Heeft appellant procesbelang?
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.
Bijzondere bijstand voor griffierecht
In de zaken 20/4261 PW, 20/4262 PW, 20/4263 PW, 20/4264 PW, 20/4266 PW, 20/4267 PW, 20/4269 PW, 20/4271 PW, 20/4272 PW, 20/4273 PW, 20/4276 PW, 20/4277 PW, 20/4278 PW, 20/4279 PW, 20/4280 PW, 20/4281 PW, 20/4282 PW, 20/4283 PW, 20/4285 PW en 20/4286 PW gaat het om aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de procedures waarvoor hij bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht heeft aangevraagd:
1) definitief is vrijgesteld van de verplichting tot betaling van het griffierecht, óf
2) niet-ontvankelijk is verklaard omdat hij het griffierecht niet heeft betaald (en het verzet daartegen vervolgens ongegrond is verklaard).
Daarmee staat vast dat de kosten van griffierecht zich niet meer voordoen. Dit roept de vraag op welk belang appellant nog heeft bij het voortzetten van deze procedures. Desgevraagd is namens appellant ter zitting te kennen gegeven dat appellant naar rechtvaardigheid zoekt. Dit levert echter geen belang op als bedoeld in 4.1. Een ander belang is niet gesteld. Dit betekent dat het hoger beroep in voornoemde zaken niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Leasen van bedrijfsauto (20/4259 PW)
Voor de feiten van deze zaak wordt verwezen naar 1.1.1 tot en met 1.1.4.
Het is de Raad niet gebleken, ook niet ter zitting, welk belang appellant nog heeft bij een beoordeling van deze zaak, temeer omdat appellant het dagelijks bestuur ruim een jaar later in gebreke heeft gesteld, terwijl hij op eigen initiatief op 20 maart 2017 al een leasecontract voor een bedrijfsauto had afgesloten en het dagelijks bestuur daar gezien zijn brief van 13 april 2017 ook geen probleem van had gemaakt. Dit betekent dat het hoger beroep in deze zaak, gelet op 4.1, ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Misbruik van recht in de overige zaken?
Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, van het BW kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. In het tweede lid is bepaald dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Ingevolge het derde lid kan uit de aard van een bevoegdheid voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.
Ingevolge artikel 3:15 van het BW vindt artikel 3:13 buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (zie de uitspraak van 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:307) verzetten de in 4.4 en 4.5 genoemde bepalingen zich tegen een inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van bevoegdheid behelst en zij bieden dan ook een wettelijke grondslag om een zodanig beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, omdat met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een door de burger tegen de overheid aangewend rechtsmiddel, gelet op de – soms zeer verstrekkende – bevoegdheden waarover de overheid beschikt. Alleen als over de zwaarwichtige gronden geen enkele twijfel bestaat, volgt niet-ontvankelijkverklaring. Zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op de door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt die overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat sprake is van misbruik van recht. Zie de in 4.6 genoemde uitspraak en de uitspraak van 10 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:642.
Per zaak moet worden beoordeeld of misbruik van (proces)recht is gemaakt, zoals appellant ook terecht heeft aangevoerd. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3834 (rechtsoverweging 4.2). Eerdere procedures en de handelwijze van een partij mogen worden betrokken bij het oordeel of in een specifieke zaak misbruik van recht is gemaakt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2817 (rechtsoverweging 1.3).
Zoals blijkt uit het arrest van Gerechtshof Den Haag – genoemd in rechtsoverweging 7.2 van de aangevallen uitspraak (zie onder 2), ECLI:NL:GHDHA:2020:287 – is sprake geweest van misbruik van recht door appellant op grond van het volgende:
“-I- De ISD heeft in hoger beroep met een overzicht van werkprocessen onderbouwd dat [appellant] per 27 juni 2019 ruim 700 werkprocessen op zijn naam heeft staan. Volgens de ISD is dit inmiddels opgelopen tot meer dan 800. Hoewel [appellant] de gestelde aantallen heeft betwist, staat voldoende vast dat hij zich zeer vaak tot de ISD heeft gewend, soms honderden keren per jaar en tientallen keren per week. Dit is vele malen meer dan klanten van de IDS gemiddeld nodig hebben (volgens de ISD: ongeveer 3,07 werkprocessen per jaar voor een gemiddelde klant). [Appellant] heeft niet aangevoerd dat zijn persoonlijke situatie in belangrijke mate afwijkt van die van ‘een gemiddelde klant’ van de ISD.
-II- In dit kort geding staat vast dat [appellant] in het verleden misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om verzoeken aan de ISD te doen. Zowel de Afdeling als bestuursrechters in de rechtbank Den Haag hebben dit misbruik al vastgesteld.
[Appellants] algemene stellingen dat zijn (overige) WOB-verzoeken nodig waren voor zijn bezwaarschriftprocedures of voor ‘waarheidsvinding’ zijn zeker tegen die achtergrond te vaag voor het oordeel dat hij zijn recht niet misbruikte. Wat hij ter onderbouwing van enkele van zijn verzoeken concreet heeft aangevoerd – namelijk dat hij informatie wilde over de wijze van behandelen van zijn kredietaanvragen en stukken over de extra personeelsinzet voor hem, over de deskundigheid van een bepaalde ISD-medewerker en over de reiskostendeclaraties van ISD-medewerkers voor zittingen – kan het beeld van misbruik van recht niet wegnemen. Er lijkt hierbij niet steeds sprake te zijn van rechtmatige doelen. Bovendien zegt het niets over zijn bedoelingen bij de overige (vele) verzoeken. In elk geval kan dit niet rechtvaardigen dat [appellant] buitensporig vaak per maand contact met de ISD zoekt. Het feit dat eerdere WOB-verzoeken zijn gehonoreerd door aan [appellant] op 27 maart 2018 alles uit zijn dossier te overhandigen, vormt geen aanwijzing voor de stelling dat de talrijke andere verzoeken van [appellant] niet misbruikelijk waren”.
Vaststaat dat ook in verscheidene bestuursrechtelijke procedures is geoordeeld dat sprake is van misbruik van recht door appellant. De rechtbank heeft hierop gewezen in rechtsoverweging 9 van de aangevallen uitspraak (zie onder 2).
Ondanks de door de civiele rechter opgelegde contactbeperking – zie hierover rechtsoverwegingen 7.1 tot en met 7.3 van de aangevallen uitspraak (zie onder 2) – is appellant doorgegaan met het stelselmatig indienen van aanvragen, verzoeken, bezwaarschriften, ingebrekestellingen en/of klachten. Op 12 augustus 2020 had appellant bij het dagelijks bestuur 1471 werkprocessen op zijn naam staan.
Verder heeft de rechtbank bij haar oordeel ook de proceshouding van appellant betrokken en het gegeven dat hij met al de door hem aangebrachte beroepszaken de rechtbank op een onevenredige manier heeft belast. Verwezen wordt naar rechtsoverwegingen 14 en 15 van de aangevallen uitspraak (zie onder 2).
Appellant heeft de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in 4.9 tot en met 4.12 niet weersproken. Hiervan uitgaande kan de misbruikintentie van appellant worden voorondersteld. Gelet hierop kan bij de beoordeling of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant in de voorliggende gevallen de bevoegdheid om een geschrift bij het college in te dienen heeft misbruikt, worden aangenomen dat dit het geval is, tenzij aannemelijk is dat een concreet en valide belang bij het indienen hiervan bestaat. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3834 (rechtsoverweging 4.4). Hieruit vloeit voort dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, appellant niet met bewijsstukken hoeft aan te tonen dat in de betreffende maand slechts twee aanvragen door hem zijn gedaan. De door de civiele rechter opgelegde contactbeperking kan er immers alleen toe leiden dat appellant dwangsommen verbeurt bij overschrijding van de door de civiele rechter gestelde limiet. Vergelijk rechtsoverweging 4.2 van de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling.
Bijzondere bijstand voor watersysteemheffing (20/4260 PW)
Voor de feiten van deze zaak wordt verwezen naar 1.2.1 en 1.2.2. Ter zitting is gebleken dat appellant nog immer alleen de rechtsgeldigheid van bestreden besluit 2 betwist, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant beroep had moeten instellen tegen de beslissing op bezwaar van 9 november 2018, om op die manier de rechtsgeldigheid van dat besluit aan te vechten. Het indienen van een ingebrekestelling en het indienen en handhaven van rechtsmiddelen tegen besluiten op die ingebrekestelling, terwijl appellant de ontvangst van de beslissing op bezwaar van 9 november 2018 niet heeft betwist en het dus ook voor appellant evident duidelijk had moeten zijn dat dit niet de juiste weg was, heeft de rechtbank in combinatie met de onevenredige belasting en de proceshouding van appellant – zoals benoemd in rechtsoverwegingen 14 en 15 van de aangevallen uitspraak (zie onder 2) – in dit geval terecht als misbruik van recht aangemerkt. Van een concreet en valide belang als bedoeld in 4.13 bij het indienen van de ingebrekestelling was evident geen sprake. Daarbij neemt de Raad ook nog de volgende – niet door appellant weersproken – feiten uit de in 4.8 genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2019 in aanmerking, waaruit onder meer volgt dat de hier voorliggende ingebrekestelling deel uitmaakt van een voortdurende stroom van door appellant bij het dagelijks bestuur ingediende verzoeken, aanvragen, ingebrekestellingen, bezwaren en klachten:
“Bij ISD Bollenstreek staan in de periode 10 februari 2014 tot en met 3 oktober 2018, 390 werkprocessen op naam van [appellant]. Op 29 oktober 2018 waren dat er 424 en op 11 januari 2019, 524. Een cliënt bij ISD Bollenstreek had in 2017 gemiddeld 3,07 werkprocessen op zijn naam staan. [appellant] heeft in de periode 20 februari 2018 tot en met 27 maart 2018, 33 Wob-verzoeken aan ISD Bollenstreek gedaan. In totaal had [appellant] op 3 oktober 2018 106 Wob-verzoeken bij ISD Bollenstreek gedaan. In de periode van 1 januari 2018 tot 6 september 2018 zijn door hem in totaal 116 aanvragen waaronder 60 Wob-verzoeken, alsmede ingebrekestellingen, bezwaren, herzieningsverzoeken, aanvragen en klachten bij ISD Bollenstreek ingediend. [appellant] heeft tegen nagenoeg iedere medewerker van ISD, met wie hij contact heeft gehad, minstens één klacht ingediend, administratief personeel, juristen, consulenten en het managementteam van ISD Bollenstreek, in totaal 24 klachten. In juli 2018 heeft hij binnen één week 19 brieven met verzoeken bij de Afdeling Juridische Zaken van ISD Bollenstreek ingediend.
[appellant] heeft op 14 november 2018 ISD Bollenstreek laten weten dat hij het [e-mailadres] gebruikt. Hij heeft de domeinnaam www.isd-bollenstreek.nl ook geregistreerd. ISD Bollenstreek gebruikt zelf de domeinnaam www.isdbollenstreek.nl. De registratie van de domeinnaam en het door [appellant] gebruikte e-mailadres waren voor ISD Bollenstreek aanleiding om een ingezet mediationtraject te staken. Ter zitting is toegelicht dat [appellant] het gebruik van de website en het mailadres heeft beëindigd na een daartoe strekkende uitspraak van de rechtbank. ISD Bollenstreek heeft toegelicht dat tegen [appellant] ook strafzaken lopen vanwege laster en bedreiging”.
Gelet op het voorgaande heeft appellant de bevoegdheid om een ingebrekestelling in te dienen gebruikt zonder redelijk doel of met een ander doel dan waartoe zij gegeven is, zodanig dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw. Daarom heeft appellant misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid bezwaar te maken en beroep in te stellen, nu dat niet los kan worden gezien van het doel waarmee appellant de ingebrekestelling heeft ingediend. Hieruit volgt dat de rechtbank het beroep in deze zaak terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden bevestigd.
Verrekening vordering met nabetaling (20/4265 PW)
Voor de feiten van deze zaak wordt verwezen naar 1.7.1 tot en met 1.7.3.
De Raad is van oordeel dat in deze zaak sprake is van een concreet en valide belang als bedoeld in 4.13. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Hangende beroep, op 16 oktober 2019, heeft het dagelijks bestuur een nieuw besluit genomen. Hierbij is opnieuw beslist over de vorm van de Bbz-uitkering en de woonkostentoeslag en tevens is bepaald dat appellant recht heeft op een na te betalen bedrag. De nabetaling valt lager uit dan was vastgesteld in het ingetrokken besluit van 15 april 2019, omdat het dagelijks bestuur op de nabetaling een vordering van € 143,- in mindering heeft gebracht. Met die verrekening is appellant het niet eens. Bovendien had de rechtbank het besluit van 16 oktober 2019 op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht bij haar beoordeling moeten betrekking. Dit besluit valt namelijk binnen de grondslag en de reikwijdte van het besluit van 29 april 2019, waarmee het dagelijks bestuur zijn besluit van 15 april 2019 heeft ingetrokken. Het voorgaande maakt dat in deze zaak sprake is van een reëel belang. Misbruik van recht is daarom niet aan de orde. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.
Uit 4.15.2 volgt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep in deze zaak gegrond verklaren en bestreden besluit 7 vernietigen. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om het geschil definitief te beslechten. Het dagelijks bestuur krijgt dan ook de opdracht om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 29 april 2019 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent ook dat het college daarbij het besluit van 16 oktober 2019 moet betrekken en dat appellant in de gelegenheid moet worden gesteld zijn bezwaren tegen de verrekening nog naar voren te brengen.
Ingebrekestelling van 5 februari 2019 (20/4268 PW)
Voor de feiten van deze zaak wordt verwezen naar 1.10.1 en 1.10.2.
Op basis van deze feiten heeft het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant procedures door elkaar haalt.
Het indienen van een bezwaarschrift en het indienen en handhaven van beroep tegen de beslissing op dat bezwaarschrift, terwijl het voor appellant evident duidelijk had moeten zijn dat hij zaken door elkaar haalt, in combinatie met de onevenredige belasting en de proceshouding van appellant in de beroepsfase – zoals benoemd in rechtsoverwegingen 14 en 15 van de aangevallen uitspraak (zie onder 2) – moet in dit geval als misbruik van recht worden aangemerkt. Van een concreet en valide belang als bedoeld in 4.13 bij het maken van bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2019 was evident geen sprake.
Gelet op het voorgaande heeft appellant de bevoegdheid om bezwaar te maken gebruikt zonder redelijk doel of met een ander doel dan waartoe zij gegeven is, zodanig dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw. Daarom heeft appellant misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid beroep in te stellen, nu dat niet los kan worden gezien van het doel waarmee appellant het bezwaar heeft ingediend. Hieruit volgt dat de rechtbank het beroep in deze zaak terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden bevestigd.
Bijzondere bijstand voor reiskosten (20/4270 PW)
Voor de feiten van deze zaak wordt verwezen naar 1.12.
De Raad is van oordeel dat in deze zaak ook sprake is van een concreet en valide belang als bedoeld in 4.13. Hierbij is het volgende van belang. Appellant heeft op 26 maart 2019 een zitting bijgewoond bij de rechtbank in een zaak die ging om een afgewezen aanvraag om bedrijfskrediet op grond van de Bbz. In dit verband heeft appellant reiskosten gemaakt. Door voor deze kosten bijzondere bijstand aan te vragen, kan niet worden gezegd dat appellant misbruik heeft gemaakt van recht. Het gaat hier om een reëel belang. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.
Uit 4.17.2 volgt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep in deze zaak gegrond verklaren en bestreden besluit 12 vernietigen. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om het geschil definitief te beslechten. Het dagelijks bestuur krijgt dan ook de opdracht om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2019 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
Beroep niet tijdig beslissen van 7 oktober 2019 (20/4275 PW)
Voor de feiten van deze zaak wordt verwezen naar 1.16.1 tot en met 1.16.3.
Appellant heeft op 7 oktober 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift van 25 juli 2019. Bij besluit van 26 augustus 2019 had het dagelijks bestuur echter al op dat bezwaarschrift beslist.
Het indienen van een beroepschrift in verband met het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift en het handhaven van die procedure, terwijl het voor appellant evident duidelijk had moeten zijn dat het dagelijks bestuur al op het bezwaarschrift had beslist, ook gegeven de omstandigheid dat appellant de ontvangst van het besluit van 26 augustus 2019 niet heeft betwist, in combinatie met de onevenredige belasting en de proceshouding van appellant – zoals benoemd in rechtsoverwegingen 14 en 15 van de aangevallen uitspraak (zie onder 2) – moet in dit geval als misbruik van recht worden aangemerkt. Van een concreet en valide belang als bedoeld in 4.13 was bij het indienen van voornoemd beroep evident geen sprake.
Gelet op het voorgaande heeft appellant de bevoegdheid om beroep in te stellen gebruikt zonder redelijk doel of met een ander doel dan waartoe zij gegeven is, zodanig dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw. Daarom heeft appellant misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. De rechtbank heeft het beroep in deze zaak terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden bevestigd.
Bijzondere bijstand voor kosten lokale heffing 2019 (20/4284 PW)
Voor de feiten van deze zaak wordt verwezen naar 1.25.
De Raad is van oordeel dat in deze zaak ook sprake is van een concreet en valide belang als bedoeld in 4.13. Door voor de lokale heffingen over het jaar 2019 bijzondere bijstand aan te vragen, kan niet worden gezegd dat appellant misbruik heeft gemaakt van recht. Het gaat hier om een reëel belang. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep in deze zaak gegrond verklaren en bestreden besluit 24 vernietigen. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om het geschil definitief te beslechten. Het dagelijks bestuur krijgt dan ook de opdracht om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 16 juli 2019 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
Verzoek om schadevergoeding
5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Voor een vergoeding van wettelijke rente bestaat geen grond in de zaken in de zaken 20/4259 PW, 20/4260 PW, 20/4261 PW, 20/4262 PW, 20/4263 PW, 20/4264 PW, 20/4266 PW, 20/4267 PW, 20/4268 PW, 20/4269 PW, 20/4271 PW, 20/4272 PW, 20/4273 PW, 20/4275 PW, 20/4276 PW, 20/4277 PW, 20/4278 PW, 20/4279 PW, 20/4280 PW, 20/4281 PW, 20/4282 PW, 20/4283 PW, 20/4285 PW en 20/4286 PW. Het hoger beroep in die zaken slaagt immers niet. Daarnaast is niet zeker hoe de nieuw te nemen besluiten op het bezwaar in de zaken 20/4265 PW, 20/4270 PW en 20/4284 zullen luiden. Het is daarom nu niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja, in welke omvang appellant schade heeft geleden. Het verzoek om schadevergoeding zal voor die zaken daarom ook worden afgewezen. Het dagelijks bestuur zal bij de nadere besluitvorming moeten beoordelen of aanleiding bestaat voor vergoeding van wettelijke rente. Indien het nieuw te nemen besluit ertoe leidt dat enig bedrag aan appellant moet worden nabetaald, is het dagelijks bestuur gehouden tot vergoeding van wettelijke rente die zal moeten worden berekend zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3399, rechtsoverwegingen 7.5 tot en met 7.5.5.
6. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het dagelijks bestuur te nemen nieuwe beslissingen op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Proceskosten
7. Gelet op 4.15.3, 4.17.3 en 4.19.3 bestaat aanleiding om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 759,- voor in hoger beroep gemaakte proceskosten ter zake van de zitting van 2 november 2021.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en M. ter Brugge en J.E. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2022.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) Y. Al-Qaq