OVERWEGINGEN
1. In artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges (Stcrt. 2013, 11425) bepaalt dat de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het verzoek geen betrekking heeft op een met de behandeling van de zaak belast lid van het college. Deze bepaling moet zo worden gelezen dat als een lid van het college de zaak niet langer behandelt, de wrakingskamer zonder zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet - verder - in behandeling te nemen. Nu vaststaat dat Roelofs met ingang van
1 oktober 2017 met pensioen is gegaan en de zaken niet meer behandelt, wordt het wrakingsverzoek van 8 mei 2017 niet verder in behandeling genomen. Dit brengt mee dat een inhoudelijke beoordeling van wat verzoeker in het kader van dit verzoek heeft aangevoerd, achterwege blijft.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat het verzoek van 8 mei 2017 om wraking van
R.H.M. Roelofs in deze zaken niet verder in behandeling wordt genomen.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.T. van den Corput en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) R.L. Rijnen