RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11593485 \ CV EXPL 25-1361
Vonnis van 4 december 2025
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
COEO SECURITISATION LIMITED,
gevestigd te Dublin, Ierland,
eisende partij,
gemachtigden: mr. L. van den Reek, mr. E.E. Neele en mr. T.G.F. Hatt.
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De verdere procedure
Op 4 september 2025 heeft de kantonrechter een tussenvonnis (hierna verder: het tussenvonnis) gewezen. Voor het verloop van de procedure wordt naar het tussenvonnis verwezen.
Bij akte van 30 oktober 2025 heeft eisende partij haar vordering nader toegelicht.
2. De verdere beoordeling
Ambtshalve toetsing van de kredietovereenkomst
In het tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld te onderbouwen of het in deze procedure gesloten krediet al dan niet onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e van het Burgerlijk Wetboek (BW) valt, en zich in het bijzonder uit te laten over het verdienmodel van de kredietverstrekker.
Eisende partij heeft aan de hand van omzetcijfers en onder verwijzing naar de Buy Now, Pay later-Gedragscode van 15 januari 2025 van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) toegelicht dat het verdienmodel van de kredietverstrekker is gebaseerd op de ontvangen vergoeding van verkopers die de mogelijkheid om uitgesteld te betalen aanbieden aan consumenten en advertentie-inkomsten, en niet op de verwachting dat consumenten hun verplichtingen niet nakomen en de daaraan verbonden rente en kosten van niet-nakoming. Eisende partij heeft verder inzichtelijk gemaakt dat consumenten eerst in de gelegenheid worden gesteld om hun betalingsverplichting zonder rente en kosten na te komen en dat er pas bij het niet-nakomen daarvan gaandeweg het incassotraject stapsgewijs (beperkt) buitengerechtelijke incassokosten in rekening worden gebracht. Als de consument de vordering niet betaalt, wordt de vordering op een gegeven moment gecedeerd aan een extern incassobureau zoals eisende partij. Pas dan wordt door dit externe incassobedrijf aanspraak gemaakt op de volledige buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente. De kredietverstrekker ontvangt deze kosten niet, tenzij de consument binnen 30 dagen na cessie van de vordering alsnog betaalt. Volgens eisende partij zijn de incassowerkzaamheden van de kredietverstrekker niet kostendekkend.
Naar oordeel van de kantonrechter heeft eisende partij voldoende onderbouwd dat de bedongen rente en buitengerechtelijke incassokosten geen deel uitmaken van het verdienmodel van de kredietverstrekker. Om die reden kan eisende partij een geslaagd beroep doen op de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e BW en moet dus worden geoordeeld dat het in deze procedure gesloten krediet géén consumentenkredietovereenkomst is als bedoeld in titel 2A van boek 7 BW. Aan de consumentenbeschermende bepalingen van die titel hoeft dus niet te worden getoetst.
Ambtshalve toetsing van de koopovereenkomst
Het krediet vond zijn oorsprong in een consumentenkoopovereenkomst gesloten op afstand tussen gedaagde partij en de handelaar, die zijn vordering op gedaagde partij heeft overgedragen aan eisende partij. De handelaar moet in dit geval voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van artikelen 6:230m en 6:230v BW.
In deze procedure moet eisende partij gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan de essentiële informatieplichten is voldaan. De kantonrechter moet vervolgens ambtshalve onderzoeken of aan de plichten is voldaan, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n informatieplicht moet de rechter een sanctie toepassen (zie het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677).
De rechtbanken hebben naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad voor de schending van de essentiële informatieverplichtingen een sanctierichtlijn opgesteld (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Deze sanctierichtlijn houdt samengevat in dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met een bepaald percentage afhankelijk van het aantal voldoende ernstige schendingen. Bij de precontractuele informatieverplichtingen geldt dat meerdere voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieverplichtingen die onder dezelfde letter van artikel 6:230m lid 1 BW vallen samen worden geteld als één schending. Eventuele schendingen van de verplichting om de informatie te bevestigen op een duurzame gegevensdrager worden gerekend als één schending.
De bestelknop; de informatieverplichting van artikel 6:230v lid 3 BW
Volgens artikel 6:230v lid 3 BW moet de handelaar het elektronische bestelproces zo inrichten dat de consument een aanbod pas kan aanvaarden als hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat zijn bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Als gebruik wordt gemaakt van een bestelknop of een soortgelijke functie, moet deze een ondubbelzinnige formulering bevatten die goed leesbaar is en waaruit blijkt dat het plaatsen van een bestelling een betalingsverplichting ten opzichte van de handelaar inhoudt.
Overige essentiële (pre)contractuele informatieplichten; artikel 6:230m lid 1 BW
Volgens artikel 6:230m lid 1 BW moet de handelaar de consument voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze informeren over (in dit geval): de kenmerken van het product (sub a), de identiteit van de handelaar (sub b), de contactinformatie van de handelaar (sub c), de prijs van het product (sub e), de wijze van betaling en levering inclusief de leveringstermijn (sub g) en het recht van ontbinding van de overeenkomst (sub h). Voor zover van toepassing, moet de handelaar de consument ook informeren over de duur van de overeenkomst en de voorwaarde van opzegging (sub o) en de minimumduur waarbinnen de consument niet kan opzeggen (sub p). De handelaar moet deze informatie vervolgens bevestigen op een duurzame gegevensdrager. Een duurzame gegevensdrager betekent dat de consument de informatie eenvoudig moet kunnen bewaren, zoals bijvoorbeeld een e-mail of een brief.
Hierna zal worden beoordeeld of aan de informatieverplichtingen is voldaan. Alleen als er sprake is van een voldoende ernstige schending van een informatieverplichting, zal die informatieverplichting hierna worden besproken.
Er is niet voldaan aan de informatieverplichting van artikel 6:230v lid 3 BW
De consument is de bestelling aangegaan door middel van een bestelknop. Eisende partij heeft niet aangetoond dat de tekst op de knop voldoet aan de eisen van de wet. Uit de tekst op de knop zelf moet namelijk blijken dat de consument uitdrukkelijk erkent dat hij met het klikken op die knop een betalingsverplichting aangaat. Er mag geen acht worden geslagen op de verdere omstandigheden van het bestelproces. Een eventuele vermelding dat de consument een betalingsverplichting aangaat anders dan op de knop zelf, is onvoldoende. De kantonrechter is daarom van oordeel dat artikel 6:230v lid 3 BW is geschonden.
De bevestiging van de informatie op een duurzame gegevensdrager
de wijze van levering inclusief de leveringstermijn
Op grond van artikel 6:230m lid 1 onder g in combinatie met artikel 6:230v lid 7 BW moet de wijze van levering en de verwachte levertermijn aan de consument worden verstrekt op een duurzame gegevensdrager. Aan deze verplichting kan ook worden voldaan door het sturen van een track-and-trace-code of een hyperlink. Eisende partij heeft niet aangetoond dat hieraan is voldaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat bij de bevestiging van de informatie artikel 6:230m lid 1 onder g BW is geschonden.
het ontbindingsrecht
Op grond van artikel 6:230m lid 1 onder h in combinatie met artikel 6:230v lid 7 BW moet het recht van de consument om de overeenkomst binnen 14 dagen te ontbinden worden bevestigd op een duurzame gegevensdrager. Uit de tekst moet duidelijk blijken dat de consument het recht heeft te ontbinden, binnen welke termijn de consument mag ontbinden en op welke wijze de consument van het recht gebruik kan maken. Daarnaast moet het modelformulier worden bijgevoegd, eventueel in de vorm van een hyperlink die direct naar het formulier verwijst. Eisende partij heeft niet aangetoond dat deze informatie op een duurzame gegevensdrager aan de consument is verstrekt. De kantonrechter is daarom van oordeel dat bij de bevestiging van de informatie artikel 6:230m lid 1 onder h BW is geschonden.
Conclusie essentiële informatieverplichtingen
De kantonrechter zal op grond van de hiervoor vastgestelde schending(en) van informatieverplichtingen de overeenkomst met toepassing van de sanctierichtlijn gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met 40%. Er is in dit geval namelijk sprake van minder dan drie voldoende ernstige schendingen én een onjuiste bestelknop.
Dat betekent dat gedaagde partij in totaal een bedrag van € 356,89 aan eisende partij verschuldigd is (60% van € 594,81). De betaling van € 20,00 strekt in mindering op de hoofdsom, zodat € 336,89 aan hoofdsom toewijsbaar is.
Eisende partij heeft recht op buitengerechtelijke kosten op basis van de toewijsbare hoofdsom. Daarom is € 50,53 aan buitengerechtelijke kosten toewijsbaar.
De gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen, omdat eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf 3 februari 2025.
De vordering wordt met inachtneming van het bovenstaande toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Het beroep op artikel 29 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
Eisende partij heeft de kantonrechter op grond van artikel 29 Rv verzocht uitsluitend geanonimiseerde afschriften of uittreksels te verstrekken aan derden, dan wel om uitsluitend een geanonimiseerde versie van dit vonnis openbaar te maken. De kantonrechter begrijpt dat eisende partij concurrentiegevoelige en financiële gegevens niet zonder meer in de openbaarheid wil brengen. De overwegingen in dit vonnis zijn, voor zover deze zien op die gegevens, algemeen van aard en bevatten geen cijfers of andere financiële gegevens of kengetallen. De kantonrechter ziet daarom geen reden voor het anonimiseren van deze uitspraak bij de publicatie anders dan is bepaald in de Pseudonimiseringsrichtlijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. De andere verzoeken van eisende partij die betrekking hebben op kennisname van concurrentiegevoelige en financiële gegevens door gedaagde partij en/of het houden van een mondelinge behandeling achter gesloten deuren hoeven geen verdere bespreking omdat gedaagde partij niet is verschenen, daardoor geen afschrift van de akte van eisende partij heeft ontvangen en er geen mondelinge behandeling is gehouden.
Proceskosten
Gedaagde partij wordt (grotendeels) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Het te vergoeden griffierecht zal lager worden vastgesteld dan het door eisende partij betaalde griffierecht, omdat de toegewezen hoofdsom in een lagere tariefcategorie valt dan de gevorderde hoofdsom. De nakosten worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde partij tot betaling aan eisende partij van het bedrag van € 387,42, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 336,89 vanaf 3 februari 2025 tot de dag van betaling;
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten, aan de kant van eisende partij tot vandaag begroot op:
verklaart dit vonnis waar het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.