RECHTBANK ROTTERDAM
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige kamer
Reg.nr.: Awb 07/2661 T2
Uitspraak in het geding tussen
V.O.F. Verbree & Partners, te Zeist, eiseres,
gemachtigde J.W. Lucassen,
en
Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerder, gemachtigde
1 Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 26 april 2007 heeft verweerster eiseres vergunning verleend als bedoeld in artikel 2:80 van de Wet op het financieel toezicht voor bemiddeling in levensverzekeringen en hypothecair krediet. In dit besluit is een voetnoot opgenomen, die er eiseres op wijst dat zijn in gevolge voornoemde wet voor 1 oktober 2007 nog nadere diploma’s dient te halen.
Eiseres heeft bij brief, gedateerd 24 mei 2007, een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 20 juni 2007 heeft verweerster dit bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar zich richtte op de inhoud van de voetnoot. Naar de mening van verweerster is er in zoverre geen sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb).
Van laatstgenoemd besluit is eiseres bij deze rechtbank in beroep gekomen
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 16 oktober 2007 het beroep van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is overwogen dat verweerster uit inhoud en strekking van het bezwaarschrift had moeten afleiden dat het hierbij tevens ging om een primair verzoek om ontheffing van de per 1 oktober 2007 geldende deskundigheidseisen.
Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroepschrift van eiseres, gelet op het bepaalde in artikel 6:2, onderdeel a, van de Awb als een bezwaarschrift moet worden opgevat en als zodanig door verweerster in behandeling moet worden genomen.
Verweerster is van deze uitspraak in verzet gekomen.
De behandeling hiervan heeft plaatsgevonden ter zitting van 23 januari 2008. Partijen hebben hier bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader toegelicht.
2 Overwegingen
Ter zitting hebben partijen er mee ingestemd om tot een definitief oordeel in dit geschil te komen.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerster eiseres in haar bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit het bezwaarschrift blijkt immers – en zulks is ter zitting ook nog eens uitdrukkelijk namens eiseres bevestigd – dat die bezwaren zich uitsluitend richten tegen de inhoud van voornoemde voetnoot. Aangezien die voetnoot louter informatie bevat is er geen sprake van een besluit in de zin van de Awb.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerster uit dit bezwaarschrift geen (impliciet) verzoek om ontheffing heeft kunnen afleiden. Inhoud en strekking van het bezwaarschrift geven daartoe geen aanleiding. De rechtbank laat bij dit oordeel meewegen dat eiseres, gelet op haar werkzaamheden, actief deelneemt aan het handels- en rechtsverkeer, zodat van haar mag worden verwacht dat een verzoek om ontheffing ook als zodanig wordt geformuleerd.
Uit het voorgaande volgt dat het beroepschrift van eiseres – anders dan in de uitspraak van 16 oktober 2007 - niet alsnog tot bezwaarschrift wordt getransformeerd. Voor de eerder opgedragen heroverweging bestaat daarom niet langer grondslag..
De rechtbank komt tot de slotsom dat het verzet van verweerster gegrond is en dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard
3 Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het verzet van verweerster gegrond
verklaart het beroep van eiseres ongegrond..
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Damsteegt, rechter en door deze en C.A. Lodders, griffier, ondertekend.
De griffier: De rechter:
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2008
Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.
Afschrift verzonden op: