RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde]
De vordering
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.124381.23
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 10 maart 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde
De officier van justitie heeft bij vordering van 22 januari 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht zal vaststellen op 123.976,68 en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het verloop van de procedure
Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026, gelijktijdig met het onderzoek van de strafzaak.
Op die zitting zijn gehoord veroordeelde, zijn raadsman mr. B. Hartman, advocaat te Diemen en de officier van justitie mr. R. Janssens.
Vervolgens is het onderzoek op 10 maart 2026 gesloten. Op diezelfde dag is uitspraak gedaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering tot ontneming voorgedragen en deze in het voordeel van veroordeelde bijgesteld tot een bedrag van 122.764,68. De officier van justitie is uitgegaan van een lager witwasbedrag dan oorspronkelijk in het ontnemingsrapport was berekend. Voor de leasekosten heeft de officier van justitie namelijk aansluiting gezocht bij scenario 2, in plaats van scenario 1 waarvan in de rapportage was uitgegaan.
Het standpunt van veroordeelde en zijn raadsman
De raadsman heeft primair, op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen. De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 10 maart 2026 in de zaak met parketnummer 18.124381.23 veroordeeld ter zake gewoontewitwassen
De ontnemingsmaatregel heeft een reparatoir karakter en beoogt de veroordeelde in de vermogenspositie te brengen waarin hij verkeerde vóór het plegen van het strafbare feit waaruit hij in de concrete omstandigheden daadwerkelijk voordeel heeft verkregen in de pleegperiode van 16 mei 2018 tot en met 22 november 2023.
De rechtbank is van oordeel dat uit het ontnemingsrapport aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten. Dat voordeel dient hem te worden ontnomen. In de ontnemingsrapportage is het wederrechtelijk voordeel van veroordeelde berekend aan de hand van een kasopstelling. Door middel van deze berekeningsmethode kan worden nagegaan of veroordeelde meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bron kunnen worden verantwoord. Is dit het geval, dan is sprake van onbekende contante ontvangsten en wordt het verschil verondersteld wederrechtelijk verkregen voordeel te zijn.
De rechtbank wijkt op twee punten af van de ontnemingsrapportage. Anders dan in de ontnemingsrapportage waarin bij de berekening van de leasekosten wordt uitgegaan van scenario 1, gaat de rechtbank uit van scenario 2. De rechtbank neemt overeenkomstig dit scenario de contant betaalde bedragen tot uitgangspunt, zoals vermeld in het bij het leasebedrijf aangetroffen handgeschreven betalingsoverzicht, nu dit overzicht het beste inzicht geeft in de feitelijke geldstroom. Voorts wijkt de rechtbank af van het in de rapportage gehanteerde bedrag voor de waarde van de merkkleding, omdat de rechtbank de getaxeerde waarde onvoldoende onderbouwd vindt. De rechtbank stelt de waarde van de merkkleding vast op 25.000, overeenkomstig het standpunt van de verdediging, en past de kasopstelling in zoverre aan.
De rechtbank komt tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op
108.817,00. De rechtbank zal de betalingsverplichting op hetzelfde bedrag vaststellen.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 108.817,00.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 108.817,00 (zegge: honderdachtduizend achthonderdzeventien euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. C. Brouwer en mr. S. Zoer, rechters, bijgestaan door mr. M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 maart 2026.