RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.105266.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I.M. Schaafsma.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 maart 2020 tot en met 1 maart 2023 te [plaats] , gemeente Westerkwartier tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van ongeveer 93, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor het feit, waarbij in ieder geval 93 hennepplanten zijn geteeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, met uitzondering van het medeplegen en de hoeveelheid van 93 hennepplanten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Partiële vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat het verweten medeplegen en de ten laste gelegde (specifieke) hoeveelheid van 93 hennepplanten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en zij zal verdachte daarom vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging. Ten aanzien van het medeplegen is uit procesdossier niet af te leiden dat er sprake zou zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen bij de hennepteelt, -bereiding en bewerking. Voor wat betreft de (specifieke) hoeveelheid van 93 hennepplanten volgt slechts uit het dossier dat tijdens de instap op 17 april 2023 op het grondzeil van de kweektent 93 afdrukken van kweekpotten zichtbaar waren, in een niet in werking zijnde hennepkwekerij. Hier kan echter niet uit worden geconcludeerd dat verdachte daadwerkelijk 93 hennepplanten heeft geteeld. Gelet op de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd is wel te bewijzen dat hij “een groot aantal” hennepplanten heeft geteeld.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode 1 maart 2020 tot en met 1 maart 2023 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt (in een pand aan [adres] ) een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van honderd uren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat voor verdachte, die first offender is, slechts de oplegging van een taakstraf passend is. Voor wat betreft de hoogte daarvan heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 januari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft op de zolderverdieping van zijn woning een hennepkwekerij gehad. In een periode van drie jaren heeft hij meerdere malen hennep geteeld en geoogst en vervolgens verkocht. Verdachte is met de exploitatie van de hennepplantage voorbijgegaan aan alle risicos die verbonden zijn aan de hennepteelt. De rechtbank doelt dan op de gezondheidsrisicos voor de individuele gebruikers van hennep, maar ook is algemeen bekend dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf zijn gezien de LOVS-oriëntatiepunten in beginsel passend voor dit soort feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte, waaruit volgt dat hij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de ouderdom van het feit en het overschrijden van de redelijke termijn (van twee jaar) waarbinnen strafzaken moeten worden afgedaan. Als startpunt van deze termijn neemt de rechtbank het verhoor van verdachte bij de politie op 24 april 2023. De overschrijding van de termijn bedraagt daardoor ruim negen maanden.
De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van honderd uren passend en geboden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, te meer omdat zij de kans dat verdachte in herhaling zal treden gering acht.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een taakstraf voor de duur van 100 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. L.M. Praamstra en mr. G. Veenstra, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.