ECLI:NL:RVS:2026:656

ECLI:NL:RVS:2026:656

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 06-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer BRS.26.000100
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2026:799

Samenvatting

Bij besluit van 26 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.26.000100

ECLI:NL:RVS:2026:656

Datum uitspraak: 6 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 januari 2026 in zaak nr. NL25.63066 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 6 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere stukken ingediend.

Overwegingen

Is de Afdeling bevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen?

1. Appellant is op 26 juni 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Bij besluit van 23 december 2025 heeft de minister deze maatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden (verlengingsbesluit). Op diezelfde datum heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat zijn bewaring langer dan zes maanden voortduurde. Gelet op de door de rechtbank gekozen grondslag voor haar uitspraak (artikel 96 van de Vw 2000) kan hiertegen geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).

2. Appellant betoogt dat de Afdeling toch bevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen, omdat de bewaring na overschrijding van de maximale termijn van zes maanden op 22 december 2025 materieel voortduurt en de minister de bewaring niet tijdig heeft verlengd.

2.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de door appellant aangehaalde uitspraak van 22 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:194, onder 3, is de vraag of de Afdeling bevoegd is van een hoger beroep kennis te nemen een vraag van openbare orde, waarover ambtshalve moet worden geoordeeld. Voor het oordeel over deze vraag is daarom niet langer de door de rechtbank gekozen grondslag voor haar uitspraak beslissend, maar welke grondslag zij voor haar uitspraak had behoren te kiezen. Aldus bestaat in die situatie geen noodzaak om het appelverbod op een daartoe strekkend verzoek te doorbreken, aangezien dit verbod dan niet bestaat.

2.2. Appellant betoogt terecht dat in dit geval het beroep tegen het feitelijk voortduren van de bewaring een eerste beroep is. Zoals de Afdeling hierna zal toelichten, is de bewaringsmaatregel niet tijdig verlengd.

Zoals volgt uit de eerdergenoemde uitspraak van 22 januari 2018, onder 5, moet de feitelijke verlenging in zo’n geval gelijk worden gesteld met een besluit als bedoeld in artikel 93, eerste lid, van de Vw 2000. Tegen de uitspraak op een beroep tegen dat besluit staat ingevolge artikel 94, zevende lid, van de Vw 2000 hoger beroep open bij de Afdeling. De Afdeling ziet om die reden aanleiding van het hoger beroep kennis te nemen.

Bespreking hoger beroep

3. Appellant klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000.

3.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de eerdergenoemde uitspraak van 22 januari 2018, onder 6, moet de minister, als zij de bewaring wil laten voortduren, reeds voor het verstrijken van de in de wet vastgelegde termijn van zes maanden vaststellen dat aan de wettelijke grondslag voor het verlengen van de duur van de bewaring is voldaan. Zonder deze beoordeling is voortzetting niet toegestaan.

Uit paragraaf A5/6.8 van de Vc 2000 volgt dat de minister uitvoering geeft aan deze verplichting door een verlengingsbesluit te nemen. Daarin stelt zij vast of voldaan is aan de vereisten voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor een vreemdeling onredelijk bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat.

3.2. Appellant wijst er terecht op dat voor het voortduren van de bewaring op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 niet voldoende is dat de minister alleen een verzwaarde belangenafweging maakt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3.3. Het verlengingsbesluit vormt de grondslag voor de voortzetting van de bewaring. In dit geval had de minister uiterlijk op 22 december 2025 een verlengingsbesluit moeten nemen. Op die datum verliep namelijk de maximale bewaringstermijn van zes maanden. Dat heeft de minister pas op 23 december 2025 gedaan. Daarom betoogt appellant terecht dat de bewaring met ingang van 22 december 2025 onrechtmatig is.

3.4. De grief slaagt.

4. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerdere datum dan 22 december 2025 onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de bewaring op 29 december 2025 al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 januari 2026 in zaak nr. NL25.63066;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 800,00 over de periode van 22 december 2025 tot en met 29 december 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V. veroordeelt de minister tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.

w.g. Van Breda

voorzitter

w.g. Jiawan

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026

1017

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?