RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde]
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.290242.22
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 14 april 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 9 november 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van 1.267.000,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.290242.22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 3 maart 2026, waarbij de veroordeelde is verschenen, bijgestaan door diens raadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.
Het onderzoek ter terechtzitting is op 14 april 2026 gesloten.
Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank
De ontnemingsvordering maakt onderdeel uit van zogeheten procesafspraken die het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben gemaakt in de strafzaak tegen veroordeelde. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst, gedateerd 16 februari 2026, die zij voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, en voorzien van de handtekeningen van zowel de officier van justitie als die van veroordeelde en zijn raadsman, hebben overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.
Met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel komen het Openbaar Ministerie en veroordeelde overeen dat:
veroordeelde in het kader van procesafspraken over deze ontnemingszaak:
van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- een geldbedrag van 106.409,05 ( 141.500 minus 35.090,95) voor aanvang van de inhoudelijke
behandeling van de hoofd- en ontnemingszitting zal overdragen aan de politie Noord-Nederland. Dit kan in contanten. Door de politie zal conservatoir beslag worden gelegd op het geldbedrag. Indien betaling niet is gedaan voor de inhoudelijke behandeling van de straf- en ontnemingszaak vervallen de procesafspraken zowel ten aanzien van de strafzaak als ten aanzien van de ontnemingszaak;
- aangeeft betalingsbereid te zijn, in staat te zijn tot betaling en geen draagkrachtverweer te zullen
voeren;
- ermee akkoord gaat dat de onderhavige overeenkomst en het in verband daarmee te wijzen vonnis aan
het CJIB wordt verstrekt ter executie daarvan;
- instemt met aanwending van het conservatoire beslag door het CJIB voor de ontnemingsmaatregel;
en het Openbaar Ministerie in het kader van procesafspraken over deze ontnemingszaak:
- ter terechtzitting zal vorderen dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel en de
betalingsverplichting wordt vastgesteld op 141.500,00 en dat veroordeelde bij niet betalen kan worden gegijzeld;
- veroordeelde (en/of een derde die feitelijk het ontnemingsbedrag zal overhandigen) niet zal vervolgen
ter zake van witwassen voor het overhandigen van (een gedeelte van) het ontnemingsbedrag;
- ten behoeve van de betaling van de ontnemingsmaatregel bij het CJIB onder de aandacht zal brengen
dat veroordeelde zichzelf bereid en in staat acht om te voldoen aan alle financiële verplichtingen die voortvloeien uit de op te leggen vonnissen.
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen.
De rechtbank dient daarbij te beoordelen of de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) aan een eerlijk proces stelt, voldoende zijn gewaarborgd. Bij die
beoordeling zijn leidend de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022.
De rechtbank heeft op de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 3 maart 2026 de procesafspraken besproken, zoals deze zijn vervat in de ondertekende overeenkomst.
De officier van justitie heeft de achterliggende redenen voor het maken van de procesafspraken toegelicht. Daarbij heeft hij aangegeven dat deze afspraken in het belang zijn van het efficiënt afronden van de ontnemingsvordering. Voorts heeft de officier van justitie ter terechtzitting bevestigd dat veroordeelde het geldbedrag van 106.409,05 voor aanvang van de inhoudelijke behandeling heeft overgedragen aan de politie Noord-Nederland waarna er door de politie conservatoir beslag is gelegd op voornoemd geldbedrag.
Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich volledig bewust is van de inhoud van de gemaakte procesafspraken en dat hij achter die afspraken staat. De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan hetgeen in de procesafspraken is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat veroordeelde zich bewust is van de rechtsgevolgen van de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van bepaalde verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat veroordeelde gedurende het proces is bijgestaan door zijn raadsman.
Ondanks de gemaakte procesafspraken behoudt de rechtbank haar eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of de vaststelling van het wederrechtelijk voordeel en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting plaatsvindt in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke regeling. Dit betekent dat zij in de onderhavige zaak zelfstandig moet beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting, in afwijking van de schriftelijke ontnemingsvordering, gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden op een bedrag van 141.500,00 en dat de betalingsverplichting eveneens wordt vastgesteld op dat bedrag. Deze mondelinge vordering is gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, dat is opgemaakt naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek dat naar de veroordeelde is ingesteld, en de gemaakte procesafspraken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd en heeft gepersisteerd bij de inhoud van de procesafspraken.
Oordeel van de rechtbank
De grondslag voor de ontnemingsvordering betreft artikel 36e, eerste en tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van deze artikelleden kan aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit,
de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door middel van of uit de baten van dat strafbare feit, dan wel andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 14 april 2026 in de zaak met parketnummer 18.290242.22 veroordeeld. Daarmee is vast komen te staan dat veroordeelde zich - kort gezegd - onder meer schuldig heeft gemaakt aan de productie en verkoop van amfetamineolie, het verkopen van cocaïne alsmede het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen daartoe. Op grond van het ontnemingsrapport is aannemelijk geworden dat veroordeelde uit de strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in het ontnemingsrapport geschat op
1.267.000,00. In de overeenkomst tussen veroordeelde en het Openbaar Ministerie is een herberekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel opgenomen in verband met aanvankelijk te laag ingeschatte inkoopkosten van één kilo cocaïne en de aanvankelijk hoger ingeschatte hoeveelheid cocaïne die zou zijn verhandeld , waarna het wederrechtelijk verkregen voordeel op 141.500,00 is geschat.
De rechtbank is van oordeel dat de in de procesafspraken opgenomen herberekening in combinatie met het ontnemingsrapport een voldoende nauwkeurige schatting geeft van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank stelt derhalve het totale wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van 141.500,00.
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De rechtbank ziet geen redenen de op te leggen betalingsverplichting op een lager bedrag te stellen dan het hiervoor genoemde bedrag aan genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
141. 500,00 (zegge: honderd eenenveertig duizend vijfhonderd euro);
Legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
141.500,00 (zegge: honderd eenenveertig duizend vijfhonderd euro) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze uitspraak is gegeven door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. A. Kamphuis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 april 2026.
Mr. H. de Ruijter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.