ECLI:NL:RBZWB:2022:6093

ECLI:NL:RBZWB:2022:6093, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20-10-2022, 20/5590

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 20-10-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/5590
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Breda
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:824
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002740

Samenvatting

Overdrachtsbelasting. In geschil is of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de WBR van toepassing is op de verkrijging van aandelen door een rechtspersoon van een andere rechtspersoon. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de stelling van belanghebbende dat door de rechtspersonen heen gekeken moet worden, geen steun in het recht. Er is geen aanleiding om de kring van subjecten ruimer op te vatten. De vrijstelling is niet van toepassing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 20/5590

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2022 in de zaak tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. E.C.H.M. van Vlerken),

en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

1. Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 februari 2020.

Belanghebbende heeft op 4 november 2019 een bedrag van € 69.960 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening op aangifte ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Zowel belanghebbende als de inspecteur hebben voorafgaand aan de zitting een pleitnota overgelegd.

De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

2. Feiten

De heer [X] bezit de certificaten van alle aandelen in [BV 1] . Deze vennootschap bezit alle aandelen in [BV 2] ( [BV 2] ).

[BV 2] kwalificeert als een onroerendezaakrechtspersoon in de zin van artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR).

Op 23 september 2019 zijn de aandelen die [BV 1] houdt in [BV 2] omgezet in cumulatief preferente aandelen. Tevens zijn op die datum nieuwe, gewone aandelen in [BV 2] uitgegeven aan belanghebbende. Vanwege het gehouden belang in [BV 2] , kwalificeren [BV 1] en belanghebbende tevens als onroerendezaakrechtspersoon in de zin van artikel 4 van de WBR.

De aandelen in belanghebbende zijn in gelijke verhouding in het bezit van de drie kinderen van de heer [X] .

3. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank beoordeelt of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de WBR van toepassing is op de verkrijging van de gewone aandelen in [BV 2] door belanghebbende. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een kwalificerende vervreemder en een kwalificerende verkrijger. De rechtbank beoordeelt dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

De rechtbank is van oordeel dat de vrijstelling niet van toepassing is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de WBR is – voor zover hier relevant – onder algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden van de belasting vrijgesteld de verkrijging door een of meer kinderen van een ondernemer van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan diens onderneming die wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een onderneming die door de verkrijger wordt voortgezet. Ook is niet in geschil dat op basis van de letterlijke tekst van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de WBR de vrijstelling niet van toepassing is.

Belanghebbende stelt dat de vrijstelling daarentegen wel toegepast moet worden en verwijst daartoe onder andere naar de doorkijkarresten, met name naar het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2018 en de bijbehorende conclusie van de Advocaat-Generaal. De inspecteur betwist dat de vrijstelling toegepast kan worden, omdat volgens hem geen sprake is van een voor de vrijstelling kwalificerende vervreemder en verkrijger.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de stelling van belanghebbende geen steun in het recht. Rechtspersonen behoren niet tot de kring van personen zoals genoemd in onderdeel b van de vrijstelling. Er is naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanleiding om die kring van subjecten ruimer op te vatten zoals belanghebbende bepleit. Het beroep op het arrest van 30 november 2018 gaat daarvoor niet op, omdat daar sprake was van natuurlijke personen als vervreemder en verkrijger. De Hoge Raad heeft in dat geval geoordeeld dat gekeken moet worden door de vennootschap die werd overgedragen. Er is in de daarbij door de Hoge Raad aangehaalde arresten niet overwogen dat ook door de vervreemder of verkrijger gekeken zou kunnen of moeten worden. De overdracht van een onroerendezaakrechtspersoon tussen rechtspersonen of tussen natuurlijke personen zijn naar het oordeel van de rechtbank wezenlijk andere situaties. De doorkijkarresten bieden geen aanknopingspunt voor het in zijn geheel wegdenken van alle rechtspersonen betrokken bij de transactie zoals belanghebbende bepleit. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vrijstelling niet van toepassing is op de verkrijging van de aandelen in [BV 2] door belanghebbende.

4. Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat terecht overdrachtsbelasting is voldaan op aangifte. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

5. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. drs. P.E.C. Vossenberg, rechters, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.A.J. Bastiaansen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2022/2140 V-N Vandaag 2022/2676 NTFR 2022/3756 met annotatie van mr. W. Verstijnen V-N 2023/2.2.6 Notamail 2022/255 Viditax (FutD) 2022102603 FutD 2022-2931
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?