Rechtbank Rotterdam
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/4085
tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2020 in de zaak tussen
gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht, verweerder,
gemachtigde: mr. J.V. Dieckmann.
Procesverloop
Bij besluit van 5 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand en het griffierecht afgewezen.
Bij besluit van 8 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering. Zij is een beroepsprocedure gestart tegen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in verband met het verkrijgen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor haar minderjarige zoon. Zij heeft bij verweerder een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand (€ 145,-) en het griffierecht (€ 174,-), die zij moet betalen in verband met de beroepsprocedure tegen de IND.
2. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat de kosten van een nareisprocedure van een gezinslid geen noodzakelijke kosten van het bestaan van eiseres zelf zijn. De kosten hebben volgens verweerder betrekking op de zoon van eiseres en hij valt, omdat hij niet in Nederland woont, niet onder de definitie van kind, zoals genoemd in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Participatiewet (Pw). Voor hem kan dan ook geen bijstand verleend worden (het territorialiteitsbeginsel).
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar zoon wettelijk vertegenwoordigt, dat de toevoeging op haar naam gesteld is, dat zij zelf procespartij is bij de beroepsprocedure tegen de IND en dat haar zoon deze procedure als minderjarige niet zelf kan voeren. Dit maakt, in tegenstelling tot wat verweerder betoogt, dat de kosten wel betrekking hebben op eiseres zelf. De door verweerder aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 15 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK9128) leidt niet tot een ander oordeel, nu de kosten waarvoor in die zaak bijzondere bijstand was aangevraagd, in tegenstelling tot deze zaak, betrekking hadden op een persoon die zelf geen recht op bijstand had. De door verweerder aangehaalde uitspraak van de Raad van 19 augustus 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2782), leidt evenmin tot een ander oordeel. In die zaak ging het, in tegenstelling tot deze zaak, om procedures die waren gevoerd op naam van de in het buitenland verblijvende vrouw en kinderen, die geen recht op bijstand hadden. De voor die procedures verstrekte toevoegingen stonden ook uitsluitend op hun naam en de aanvrager kon, in tegenstelling tot deze zaak, die procedures niet op zijn naam voeren en uitsluitend als referent voor zijn vrouw en kinderen worden beschouwd. Deze omstandigheden maakten volgens de Raad dat het niet ging om kosten van de aanvrager zelf.
4. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de kosten waarvoor eiseres bijzondere bijstand heeft aangevraagd geen noodzakelijke kosten van het bestaan van eiseres zijn. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 35 van de Pw.
5. Voor de toekenning van bijzondere bijstand is volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3647) niet alleen bepalend is of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen en of de kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn. Ook dient te worden beoordeeld of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en of deze kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Over dit laatste hebben partijen zich nog niet uitgelaten. Daarom ziet de rechtbank geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien en doet zij een tussenuitspraak om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek in de besluitvorming te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
6. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat zo spoedig mogelijk mededelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
7. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. H. de Vries, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 7 januari 2020.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.