RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde] ,
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/285502-23
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 27 maart 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna: “veroordeelde”.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 10 februari 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 22.174,40 ter ontneming van het uit het in de
zaak met parketnummer 18/285502-23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 maart 2026, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, mr. S. Broekstra, en de raadsman van veroordeelde,
mr. G. Meijer.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld moet worden op 22.174,40. Hiervan moet de materiële schade die is toegewezen aan de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] afgetrokken worden. Dit betreft een bedrag van in totaal 1.616,00. De betalingsverplichting komt daarmee uit op een bedrag van 20.558,40.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat ten aanzien van het geld dat op de bankrekening van [medeverdachte 1] is gestort het wederrechtelijk verkregen voordeel niet met voldoende zekerheid vastgesteld kan worden. Het gaat te ver om 80% van het totale bedrag toe te rekenen aan veroordeelde. Het wederrechtelijk voordeel dient beperkt te worden tot het geld dat is gestort op de bankrekeningen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
[slachtoffer 4] ;
6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 december 2022, opgenomen op pagina 95 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] ;
7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 april 2023, opgenomen op pagina 128 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2] ;
8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 mei 2023, opgenomen op pagina 139 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 3] .
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 27 maart 2026 in de zaak met parketnummer 18/285502-23 veroordeeld ter zake afpersing, meermalen gepleegd, afdreiging, meermalen gepleegd, en medeplegen van witwassen.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de door hem gepleegde strafbare feiten. Veroordeelde heeft een groot aantal slachtoffers bedreigd en gechanteerd en ze zo gedwongen tot het betalen van Tikkies. Het geld is vervolgens op verschillende bankrekeningen terechtgekomen. Het geld dat op de bankrekeningen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] is gestort, is vervolgens door veroordeelde van de rekening gepind. Het geld dat op de bankrekening van [medeverdachte 1] terecht is gekomen, is door [medeverdachte 1] gepind. Hiervan mocht [medeverdachte 1] 20% houden. De rest gaf hij aan veroordeelde.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit het onderzoek naar de bankrekening van [medeverdachte 1] is gebleken dat er in de periode 17 mei 2022 tot en met 30 juni 2022 door middel van 113 Tikkie betalingen in totaal 9.521,00 is bijgeschreven. In de periode van 30 juni 2022 tot en met 30 september 2022 is er door middel van 135 Tikkie betalingen in totaal 16.097,00 bijgeschreven. Het gaat dus in totaal om een bedrag van 25.618,00.
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van dit gehele bedrag vastgesteld kan worden dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Bij bijna alle bewezenverklaarde afpersingen en afdreigingen is gebruikt gemaakt van Tikkie betaalverzoeken. [medeverdachte 1] heeft daarnaast verklaard dat hij en veroordeelde heel veel mensen hebben opgelicht.
Van het totale bedrag heeft veroordeelde 80% gekregen. Dit komt uit op een bedrag van 20.494,40.
Op de bankrekening [bankrekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 2] is 270,00 betaald door aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] . Op de bankrekening [bankrekeningnummer 2] op naam van [medeverdachte 2] is 1.310,00 betaald door aangever [slachtoffer 3] . Tot slot is op de bankrekening [bankrekeningnummer 3] op naam van [medeverdachte 3] 100,00 betaald door aangever [slachtoffer 4] . Deze geldbedragen kunnen in zijn geheel toegerekend worden aan veroordeelde.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel komt daarmee uit op 22.174,40 ( 20.494,40 + 270,00 + 1.310,00 + 100,00).
Benadeelde partij
Op grond van artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht, om te voorkomen dat de veroordeelde hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen zou moeten terugbetalen. Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:3097) moet het gaan om onherroepelijk toegekende vorderingen.
Omdat nog geen sprake is van onherroepelijk in rechte toegekende vorderingen is er geen verplichting om deze in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal dat in dit geval wel doen.
In het vonnis zijn de volgende bedragen aan materiële schade toegekend: benadeelde partij [slachtoffer 1] : 316,00
benadeelde partij [slachtoffer 2] : 150,00
benadeelde partij [slachtoffer 3] : 1.150,00
Totaal : 1.616,00
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn weliswaar is overschreden, maar dat deze overschrijding al voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak aan de veroordeelde opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn. De rechtbank vindt daarin aanleiding in onderhavige ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.
Betalingsverplichting
De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op 20.558,40 ( 22.174,40 - 1.616,00) en zal derhalve aan veroordeelde de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de staat opleggen.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 22.174,40.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 20.558,40 (zegge: twintigduizend vijfhonderd achtenvijftig euro en veertig cent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 411 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en
mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 maart 2026.
mr. Van der Werff is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.