ECLI:NL:CRVB:2013:2831

ECLI:NL:CRVB:2013:2831, Centrale Raad van Beroep, 11-12-2013, 13-1193 WW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 11-12-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13-1193 WW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:CRVB:2013:2831
Formele relatie: ECLI:NL:CRVB:2014:2838
Formele relatie: ECLI:NL:CRVB:2013:2831
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004045

Samenvatting

De uitspraak is gerectificeerd. De tekst van de uitspraak is niet meer geldig. Zie voor de uitspraak tot rectificatie ECLI:NL:CRVB:2014:2838. Zie voor de gerectificeerde uitspraak ECLI:NL:CRVB:2013:3004.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 december 2008 is aan appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend met ingang van 4 december 2008. In dit besluit is verder bepaald dat de WW-uitkering loopt tot en met 3 december 2012 als er niets in haar situatie verandert.

1.2. Bij besluit van 9 januari 2012 heeft het Uwv bepaald dat de WW-uitkering loopt tot en met 10 februari 2012.

1.3. Bij besluit van 2 april 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 januari 2012 gegrond verklaard en de duur van de uitkering verlengd tot 10 mei 2012. De reden hiervoor was dat er te weinig tijd zat tussen de beslissing van

9 januari 2012 en de beëindigingsdatum 10 februari 2012, zodat een uitloopperiode op zijn plaats was. De einddatum is vervolgens op 10 mei 2012 gesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat op het moment van toekenning van de WW-uitkering de uitkeringsduur voor appellante op grond van artikel 42, eerste lid onder b, van de WW maximaal 38 maanden bedroeg. Dat betekende dat het besluit van 6 december 2008, wat de duur aangaat, in strijd was met de wet en het Uwv gehouden was het besluit in zoverre te herzien. Het Uwv heeft na afronding van het onderzoek naar de financiële verplichtingen van appellante de conclusie getrokken dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij twee kortlopende, consumptieve kredieten niet was aangegaan als zij tevoren had geweten dat haar WW-uitkering eerder zou aflopen dan 3 december 2012. De rechtbank heeft deze conclusie gevolgd. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank door appellante niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een dringende reden om van herziening af te zien. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor enige vorm van compensatie door het Uwv, omdat appellante met de (uitloop)periode van vier maanden niet tekort is gedaan. Voor een langere termijn heeft de rechtbank geen grond gezien.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Appellante heeft herhaald dat naar haar mening het Uwv kan worden gehouden aan de mededeling in het besluit van 6 december 2008 aangaande de uitkeringsduur, dat het Uwv meer fouten heeft gemaakt. Zij heeft verzocht om financiële compensatie.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In het besluit tot toekenning van haar WW-uitkering van 6 december 2008 is ten onrechte 3 december 2012 genoemd als einddatum van die uitkering. De juiste einddatum had twaalf maanden eerder moeten liggen. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat het Uwv het recht niet kan worden ontzegd om een gemaakte fout te herstellen, mits dit herstel plaatsvindt in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het beginsel van een zorgvuldige belangenafweging en het rechtszekerheidsbeginsel.

Het Uwv heeft appellante gevraagd naar mogelijke financiële handelingen die appellante in vertrouwen op de haar aanvankelijk toegezegde WW-uitkering heeft verricht. In reactie hierop heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij langlopende financiële verplichtingen is aangegaan die zij anders niet zou zijn aangegaan. De door appellante aangeschafte

CV-ketel is door haar in het najaar van 2012 gekocht. De lening die zij daarvoor heeft moeten afsluiten is van na de datum van beëindiging van haar WW-uitkering en betreft een noodzakelijke voorziening, waarvan al langer bekend was dat die moest worden aangeschaft.

Het Uwv heeft, na afweging van de belangen, door de beëindiging van de WW-uitkering te bepalen op 10 mei 2012 terwijl het recht van appellante wettelijk eindigde op

3 december 2011, in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Zoals ter zitting is toegelicht, is er mede gelet op het feit dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het bestreden besluit in stand kan blijven, geen aanleiding om te bepalen dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.C.W. Lange en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.E.P.M. Bary

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl USZ 2014/51
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?