ECLI:NL:RVS:2026:3430

ECLI:NL:RVS:2026:3430

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 17-06-2026
Datum publicatie 15-06-2026
Zaaknummer BRS.26.000990
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2026:3653

Samenvatting

Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de ministervan Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.26.000990

ECLI:NL:RVS:2026:3430

Datum uitspraak: 17 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 24 februari 2026 in zaak nr. NL26.8338 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. R. Deniz, advocaat in Breda, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1. De minister komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij in de maatregel van bewaring niet kenbaar heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van betrokkene verzet. In dit geval heeft de minister in het gehoor voorafgaand aan de bewaring gevraagd aan betrokkene of hij kan en wil terugkeren naar Algerije. Daarop heeft betrokkene geantwoord dat hij liever niet wil terugkeren, maar dat hij zal meewerken aan zijn uitzetting. Betrokkene heeft verder verklaard dat er geen feiten of omstandigheden zijn die aan het vertrek naar Algerije in de weg staan en dat hij daar niet te vrezen heeft voor een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

Hoewel niet uitdrukkelijk in de maatregel is gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat betrokkene in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, kan op grond van de bewoordingen van de motivering, waarin wordt verwezen naar het gehoor, worden aangenomen dat deze beoordeling hierin besloten ligt en op deze wijze voldoende kenbaar is. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

1.1. Daarnaast had de rechtbank op het tijdstip waarop zij de rechtmatigheid van de bewaring beoordeelde, ambtshalve moeten beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestonden om aan te nemen dat betrokkene in het land van bestemming een reëel risico zou lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden onmenselijke en vernederende behandelingen.

Deze beoordeling heeft betrekking op de periode tot aan de sluiting van het onderzoek van de rechtbank, omdat de rechtbank de bewaring daarna heeft opgeheven. Gelet op het dossier, op wat betrokkene heeft aangevoerd en de schriftelijke uiteenzetting is niet gebleken dat in dit geval tot aan de sluiting van het onderzoek van de rechtbank, het zicht op uitzetting ontbrak omdat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzette. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 15.1 en 15.2.

1.2. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 24 februari 2026 in zaak nr. NL26.8338;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.

w.g. De Poorter

voorzitter

w.g. De Jong

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026

1017

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.C.A. de Poorter
  • mr. J.Th. Drop
  • mr. J.M. Willems

Griffier

  • mr. N.A. de Jong

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand