[veroordeelde] ,

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18.053871.24

beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 27 maart 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 26 februari 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 170.000 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.053871.24 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 maart 2026, waarbij aanwezig waren veroordeelde en zijn raadsman mr. P.R. Logemann. Het openbaar miniserie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H.P. Polstra.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat door de officier van justitie wordt geschat op

80.526,56. Hierbij is de officier van justitie uitgegaan van de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (hierna: het rapport) die is gebaseerd op drie eerdere oogsten, waarbij hij de aangetroffen oogst niet in mindering heeft gebracht. De officier van justitie schat het totale voordeel op 161.053,12. Gelet op de verklaring van de medeveroordeelde bij de politie dat de opbrengsten 50/50 zouden worden verdeeld acht de officier van justitie een toewijzing van gelijke delen voor veroordeelde en zijn medeveroordeelde voor de hand liggen. Van dit bedrag zijn geen elektriciteitskosten afgetrokken, nu deze kosten door Liander N.V. aan medeveroordeelde [medeveroordeelde] zijn toegerekend.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering af te wijzen, danwel op nihil te stellen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van een kortere periode en dat niet is gebleken dat veroordeelde werkelijk iets ontvangen heeft. Veroordeelde heeft aangegeven dat vanaf het moment dat hij betrokken was, de eerste oogst al weg was. Voorts verzet de raadsman zich tegen een verdeling in gelijke delen. Voor een verdeling in gelijke delen moet er sprake zijn van een gelijk aandeel en gelijke winst, maar veroordeelde heeft niets ontvangen. Bij het aantal oogsten waar het openbaar ministerie nu mee komt is veroordeelde überhaupt niet betrokken geweest.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 27 maart 2026 in de zaak met parketnummer 18/053871-24 veroordeeld ter zake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde in de periode van 1 september 2023 tot en met 13 februari 2024 voordeel heeft gekregen uit de baten van dit door gepleegde strafbare feit.

In de strafzaak heeft de rechtbank een kortere periode bewezen verklaard dan de officier van justitie bewijsbaar vond. Daarnaast heeft de rechtbank de medeveroordeelde gevolgd in zijn stelling dat er in totaal twee keer 280 planten zijn geoogst in afzonderlijke ruimtes en dat er geen sprake is geweest van het gelijktijdig telen in beide ruimtes. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er weliswaar aanwijzingen zijn gevonden, zoals kalkafzetting en stof, die zouden kunnen wijzen op meerdere gelijktijdige oogsten, maar dat die niet voldoende zijn om voorbij te gaan aan de verklaring van medeveroordeelde en de aangetroffen hoeveelheid hennep die daar bij past. Bij de berekening van het voordeel zal de rechtbank daarom uitgaan van de opbrengst van één oogst van 280 planten

Bij de berekening van de opbrengst en de kosten is de rechtbank, naast de verklaring van de medeveroordeelde [medeveroordeelde] , uitgegaan van het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM) van 1 juni 2016 (hierna: rapport FPA).

Ten aanzien van de kosten merkt de rechtbank op dat alleen kosten voor aftrek in aanmerking komen die in directe relatie staan tot de verkrijging van het voordeel. Dat betekent dat bijvoorbeeld de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van het telen en oogsten van de in beslag genomen hoeveelheid hennep niet voor aftrek in aanmerking komen.

Veroordeelde en zijn medeveroordeelde hebben niet eenduidig en consistent verklaard wie welke kosten voor zijn rekening heeft genomen. Om die reden zal de rechtbank uitgaan een gelijke verdeling over veroordeelden van betaalde kosten.

De rechtbank gaat er van uit dat de oogst heeft plaatsgevonden in ruimte B waar tijdens de ontdekking van de kwekerij geen hennepplanten aanwezig waren. Daar lagen slabs op de grond met een afmeting van 700cm bij 250cm, waar in totaal 280 gaten zaten, kennelijk om later planten in te doen. Dit betreft dus 16 planten per vierkante meter. Uit het rapport FPA blijkt dat de opbrengst van 16 planten per m2 27,7 gram per plant bedraagt en de daadwerkelijke opbrengst in geld 4.070,00 per kilogram hennep bedraagt. De medeveroordeelde heeft verklaard dat de stekken 5,00 per stek hebben gekost. Met betrekking tot de kosten voor elektriciteit heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het kWh verbruik per kweek van kweekruimte C, zoals aangegeven in de aangifte van Liander N.V.. Op basis daarvan schat de rechtbank de elektriciteitskosten voor de kweek van 280 planten op 3.400,00. (de rechtbank gaat uit van een prijs per Kwh van ongeveer 20 cent)

Medeveroordeelde heeft verklaard dat hij een kennis heeft ingeschakeld om mee te helpen met knippen en hem 800 euro heeft betaald. Hij wil van deze persoon geen naam noemen. Omdat niet duidelijk is

geworden ten behoeve van welke oogst deze kosten gemaakt zouden zijn en veroordeelde niet de naam wil noemen van de knipper, zal de rechtbank uitgaan van de standaardbedragen die in het rapport FPA worden gehanteerd.

Dit levert de volgende berekening op:

Inkomsten

280 planten x 27,7 gram levert op 7.756 kilogram hennep 7,756 kilogram x 4070,00

= totaal 31.566,92

Kosten

Afschrijvingskosten 200,00 (tabel pagina 3 rapport FPA) Hennepstekken 1.400,00 (( 5,00 per stek/plant) Variabele kosten 1.086,40 ( 3,88 per stek/plant) Elektriciteitskosten 3.400,00 (17.149 Kwh per kweek) Kosten knippers 58,80 ( 0,21 per stek/plant)

Totale kosten 6.145,20

Berekening totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

Totale opbrengsten 31.566,92

Totale kosten 6.145,20

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: 25.421,72

De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde samen met zijn mededader [medeveroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Nu [medeveroordeelde] heeft verklaard dat was afgesproken om de opbrengst 50/50 te verdelen is de rechtbank van oordeel dat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel daarom gedeeld moet worden door twee.

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat veroordeelde 12.710,86 voordeel heeft genoten en zal de betalingsverplichting eveneens voor dat bedrag aan hem opleggen.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 12.710,86.

Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van

12.710,86 (zegge: twaalfduizend zevenhonderdentien euro en zesentachtig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 88 dagen.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 maart 2026.

mr. M. van der Veen en C. Vellinga-Terpstra zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W.S. Sikkema
  • mr. H.C.L. Vreugdenhil
  • mr. M. van der Veen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?