beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/435805 / FA RK 25-2684
Datum uitspraak: 7 november 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een geschil in het kader van artikel 1:253a BW
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats 1] (Noorwegen),
advocaat: mr. A.H. van Haga in Den Haag,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. J.J. Geuze in Best,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] (Noorwegen) op [geboortedag 1] 2016, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] (Noorwegen) op [geboortedag 2] 2020, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- het op 26 mei 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F2-formulier van 23 juni 2025 van mr. Geuze;
- het F9-formulier met bijlage van 30 juni 2025 van mr. Geuze;
- de berichten van 30 juni 2025 en 18 juli 2025 van mr. Van Haga, over de planning van de mondelinge behandeling;
- het F9-formulier met bijlage van 4 september 2025 van mr. Van Haga;
- het op 23 september 2025 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlagen van 30 september 2025 van mr. Van Haga, zijnde producties 22 tot en met 26;
- het bericht van de griffier van 2 oktober 2025 omtrent de vertaling van overgelegde producties;
- de F9-formulieren met bijlagen van 8 oktober 2025 van mr. Van Haga, zijnde producties 27 en 28 en een vertaling van productie 25;
Tevens bestaat het procesverloop uit de volgende, na de mondelinge behandeling ontvangen stukken:
- het F4-formulier van 27 oktober 2025 van mr. Van Haga;
- het F9-formulier met bijlage van 3 november 2025 van mr. Van Haga, betreffende de geboorteakten van de minderjarigen.
Op 9 oktober 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de verzoeken behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren. Bij die behandeling zijn aanwezig de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Noorse taal. Ook is aanwezig de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens is verschenen een medewerkster namens de Raad.
De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief aan de kinderrechter. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn onder andere [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. Zij zijn beide geboren in Noorwegen.
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vrouw.
Partijen hebben samen een ander minderjarig kind, te weten [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2012 te [geboorteplaats 2] (Noorwegen). Zij woont bij de man in Noorwegen.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de man hebben de Noorse nationaliteit, de vrouw in ieder geval de Nederlandse.
3. De verzoeken
De man verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen van partijen (de rechtbank begrijpt hier steeds: [minderjarige 1] en [minderjarige 2]) bij de man te bepalen in Noorwegen met ingang van het aankomende schooljaar (18 augustus 2025) en in dat kader te bepalen dat de vrouw de kinderen aan de man dient af te geven voorafgaande aan de ingang van dat schooljaar;
II. te bepalen dat er contact zal zijn tussen de vrouw in de kinderen gedurende drie weken in de zomervakantie in Noorwegen tussen partijen nader vast te stellen, waarbij de kinderen in Noorwegen dienen te blijven met de vrouw, alsmede te bepalen dat er gedurende drie maal per kalenderjaar contact kan zijn tussen de vrouw en de kinderen, in overleg nader te bepalen, indien de vrouw naar Noorwegen komt
III. te bepalen dat de vrouw kan videobellen met de kinderen op woensdagavond en
zaterdagavond 18.00 uur;
IV. te bepalen dat de man de vrouw maandelijks, te beginnen vóór de eerste van de maand volgende op de datum van de beschikking, dient te informeren over belangrijke zaken de kinderen betreffende waaronder, doch niet uitsluitend, school, schoolrapport, diploma’s, medische zaken, mijlpalen;
Subsidiair:
V. indien het onder I verzochte wordt afgewezen te bepalen dat de man contact kan hebben met de kinderen als omschreven onder 58 van het verzoekschrift;
VI. te bepalen dat de man kan videobellen met de kinderen op woensdagavond en
zaterdagavond 18.00 uur;
VII. te bepalen dat de vrouw de man maandelijks, te beginnen vóór de eerste van de maand volgende op de datum van de beschikking, dient te informeren over belangrijke zaken de kinderen betreffende waaronder, doch niet uitsluitend, school, schoolrapport, diploma’s, medische zaken, mijlpalen.
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt:
I. de verzoeken van de man af te wijzen, met dien verstande dat de vrouw bereid is afspraken te maken over de vakanties van de kinderen en dat zij ook bereid is maandelijks aan de man de gevraagde informatie te verstrekken
Bij wijze van (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek, verzoekt de vrouw:
II. wanneer discussie bestaat over de vraag of de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw in Nederland zouden hebben, te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf in Nederland hebben.
Op de standpunten van partijen en het advies van de Raad wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De standpunten
De man legt, samengevat, het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag. Partijen hebben elkaar ontmoet in Noorwegen in 2008. De eerste jaren van hun relatie verbleven zij in Nederland. Binnen de relatie was sprake van drank- en hasjgebruik door de vrouw. Na een eerdere relatiebreuk is de man terug naar Noorwegen verhuisd. De vrouw heeft twee kinderen uit een andere relatie ( [kind 1] en [kind 2] ). De man heeft hen erkend. [kind 1] en [kind 2] zijn bij de man in Noorwegen gaan wonen. Zij kregen daar Noors staatsburgerschap. De vrouw reisde heen en weer tussen Noorwegen en Nederland. Nadat de vrouw een Nederlands paspoort kreeg, is zij ook naar Noorwegen verhuisd. Partijen kregen vervolgens samen dochter [minderjarige 3] . In 2015 zijn partijen nogmaals uit elkaar gegaan. Volgens de man was drank- en hasjgebruik van de vrouw opnieuw een reden voor de relatiebreuk. Nadat de man vertrok uit de gezamenlijke woning ging het steeds slechter met de vrouw. Zij was niet in staat om voor de kinderen te zorgen. De man is daarop weer ingetrokken bij de vrouw en vervolgens werden partijen ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In 2023 beëindigde de man de relatie van partijen definitief, omdat het drankmisbruik door de vrouw verergerde en zij agressief was. Ook de kinderen hebben daardoor schade opgelopen. De man heeft op 14 januari 2024 toestemming verleend voor de verhuizing van de vrouw en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland. [minderjarige 3] is bij de man in Noorwegen gebleven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn ingeschreven op het adres van oma (mz) te [plaats 2] . Daar hebben zij geen eigen slaapkamer en geen eigen bed. De communicatie tussen partijen verloopt slecht en ook stimuleert de vrouw het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de man niet. Volgens de man heeft hij in twee jaar tijd ongeveer zes à zeven keer met hen mogen praten. De eerste tijd verliep het contact via Facetime, maar dat vond de vrouw later geen goed idee. De man heeft alleen telefonisch contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als de vrouw er niet is. [persoon] faciliteert dan dit contact. Van fysiek contact is geen sprake. De man kan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bezoeken. In januari 2025 is de man onaangekondigd naar Nederland gereisd om hen te zien. Na dit bezoek heeft de man nog één keer een videobelcontact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gehad. Naast het uitblijven van fysiek contact informeert de vrouw de man niet over belangrijke aangelegenheid rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw houdt iedere communicatie af en is dreigend naar de man. Het lukt partijen niet om samen tot een oplossing te komen. Mediation (in Noorwegen) heeft niet geholpen (2024). De man heeft voorstellen naar de vrouw gestuurd voor een contactregeling, waarop zij niet reageerde.
De man vreest dat er bij de vrouw nog steeds sprake is van alcohol- en/of drugsgebruik. Zo vernam hij dat de vrouw kort in het ziekenhuis opgenomen is geweest, vermoedelijk na amfetaminegebruik. In de visie van de man is de vrouw niet in staat om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een goede manier op te laten groeien. [persoon] voedt hen op dit moment op. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] missen een veilige woon- en leefomgeving. Bovendien worden zij afgesneden van de cultuur van de man, onthoudt de vrouw hen het contact met de man en hun zussen en zien zij er regelmatig onverzorgd uit. De man daarentegen heeft passende woonruimte, is in staat om het contact met de andere ouder te stimuleren zoals hij nu ook doet met [minderjarige 3] , zal de vrouw informeren, kan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verzorgen en opvoeden, zal hulpverlening inschakelen en is beschikbaar.
De vrouw verweert zich tegen de verzoeken van de man en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Volgens de vrouw eindigde de relatie van partijen omdat de man nooit thuis was. Van middelengebruik aan de zijde van de vrouw is geen sprake. De vrouw woont inderdaad bij oma (mz). [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben daar samen een kamer. Het gaat goed met hen. Zij gaan naar school en worden goed verzorgd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben moeten wennen aan Nederland, omdat zij in een nieuwe leefomgeving terecht kwamen. Het is niet in hun belang om opnieuw van leefomgeving te wisselen. Het verzoek van de man ten aanzien van het hoofdverblijf dient dan ook te worden afgewezen. Daar komt nog bij dat feitelijk het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vrouw in Nederland is. De man had dus eigenlijk om een wijziging van hun hoofdverblijfplaats moeten vragen. Dit heeft hij nagelaten. De man voert geen wijzigingsgronden aan, terwijl deze wel aanwezig zouden moeten zijn om het verzoek te kunnen beoordelen. De man dient niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoeken.
Als de man naar Nederland komt, om de drie maanden in verband met het ophalen van zijn medicatie, vraagt hij nooit aan de vrouw of hij langs mag komen. Dit gaat altijd via de broer van de vrouw. De vrouw betwist dat zij de man blokkeert en zij het contact tussen hem en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] frustreert. Wel beaamt de vrouw dat de communicatie tussen partijen slecht is. Dit heeft alles te maken met een afwikkeling van de samenleving en een zakelijk geschil in Noorwegen. Die zaak tussen partijen loopt momenteel bij de Noorse rechtbank.
De vrouw staat open voor het maken van afspraken over het contact tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het contact tussen de vrouw en [minderjarige 3] hoeft daarin niet betrokken te worden, omdat de vrouw goed contact met haar heeft. Daarnaast zou de vrouw het nuttig vinden als partijen een ouderschapsplan opstellen en vaste afspraken maken over een contact- en informatieregeling. De vrouw heeft geen bezwaar tegen een wekelijks videobel-contact. Ook is de vrouw bereid de man maandelijks te informeren over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De inzet van cross border mediation is voor de vrouw geen optie.
De Raad adviseert de rechtbank, samengevat, als volgt. Op dit moment heeft de Raad onvoldoende informatie om de rechtbank van een gedegen advies te voorzien. De situatie is zeer complex. Tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat partijen op veel vlakken verschillen van visie. Daarnaast is het grensoverschrijdende karakter van deze zaak ook een complicerende factor. De Raad acht het gelasten van een raadsonderzoek dan ook passend. Op die manier kan worden uitgezocht wat de opvoedsituatie van beide ouders is. Bovendien kan de Raad ook contact opnemen met de Noorse autoriteiten om informatie uit te wisselen. Dit brengt waarschijnlijk wel met zich mee dat een onderzoek wat langere tijd in beslag zal nemen. De Raad verwacht hiervoor ongeveer negen maanden nodig te hebben. Het benoemen van een bijzondere curator voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is op dit moment niet nodig. Zij zullen ook worden gesproken in het onderzoek door de Raad.
5. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de man de Noorse nationaliteit hebben, heeft deze zaak een internationaal karakter. Gelet op deze internationale aspecten dient de rechtbank eerst vast te stellen of de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken. Partijen hebben zich in de stukken op het standpunt gesteld dat de rechtbank hiertoe bevoegd is.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter), is de Nederlandse rechter bevoegd de verzoeken te beoordelen, nu de kinderen op het moment van de indiening van het verzoek van de man hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, te weten in [plaats 2] . Op grond van artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, relatief bevoegd, nu het verzoek kinderen betreft die woonplaats hebben in het arrondissement van deze rechtbank.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op de verzoeken te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht worden toegepast.
Ontvankelijkheid
De rechtbank acht de man ontvankelijk in zijn verzoeken. Hij heeft weliswaar in zijn verzoekschrift niet aangevoerd dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, maar uit zijn stellingen volgt dat er zijns inziens na het vertrek van de vrouw met de minderjarigen naar Nederland, begin 2024, niet de stabiele situatie voor de minderjarigen is ingetreden zo als die door de ouders, althans door de man, werd voorzien. De rechtbank merkt dit (voorshands) aan als een wijziging van omstandigheden die nadere beoordeling vergt. Uit het verdere verloop van de zaak zal blijken of er sprake is van de door de man aangenomen wijziging van omstandigheden.
Raadsonderzoek
Gelet op de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling acht de rechtbank zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen geven op de verzoeken van partijen. De rechtbank ziet aanleiding een onderzoek door de Raad te gelasten en overweegt daartoe als volgt.
Zoals bij de mondelinge behandeling is gebleken, kan de Raad de rechtbank nu nog niet adviseren over de (wijziging van) de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het vaststellen van een zorg- en informatieregeling. De Raad acht de situatie tussen partijen zeer complex, hetgeen de rechtbank onderschrijft. Dit heeft niet alleen te maken met het grensoverschrijdende karakter van deze zaak, maar ook met de verschillen in visie en verhalen van partijen. Zo zijn zij het niet met elkaar eens over de opvoedsituatie bij de ander, hebben zij verschillende ervaringen ten aanzien van het contact tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] én is gebleken dat een civielrechtelijke zaak in Noorwegen partijen nog in hun greep houdt. Ook is onduidelijk of en in hoeverre er in Noorwegen sprake is (of was) van kinderbeschermingsmaatregelen. Om helderheid te krijgen over bovengenoemde zaken en daarmee in kaart te brengen wat de (opvoed)situatie van beide partijen is, is een raadsonderzoek noodzakelijk. Hiervoor is nodig dat de Raad contact opneemt met de Noorse autoriteiten.
Dit leidt ertoe dat de rechtbank de Raad, locatie Breda, zal verzoeken om een onderzoek te doen naar de volgende vragen:
1. Wat is de feitelijke woonsituatie van de vrouw en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
2. Wat is de feitelijke woonsituatie van de man in Noorwegen?
3. Welke hoofdverblijfplaats past het meest bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hoe zien zij dit zelf?
4. Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
5. Hoe moet die regeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)?
6. Welke informatieregeling door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
7. Is er in Noorwegen sprake geweest van kinderbeschermingsmaatregelen ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ? En zo ja, wat is de context daarvan?
8. Is er in Noorwegen sprake (geweest) van kinderbeschermingsmaatregelen ten aanzien van [minderjarige 3] ? En zo ja, wat is de context daarvan?
9. Geeft het onderzoek van de Raad aanleiding om partijen en/of [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] hulpverlening aan te bevelen? Zo ja, in welke vorm?
10. Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de verzoeken van partijen worden aangehouden voor de duur van negen maanden. De rechtbank wenst door de Raad uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum in ieder geval geïnformeerd te worden over (de voortgang van) het onderzoek van de Raad, ook als het raadsrapport op dat moment nog niet klaar is.
Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om daarop schriftelijk te reageren en het verder gewenste procesverloop kenbaar te maken, uiterlijk binnen drie weken nadien.
Voorlopige afspraken
Het raadsonderzoek zal enige tijd in beslag nemen. De rechtbank acht het geenszins in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij gedurende dit raadsonderzoek onduidelijkheid ervaren over het contact met hun vader. Voor een goede ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het namelijk van belang dat zij structureel een vorm van contact hebben met de man en de man ook weet wat er in hun leven speelt. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om hierover met elkaar voorlopige afspraken te maken.
Na een korte onderbreking van de mondelinge behandeling hebben partijen de rechtbank laten weten dat zij overeenstemming met elkaar hebben bereikt over een voorlopige contact- en informatieregeling.
De overeenstemming van partijen houdt het volgende in:
A. de man belt de vrouw op woensdagen en vrijdagen om 19.00 uur om te kunnen spreken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
B. de man krijgt de gelegenheid om eens per drie maanden, zijnde elk kwartaal, fysiek contact te hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van drie à vier dagen in Nederland. De man laat de vrouw uiterlijk drie weken voorafgaand aan zijn bezoek per e-mail weten wanneer hij naar Nederland wil komen. De vrouw laat hierop direct weten of dit akkoord is;
C. de vrouw verstrekt de schoolkalender van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de man, zodat hij kan zien wanneer zij vrije dagen of studiedagen hebben;
D. de vrouw informeert de man iedere 1e dag van de maand schriftelijk (per e-mail) over belangrijke aangelegenheden ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (medisch, school, belangrijke mijlpalen en andere onderwerpen die als belangrijk worden ingeschat) en stuurt daarbij een goed gelijkende foto van hen;
E. de man informeert de vrouw iedere 1e dag van de maand schriftelijk (per e-mail) over belangrijke aangelegenheden ten aanzien van [minderjarige 3] (medisch, school, belangrijke mijlpalen en andere onderwerpen die als belangrijk worden ingeschat) en stuurt daarbij een goed gelijkende foto van haar;
F. partijen spreken respectvol naar elkaar en zien er op toe dat ook derden of familie respectvol over partijen spreken;
G. partijen communiceren met elkaar via e-mail, behoudens in het kader van het telefonisch contact dat de man heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Nu partijen in onderling overleg met elkaar voorlopige afspraken hebben gemaakt, deze afspraken niet in strijd zijn met de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en ook niet strijdig met de wet, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen. Bovengenoemde voorlopige afspraken over de contact- en informatieregeling ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal de rechtbank in het dictum van deze beschikking opnemen en uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De rechtbank complimenteert partijen dat zij in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] deze overeenstemming met elkaar hebben bereikt. Dit geeft een hoopvol signaal richting de toekomst.
De rechtbank kan in het dictum geen afspraken opnemen over [minderjarige 3] (onder 5.12 sub E.), nu deze procedure niet op haar ziet, en waarover de rechtbank volgens de wet niet kan beslissen (onder 5.12 sub F. en G.) De rechtbank wijst erop dat partijen, nu zij dit onderling zijn overeengekomen, zich wel moeten houden aan deze afspraken.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de minderjarigen
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 3] (Noorwegen) op [geboortedag 1] 2016 en
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 4] (Noorwegen) op [geboortedag 2] 2020, voorlopig, totdat de rechtbank hier definitief over heeft beslist, dan wel partijen daarover overeenstemming met elkaar hebben bereikt, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op de wijze zoals is overwogen onder rechtsoverweging 5.12 sub A. en B.;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw de man voorlopig, totdat de rechtbank hier definitief over heeft beslist, dan wel partijen daarover overeenstemming met elkaar hebben bereikt, informeert over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de wijze zoals is overwogen onder rechtsoverweging 5.12 sub C. en D.;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 5.7 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
houdt de verzoeken van partijen aan tot dinsdag 12 mei 2026 PRO FORMA;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025 door mr. Van Leuven, voorzitter, mr. Jansen en mr. Van der Pols, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Vos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.