RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde]
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.026620.24
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 10 april 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] ,
thans gedetineerd in [instelling] , hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 23 januari 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 119.705,27 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.026620.24 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 3, 5, 10 en 11 februari 2026.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat het bedrag geschat dient te worden op 118.755,27 en dat de rechtbank een betalingsverplichting van gelijke hoogte dient op te leggen. Dit is het oorspronkelijk gevorderde bedrag minus het bedrag afkomstig van [meisje 9] , nu de officier van justitie niet ontvankelijk is verklaard ten aanzien van dit feit.
De raadsman heeft primair verzocht om de ontnemingsvordering af te wijzen, nu de rechtbank ook vorderingen van benadeelde partijen heeft toegewezen en de bedragen op deze manier dubbel worden ontnomen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het bedrag te matigen tot 13.694,50, wat de PayPalbetalingen en de aan de slachtoffers te koppelen Paysafecards betreft, minus de Paysafecards afkomstig van [meisje 9] . Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vordering (aanzienlijk) te matigen.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 10 april 2026 in de zaak met parketnummer 18.026620.24 veroordeeld ter zake van - onder andere - afdreiging, meermalen gepleegd, bewezen verklaard onder feit 4.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van die door hem gepleegde strafbare feiten en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de bewijsmiddelen die in het vonnis zijn genoemd onder feit 4 (afdreiging) en feit 15 (witwassen).
Ten aanzien van [meisje 2] , [meisje 4] , [meisje 7] en [meisje 30] heeft de rechtbank afdreiging bewezen verklaard en heeft de rechtbank bedragen vastgesteld waarvan kan worden gesteld dat veroordeelde deze door middel van die afdreiging van slachtoffers heeft ontvangen.
Ten aanzien van het bedrag afkomstig van [meisje 9] en het bedrag met onverklaarbare Paysafecard-transacties heeft de rechtbank in het vonnis bewijsmiddelen opgenomen, die aantonen dat het om voordeel uit andere strafbare feiten gaat, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat, de bewezen verklaarde bedragen onder feit 15. Voor zover de rechtbank afwijkt van het standpunt van de officier van justitie of de raadsman wat betreft de hoogte van de bedragen, wordt verwezen naar de motivering daarvan in het vonnis.
Dit levert de volgende op te tellen bedragen op:
Door de raadsman is aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, gelet op de door de rechtbank toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen. Uit lid 9 van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht volgt dat aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht bij het bepalen van de omvang van het voordeel, voor zover deze zijn voldaan. Nu niet is gebleken dat verdachte een bedrag ter vergoeding van schade heeft betaald aan (een van de) benadeelde partijen, zal de rechtbank deze bedragen niet in mindering brengen.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat veroordeelde 115.814,79 voordeel heeft genoten en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 115.814,79.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
115.814,79 (zegge: honderdvijftienduizend achthonderdveertien euro en negenenzeventig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. H. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 april 2026.