OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb blijkt dat de strekking van het instituut van wraking is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking het volgende ten grondslag gelegd.
B.J. van de Griend maakte ook deel uit van de wrakingskamer die het verzoek van
27 januari 2017 heeft behandeld. In de beslissing van 27 februari 2017 zijn essentiële stellingen, die wel ter zitting van 20 februari 2017 zijn besproken, ongemotiveerd gepasseerd. Deze stellingen hadden betrekking op het niet terugzenden respectievelijk doorzenden van stukken door de rechtbank naar de Raad en op het door verzoeker naar voren gebrachte risico van verlies van instantie. Daarmee heeft B.J. van de Griend de behandelend rechter een hand boven het hoofd gehouden.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechters die de zaak behandelen. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient verder het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
De enkele omstandigheid dat een rechter in een eerdere zaak van de betrokkene een die betrokkene onwelgevallige uitspraak heeft gedaan kan, naar vaste rechtspraak van de Raad, niet worden gerekend tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2044). Uit wat verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, kan geen (schijn van) vooringenomenheid worden afgeleid. Wat verzoeker heeft aangevoerd, als weergegeven in overweging 2, gaat eraan voorbij dat in een uitspraak op een wrakingsverzoek slechts die gronden worden opgenomen die voor de beslissing op zo’n verzoek relevant zijn. Bij de beoordeling van een verzoek om wraking kan niet worden toegekomen aan de in een hoger beroep aan de orde zijnde inhoudelijke vragen.
Uit 3.1 en 3.2 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van B.J. van de Griend af.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2017.
(getekend) J. Brand
(getekend) R.H. Budde