beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/440947 / FA RK 25-5334
datum uitspraak: 11 november 2025
beschikking betreffende artikel 12 Brussel II-ter
op het verzoek van
DE KINDERRECHTER VAN DE JEUGDRECHTBANK PARIJS,
gevestigd te Parijs,
hierna te noemen: de kinderrechter van de Jeugdrechtbank Parijs,
betreffende de minderjarigen:
Als belanghebbenden in onderhavige zaak worden aangemerkt:
[de moeder] ,
met een onbekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland,
hierna te noemen de moeder,
[de vader] ,
met een onbekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland,
hierna te noemen de vader,
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen de pleegmoeder,
en
[de pleegvader] ,
hierna gezamenlijk te noemen de pleegouders,
beiden wonende te [plaats 1] .
1. Het procesverloop
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het door tussenkomst van het
Bureau Liaisonrechter Internationale kinderbescherming (BLIK), ontvangen verzoek van de kinderrechter van de Jeugdrechtbank Parijs om de bevoegdheid te aanvaarden overeenkomstig artikel 12 van de Verordening (EG) Nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel-II ter) ten aanzien van voornoemde minderjarigen.
2. De feiten
Bij beslissing van 4 juli 2023 heeft de kinderrechter van de Jeugdrechtbank Parijs de minderjarigen voor het eerst uit huis geplaatst.
Bij beslissing van 14 mei 2024 heeft de kinderrechter van de Jeugdrechtbank Parijs de minderjarigen toevertrouwd aan de [jeugdhulp] , onder toekenning van bezoekrechten, onder andere aan de moeder en de beoogd pleegmoeder, mevrouw [de pleegmoeder] , in afwachting van de maatschappelijke evaluatie en van de toestemming van de Nederlandse autoriteiten voor plaatsing van de minderjarigen in een gezinsopvang.
Bij beslissing van 7 mei 2025 heeft de kinderrechter van de Jeugdrechtbank Parijs de plaatsing van de minderjarigen bij de [jeugdhulp] in [plaats 2] gehandhaafd tot en met 31 augustus 2025, in afwachting van de sociale beoordeling en toestemming van Nederland om hen op te laten nemen door de pleegmoeder.
Bij beslissing van 31 augustus 2025 heeft de kinderrechter van de Jeugdrechtbank Parijs de plaatsing van de minderjarigen bij de [jeugdhulp] in [plaats 2] opgeheven en de minderjarigen tot en met 28 februari 2026 toevertrouwd aan de pleegmoeder, zijnde de oudtante van de moeder.
De minderjarigen verblijven sinds medio 2024 bij de pleegouders.
3. Het verzoek
De kinderrechter van de Jeugdrechtbank Parijs heeft op 30 september 2025, via de Nederlandse Centrale Autoriteit, deze rechtbank verzocht in het belang van de minderjarigen haar bevoegdheid over de minderjarigen te aanvaarden overeenkomstig artikel 12 Brussel II-ter.
4. De beoordeling
Het wettelijk kader
Artikel 12 Brussel II-ter biedt – kort gezegd – het gerecht dat bevoegd is te beslissen in een zaak met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid de mogelijkheid om die zaak over te dragen naar een gerecht van een andere lidstaat indien naar hun inzicht een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen.
De vereisten voor aanvaarding
Bevoegd gerecht
Een ‘gerecht’ is bevoegd om het verzoek tot overdracht van de bevoegdheid te doen. In artikel 2 van Brussel II-ter is bepaald dat onder ‘gerecht’ moet worden verstaan: een autoriteit in een lidstaat die bevoegd is ter zake van de aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen.
De rechtbank stelt, mede op basis van de overgelegde stukken, vast dat de kinderrechter van de Jeugdrechtbank Parijs bevoegd is om het verzoek tot overdracht van de bevoegdheid inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, voor zover deze bevoegdheid – in dit geval – ziet op het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen, te doen.
Een zaak betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de kinderrechter van de Jeugdrechtbank Parijs de Nederlandse rechter verzoekt om de overdracht van de bevoegdheid te aanvaarden nu de minderjarigen zijn toevertrouwd aan de pleegmoeder en deze pleegmoeder zich op Nederlands grondgebied bevindt. Het staat voor de rechtbank niet vast dat er in Frankrijk nog een zaak aanhangig is. Nu artikel 12 Brussel II-ter spreekt over overdracht van bevoegdheid in een specifieke zaak of een onderdeel daarvan, terwijl er geen aanhangige zaak in Frankrijk is, ziet de rechtbank zich voor een probleem gesteld.
De rechtbank begrijpt dat het verzoek van de kinderrechter van de Jeugdrechtbank Parijs tot overdracht van de bevoegdheid tot doel heeft om in Nederland een verzoek ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid, meer specifiek kinderbeschermingsmaatregelen, betreffende de minderjarigen in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijk – in Nederland nog in te dienen – verzoek valt binnen het materiele toepassingsgebied van Brussel II-ter (artikel 1).
Een bijzondere band
Voor overdracht van de bevoegdheid is verder vereist dat de minderjarigen een bijzondere band hebben met Nederland. Artikel 12 lid 4 Brussel II-ter bepaalt dat het kind onder andere wordt geacht een bijzondere band met een lidstaat te hebben indien het kind (na de aanhangigmaking van de zaak) zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft verkregen, of zijn gewone verblijfplaats daar voordien had of onderdaan is van die lidstaat.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een bijzondere band van de minderjarigen met Nederland. De minderjarigen zijn in februari 2023 in beeld gekomen bij de sociale diensten in Frankrijk. De sociale diensten in Frankrijk hebben hun zorgen geuit over de situatie van de minderjarigen omdat het gezin zeer onregelmatig verbleef in verschillende Europese landen, de minderjarigen al minstens een jaar niet naar school gingen en het vermoeden bestond dat de moeder psychische problemen had, die van invloed waren op het welzijn van de minderjarigen. De minderjarigen verblijven sinds medio 2024 voortdurend in Nederland bij de pleegouders. Uit de stukken blijkt dat de Raad voor de Kinderbescherming een screening heeft laten uitvoeren teneinde de minderjarigen te kunnen plaatsen bij de pleegouders. Het is dus de bedoeling dat het verblijf van de minderjarigen een definitief karakter krijgt, waarvoor – in Nederland – juridisch nog de nodige stappen dienen te worden gezet.
De aanvaarding
Gelet op het voorgaande en het doel dat met het verzoek is beoogd, is de rechtbank van oordeel dat overdracht van de bevoegdheid in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank zal haar bevoegdheid inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 12 Brussel II-ter in het belang van de minderjarigen aanvaarden.
De rechtbank gaat ervan uit dat deze beslissing meebrengt dat de kinderrechter van de Jeugdrechtbank Parijs afziet van het uitoefenen van bevoegdheid (artikel 12 lid 2 Brussel II-ter).
Met het aanvaarden van de bevoegdheid wordt niet de (eventueel) nog in Frankrijk aanhangige procedure overgedragen. Dit betekent dat er in Nederland bij deze rechtbank een (nieuw verzoekschrift) moet worden ingediend.
Vervolg
De rechtbank zal alle betrokkenen en de Raad voor de Kinderbescherming uitnodigen voor een mondelinge behandeling om de gevolgen van de aanvaarding van de bevoegdheid te bespreken en de Raad voor de Kinderbescherming de gelegenheid te geven om de rechtbank van informatie te voorzien over de huidige situatie van de minderjarigen en eventueel tot het indienen van een verzoek ten aanzien van de minderjarigen over te gaan.
5. De beslissing
De rechtbank
aanvaardt overeenkomstig artikel 12 lid 2 Brussel II-ter haar bevoegdheid inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van de minderjarigen:
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025 in tegenwoordigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.