Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/4085
gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht, verweerder,
gemachtigde: mr. J.V. Dieckmann.
Procesverloop
Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 7 januari 2020 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 8 juli 2019 (het bestreden besluit) in strijd is met artikel 35 van de Participatiewet (PW) en heeft zij verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.
Bij brief van 20 januari 2020 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.
Hierbij sluit de rechtbank het onderzoek.
Overwegingen
1. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij het bestreden besluit. Verweerder moet opnieuw beslissen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van wat in de tussenuitspraak en deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt verweerder daarvoor een termijn van zes weken.
2. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 5 maart 2019 met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. H. de Vries, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 28 januari 2020.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 7 januari 2020 kan binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.