RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde] ,
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.105266.23
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 6 februari 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 6 januari 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van 225.730,25 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.105266.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 23 januari 2026, waarbij aanwezig waren en zijn gehoord de officier van justitie, mr. I.M. Schaafsma, veroordeelde en diens raadsman, mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat door de officier van justitie wordt geschat op
225.730,25. Hierbij is de officier van justitie uitgegaan van de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (verder: het rapport).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op een bedrag van 15.000,-, volgend uit de verklaring van veroordeelde.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 6 februari 2026 in de zaak met parketnummer 18.105266.23 veroordeeld ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde in de periode van 1 maart 2020 tot en met 1 maart 2023 voordeel heeft verkregen uit de baten van dit door hem gepleegde strafbare feit.
De rechtbank zal, anders dan de officier van justitie, uitgaan van de verklaring van veroordeelde en niet het rapport als uitgangspunt nemen voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormeld strafbare feit wordt geschat. De rechtbank acht niet
aannemelijk dat veroordeelde buiten de bewezenverklaarde periode van 1 maart 2020 tot en met 1 maart 2023 wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit dat misdrijf of andere strafbare feiten.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
In het rapport is kort samengevat vastgesteld dat veroordeelde in de periode van 12 juli 2012 tot en met 17 april 2023 een (zeer) hoog elektriciteitsverbruik heeft gehad. Op basis van het elektriciteitsverbruik en het aantal afdrukken van kweekpotten op het grondzeil is gesteld dat aannemelijk is dat er sinds juli 2012 28 hennepkweken met telkens 93 planten zijn geweest en dat komt omgerekend na berekening (op basis van de gegevens in het rapport Functioneel Parket Afpakken, update 1 juni 2016) van de gemiddelde opbrengsten per oogst minus de kosten in de kweekruimte neer op een bedrag van 225.730,25 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
Veroordeelde heeft uitdrukkelijk ontkend zoveel voordeel te hebben genoten. Uit het procesdossier volgen bovendien contra-indicaties, waardoor naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is dat veroordeelde in de genoemde periode daadwerkelijk het in het rapport vermelde bedrag aan voordeel heeft genoten. Het onderzoek naar de financiële gegevens van veroordeelde over de jaren 2012 tot en met 2023 toont immers geenszins een buitengewoon uitgavenpatroon aan. Weliswaar heeft veroordeelde in de onderzochte periode giraal 38.618,- minder aan huishoudelijke uitgaven gedaan en 9.000,- meer aan vrijetijdsuitgaven besteed vergeleken met de Nibud-normen, maar dit girale tekort en deze overbesteding worden deels gedekt door de contante opnamen van in totaal 34.000,-. Daarnaast is niet gebleken dat veroordeelde in de periode van 2012 tot en met 2023 luxegoederen heeft gekocht of in zijn bezit heeft gehad.
Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen en bij gebrek aan andere concrete informatie zal de rechtbank aansluiten bij het door veroordeelde in zijn verklaringen genoemde bedrag van ongeveer 15.000,- .
Concluderend schat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel op 15.000,- en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro).
Legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 150 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. L.M. Praamstra en mr. G. Veenstra, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 februari 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.