ECLI:NL:RVS:2025:723

ECLI:NL:RVS:2025:723, Raad van State, 11-02-2025, 202405227/1/V3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 11-02-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 202405227/1/V3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 25 zaken
Aangehaald door 6 zaken
11 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0011823 BWBR0012288 CELEX:32000X1218 CELEX:32003R0343 CELEX:32013L0033 CELEX:32013R0604 EU:32000X1218 EU:32003R0343 EU:32013L0033 EU:32013R0604

Samenvatting

Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Uitspraak

202405227/1/V3.

Datum uitspraak: 11 februari 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 augustus 2024 in zaak nr. NL24.5037 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 13 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.L.M. Janssen, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1. De minister komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen aanleiding ziet om artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening toe te passen.

1.1. De minister klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij de door de vreemdeling aangevoerde detentieomstandigheden in Bulgarije en de wijze waarop de vreemdeling door de Bulgaarse autoriteiten is behandeld tijdens zijn detentie al voldoende heeft betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister wijst ter vergelijking op de uitspraken van de Afdeling van 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653, en van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860. Daarbij is van belang dat de vreemdeling niet heeft bestreden dat de minister voor Bulgarije mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister zich in zijn besluit deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling over zijn eerdere ervaringen in Bulgarije geen aanleiding vormen om de aanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

1.2. De rechtbank heeft evenmin onderkend dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de medische situatie van de vreemdeling en het overgelegde patiëntendossier geen aanleiding geven voor een ander oordeel. De minister heeft toegelicht dat de vreemdeling met de overgelegde foto’s niet heeft onderbouwd dat de daarop vastgelegde verwondingen verband houden met zijn persoonlijke ervaringen in Bulgarije. Er kan immers niet worden vastgesteld wanneer deze foto’s zijn gemaakt, van wie de wonden zijn en waardoor deze zijn opgelopen. Verder wijst de minister er terecht op dat de enkele aanwezigheid van medische aspecten geen bijzondere omstandigheid oplevert, nu er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag worden gegaan dat in Bulgarije vergelijkbare medische voorzieningen bestaan en de vreemdeling daarvan gebruik kan maken. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval zal zijn. Ook heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat de Bulgaarse autoriteiten hem bij voorkomende problemen in de opvang niet kunnen of willen helpen.

1.3. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 augustus 2024 in zaak nr. NL24.5037;

III. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Van Breda

voorzitter

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2025

644-1073

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.H. van Breda
  • mr. B.P. Vermeulen
  • mr. J.Th. Drop

Griffier

  • mr. W.M. Vos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?