ECLI:NL:RVS:2025:1537

ECLI:NL:RVS:2025:1537, Raad van State, 10-04-2025, BRS.24.000203

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 10-04-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BRS.24.000203
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 2 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0011823 BWBR0011825 CELEX:32008L0115 EU:32008L0115

Samenvatting

Bij besluit van 11 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene in bewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.24.000203

ECLI:NL:RVS:2025:1537

Datum uitspraak: 10 april 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 24 mei 2024 in zaak nr. NL24.20735 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 24 mei 2024 heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de staatssecretaris daartegen aanhangig gemaakte beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De minister heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.

Overwegingen

Inleiding

1. De minister heeft betrokkene in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Op 8 mei 2024 heeft de minister de rechtbank in kennis gesteld van de inbewaringstelling. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, wordt betrokkene geacht beroep te hebben ingesteld zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen. De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2024 op een zitting behandeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de maatregel van bewaring niet rechtsgeldig is ondertekend. Ook heeft zij geoordeeld dat zij bij de behandeling ter zitting ten onrechte geen registertolk heeft opgeroepen. Gelet op deze omstandigheden, is de maatregel volgens de rechtbank onrechtmatig.

Beoordeling van het hoger beroep van de minister

Eerste grief

2. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de maatregel van bewaring niet is voorzien van een digitale handtekening en dat deze daarom niet rechtsgeldig is ondertekend. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4237, heeft de Afdeling de minister verzocht haar de originele maatregel van bewaring toe te sturen. De Afdeling stelt vast dat de maatregel van bewaring een elektronische handtekening bevat en dat zij deze zelfstandig heeft kunnen valideren. Dat betekent dat de maatregel rechtsgeldig is ondertekend. De eerste grief slaagt.

Tweede grief

3. De rechtbank heeft verder ook ten onrechte geoordeeld dat de omstandigheid dat de vreemdeling tijdens de zitting niet is gehoord met behulp van een registertolk leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel. De minister voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1968, terecht aan dat de rechtbank ervoor had kunnen kiezen om op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb, het onderzoek ter zitting te schorsen en dit met een tolk voort te zetten op een andere dag. De rechtbank heeft op 22 mei 2024, de veertiende dag na ontvangst van de kennisgeving, in aanwezigheid van betrokkene, de gemachtigde van betrokkene en de minister, tijdig een aanvang gemaakt met het door artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 voorgeschreven onderzoek ter zitting. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat betrokkene niet binnen een redelijke termijn alsnog in persoon kon worden gehoord in een voor hem begrijpelijke taal, heeft de rechtbank in het licht van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb en vermelde rechtspraak van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom zij geen aanleiding heeft gezien het onderzoek ter zitting te schorsen.

Conclusie

4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 24 mei 2024 in zaak nr. NL24.20735;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Sevenster

voorzitter

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2025

644-1073

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?