RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
Dienst Toeslagen
de Staat der Nederlanden (de Staat).
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/6946
(gemachtigde: mr. J. de Back)
en
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),
en
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte geoordeeld dat er bij uitvoering van de kinderopvangtoeslag van eiser geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Eiser is vooringenomen behandeld en het is aannemelijk dat hij van 1 januari tot en met 17 mei 2011 ook kinderopvang heeft genoten. Eiser heeft daarom alsnog recht op compensatie voor dit jaar. Het beroep is gegrond.
Procesverloop
2. Met een besluit van 1 juni 2022 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van eiser om compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, toegewezen.
Met een besluit van 8 juni 2022 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van de partner van eiser om compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, toegewezen.
Eiser en zijn partner hebben gezamenlijk bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 1 juni 2022 en 8 juni 2022.
Eiser en zijn partner hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de besluiten van 1 juni 2022 en 8 juni 2022.
Met het besluit van 9 februari 2024 (het bestreden besluit 1) heeft de Dienst Toeslagen beslist op het bezwaar van eiser en zijn partner gezamenlijk en het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser en zijn partner hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1.
De Dienst Toeslagen heeft met het besluit van 22 mei 2024 (het bestreden besluit 2) het besluit van 9 februari 2024 herzien en het bezwaar van eiser en zijn partner gegrond verklaard. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit 2.
De rechtbank heeft eiser en zijn partner verzocht te reageren op het bestreden besluit 2. Dat hebben eiser en zijn partner gedaan bij brief van 20 augustus 2025. De partner van eiser heeft laten weten dat zij een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met tussenkomst van de Stichting Gelijkwaardig Herstel en dat zij haar beroep als gevolg daarvan intrekt. De rechtbank behandelt daarom alleen nog het beroep van eiser.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn partner, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser en zijn partner hebben twee kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 2008 en [geboortedatum 2] 2009. Zij hebben op 31 januari 2020 en 1 februari 2020 afzonderlijk van elkaar een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. De partner van eiser heeft dit gedaan voor de jaren 2008 tot en met 2010 en 2015 tot en met 2018. Eiser heeft dit gedaan voor de jaren 2011 tot en met 2013.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met de besluiten zoals vermeld in 2. en 2.1 van het procesverloop is aan eiser en aan zijn partner compensatie toegekend wegens gemaakte fouten bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag met betrekking tot (gedeelten) van de toeslagjaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013. Hoewel eiser en zijn partner toeslagpartners zijn en dit ook gedurende het ontvangen van kinderopvangtoeslag waren, hebben zij ten onrechte beide het forfaitaire bedrag van € 30.000 ontvangen. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wht had het forfaitaire bedrag alleen toegekend moeten worden aan de ouder waar als eerste recht op het forfaitaire bedrag is vastgesteld. Aan de andere ouder had € 10.000,- toegekend moeten worden. De Dienst Toeslagen heeft, kort gezegd, de compensatiebedragen met elkaar verrekend omdat dit bij elkaar opgeteld op minder dan de al eerder toegekende € 60.000,- gezamenlijk uitkwam. Hierdoor heeft de Dienst Toeslagen € 7.647,- minder compensatie toegekend aan eiser dan waar hij recht op zou hebben.
Met het bestreden besluit 2 is de Dienst Toeslagen teruggekomen op de verrekening van compensatie en heeft zij zowel voor eiser als voor zijn partner individueel het recht op compensatie berekend, met als gevolg dat beiden een nabetaling krijgen. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit 2.
5. Eiser heeft in eerste instantie beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. De Dienst Toeslagen heeft op 9 februari 2024 alsnog op de bezwaren van eiser beslist, welk besluit in deze beroepsprocedures in het geding is gebracht. Hieruit volgt dat eiser niet langer een procesbelang heeft bij zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, is daarom niet-ontvankelijk. Omdat de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser in het bestreden besluit 2 alsnog gegrond heeft verklaard, moet het beroep reeds om die reden gegrond worden verklaard.
6. Wat nu nog tussen partijen in geschil is, is de vraag of eiser recht heeft op compensatie vanwege vooringenomenheid voor de periode tussen 1 januari 2011 en 17 mei 2011 (voor gemiste kinderopvangtoeslag in deze periode). Voor het jaar 2011 is reeds compensatie (in de vorm van matiging van de terugvordering over dat jaar tot nihil) toegekend op basis van hardheid van het stelsel. Die hardheid is vastgesteld omdat eiser er destijds niet op de hoogte kon zijn dat de kinderopvanginstelling tot 8 juni 2011 niet LRK-geregistreerd was.
Heeft eiser recht op compensatie op basis van individuele vooringenomenheid over de periode van 1 januari 2011 tot en met 17 mei 2011?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat er ten onrechte geen compensatie op basis van vooringenomenheid is toegekend voor deze periode. Primair stelt eiser dat de stopzetting van kinderopvangtoeslag op 4 november 2010 niet door eiser of zijn partner is doorgevoerd en dus vooringenomen is geweest. Als gevolg daarvan is de kinderopvangtoeslag in 2011 ten onrechte niet automatisch gecontinueerd. Subsidiair stelt eiser dat hij en zijn partner vanaf het begin af aan, en ook in het ouderverhaal, hebben verklaard dat de kinderopvang is doorgelopen vanaf 1 december 2010 en dat er dus vanaf 1 januari 2011 al sprake was van opvang. Ook hebben zij daarvan in de bezwaarprocedure nog aanvullend bewijs geleverd, in de vorm van correspondentie met de toenmalige gastouder. Het niet toekennen van kinderopvang over de periode tussen 1 januari 2011 en 17 mei 2011 is daarom vooringenomen geweest en hierdoor dient eiser in zijn visie gecompenseerd te worden.
De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het stopzetten van de kinderopvangtoeslag per 4 november 2010 vooringenomen is geweest. Er is geen bewijs in het dossier dat de Dienst Toeslagen verantwoordelijk is geweest voor de stopzetting per 4 november 2010, dus de toeslag moet door de partner van eiser zijn stopgezet. Er zijn ook geen bewijstukken die aantonen dat in de periode vóór 18 mei 2011 sprake is geweest van gekwalificeerde kinderopvang. Het door eiser overgelegde bewijs in de vorm van een mailwisseling met een gastouder uit januari 2011 is onvoldoende om aan te nemen dat er toch gekwalificeerde kinderopvang is afgenomen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 17 mei 2011. Er zijn geen jaaropgaven van de kinderopvanginstelling overgelegd waaruit dit blijkt. Het niet automatisch continueren van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2011 is het gevolg van het stopzetten van de toeslag per 4 november 2010 en dit is geen kenmerk van institutionele vooringenomenheid.
Voor de beoordeling van het beroep is het volgende van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. Bij institutionele vooringenomenheid gaat het erom dat toeslagen collectief werden stopgezet bij een bepaalde groep ouders, dat informatie te breed of juist niet werd uitgevraagd, dat dossiers met een zerotoleranceaanpak werden onderzocht, en dat de kleinste onregelmatigheden leidden tot het afwijzen of reduceren van een aanspraak op kinderopvangtoeslag. Bij de beoordeling van institutionele vooringenomenheid gaat het om het in samenhang voorkomen daarvan in een dossier van een belanghebbende. Ouders hebben door de
institutionele vooringenomenheid niet de rechtsbescherming en zorgvuldige behandeling ontvangen die zij van de overheid mochten verwachten.
In het Handboek Integrale Beoordeling (het Handboek), waarin de Dienst Toeslagen zijn beleid heeft vastgelegd, staat beschreven hoe wordt beoordeeld in welke situaties een aanvrager recht heeft op compensatie. Verder is van belang dat de compensatie niet wordt toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind waarvoor toeslag is aangevraagd niet blijkt te bestaan, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens, of in het geheel geen opvang heeft genoten.
De vraag is op grond waarvan de rechtbank tot haar oordeel komt of er wel of niet institutioneel vooringenomen is gehandeld. Volgens de toelichting op de Wht wordt het recht op een herstelmaatregel zoveel mogelijk vastgesteld op grond van de informatie die binnen de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen voorhanden is, en is het uitgangspunt dat het verhaal van de ouder tevens leidend is. Nadere (bewijs)stukken kunnen de aannemelijkheid van het verhaal van de ouder in voorkomende twijfelgevallen vergroten.
Uit het Handboek volgt dat Dienst Toeslagen het verhaal van de ouder in de beoordeling van het verzoek om compensatie meeneemt. Wanneer het verhaal van de ouder niet aansluit bij de feiten, wordt gekeken naar de aannemelijkheid van het verhaal van de ouder en moet dat bij het besluit worden meegewogen.
Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt. Op onderdelen komt het verhaal van eiser in dit geval niet overeen met hetgeen uit het dossier van Dienst Toeslagen blijkt. Daarbij speelt een rol dat het dossier weliswaar omvangrijk is, maar dat uit het ‘invulformulier herstel toeslagen’ blijkt dat sommige informatie niet terug te vinden is in de systemen. Ook speelt een rol dat de situatie van eiser en zijn partner complex is (er is afwisselend door beiden kinderopvangtoeslag aangevraagd en er is gebruik gemaakt van verschillende kinderopvanginstellingen). De rechtbank beoordeelt in die omstandigheden de aannemelijkheid van het verhaal van eiser tegen de achtergrond en in combinatie met de wél bekende feiten en omstandigheden.
In dit geval betekent dit het volgende. De rechtbank leidt uit het verhaal van eiser, in combinatie met de stukken van het dossier af dat er doorlopend door hem en door zijn partner is gewerkt, zowel vóór, tijdens als na de periode tussen 1 januari 2011 en 17 mei 2011. Dat brengt mee dat aannemelijk is dat er daardoor kinderopvang (en dus ook kinderopvangtoeslag) nodig was voor de tussenliggende periode tussen 1 januari 2011 en 17 mei 2011. Eiser en zijn partner hebben dit ook verklaard in het ouderverhaal. Om dit te onderbouwen heeft eiser correspondentie met een gastouder overlegd uit januari 2011, die vanaf eind 2010 de kinderopvang verzorgde. Daarnaast is aan de hand van een ‘formulier kinderopvang opgeven, wijzigen of stopzetten’ (wijzigingsformulier) gebleken dat eiser kinderopvangtoeslag aan heeft willen vragen per 1 januari 2011. Dit wijzigingsformulier, dat dateert van 27 juli 2011 en waarin de aanvraag dus is gewijzigd naar 1 januari 2011, zat niet in het bezwaardossier en is door eiser zelf ingebracht. De Dienst Toeslagen heeft kennelijk als gevolg van deze doorgegeven wijziging geen actie ondernomen of stukken opgevraagd of anderszins onderzocht waar deze wijziging op zag. Hierbij speelt voor de rechtbank tenslotte een rol dat de omstandigheid, dat de opvang in deze periode niet LRK-geregistreerd was, ook in de visie van Dienst Toeslagen, eiser niet valt te verwijten. Hij was er immers niet van op de hoogte dat de gastouderopvang pas met ingang van 8 juni 2011 was geregistreerd en had dit ook niet kunnen zijn, gelet op het feit dat eiser en zijn partner hier pas op 11 april 2012 een brief over gekregen hebben. Dienst Toeslagen heeft deze late berichtgeving hierover zelf als onzorgvuldig jegens eiser beschouwd, omdat eiser hierdoor ook niet de mogelijkheid gehad om de kinderen bij een andere kinderopvang (die wel geregistreerd stond) aan te melden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in deze omstandigheden voldoende aannemelijk gemaakt dat hij gebruik heeft gemaakt van kinderopvang in de periode tussen 1 januari 2011 en 17 mei 2011 en dat hiervoor geen kinderopvangtoeslag is toegekend als gevolg van vooringenomenheid. Verder blijkt niet uit het dossier dat er sprake is van de situatie dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond of sprake is een andere ernstige onregelmatigheid waardoor er geen recht bestaat op compensatie. Eiser heeft daarom recht op compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wht over de periode van 1 januari 2011 tot en met 17 mei 2011.
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De Dienst Toeslagen moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak.
Heeft eiser recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
8. Ter zitting heeft eiser verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Als uitgangspunt is de redelijke termijn twee jaar, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Dienst Toeslagen tot de uitspraak van de rechtbank. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.
Het bezwaarschrift is ontvangen op 12 juli 2022. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn afgerond met 1 jaar en 5 maanden overschreden
De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Omdat de redelijke termijn met afgerond 17 maanden is overschreden, heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 1.500,-. De bezwaarfase mocht zes maanden duren. De uitspraak op bezwaar is bekendgemaakt op 9 februari 2024, afgerond 19 maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor 13/17e deel toe te rekenen aan de Dienst Toeslagen. Het restant van de overschrijding wordt toegerekend aan de Staat. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 1.147,06 aan eiser moet betalen. De Staat moet € 352,94 betalen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar van eiser, is niet-ontvankelijk, omdat de Dienst Toeslagen inmiddels een besluit heeft genomen waarin op het bezwaar is beslist. Omdat het besluit is genomen nadat eiser beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, zal de rechtbank de Dienst Toeslagen wel veroordelen in de proceskosten die betrekking hebben op het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de zaak, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, van licht gewicht is, omdat het beroep in zoverre alleen zag op de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Voor het overige is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de Wht en kan niet in stand blijven. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat de berekening van de hoogte van de compensatie te ingewikkeld is. De Dienst Toeslagen zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak.
Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen daarnaast in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50,- (1 punt voor het indienen van het aanvullend beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het geven van schriftelijke inlichtingen, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
Eiser heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,25). Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de Dienst Toeslagen als de Staat is toe te rekenen, moeten beiden hiervan de helft betalen.
De slotsom is dat de Dienst Toeslagen in totaal € 2.834,38 (€ 453,50 + € 2.267,50 + € 113,38) aan proceskostenvergoeding aan eiser moet betalen en de Staat € 113,37.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor het overige gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 2 voor zover daarin is beslist om geen compensatie aan eiser toe te kennen vanwege vooringenomenheid met betrekking tot de periode van 1 januari 2011 tot en met 17 mei 2011;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van € 1.147,06 aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van € 352,94 aan eiser;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.834,38;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,37.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.