ECLI:NL:GHSHE:2024:439

ECLI:NL:GHSHE:2024:439, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-02-2024, 200.308.978_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 15-02-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.308.978_01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2023:2850
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2025:844
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

nnb

Uitspraak

8. De beschikking d.d. 7 september 2023

Bij die beschikking heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op het voornemen van het hof een deskundige te benoemen voor de bepaling van de vraagprijs van de woning. Partijen zijn gevraagd om – bij voorkeur eensluidend – voorstellen te doen ten aanzien van de persoon van de te benoemen deskundige. Tevens zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de peildatum voor de bepaling van de vraagprijs van de woning.

9. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Na voormelde tussenbeschikking van 7 september 2023 zijn de volgende stukken ter kennis van het hof gebracht:

10. De verdere beoordeling

In de tussenbeschikking van 7 september 2023 is geoordeeld dat “het beroep van de vrouw op (…) het ontbreken van een grondslag voor toewijzing van het verzoek (…) niet op gaat.”; (mede) op die grond is geoordeeld dat de grieven 1-3 van de man slagen en is, tot slot, overeenkomstig het verzoek van de man beslist dat het hof het voornemen heeft “een deskundige te benoemen voor de bepaling van de vraagprijs van de woning” (rov. 5.6.6).

Hiermee heeft het hof een geschilpunt, namelijk voor zover dit ziet op de inhoud van de schuldbekentenis, tussen partijen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist. In beginsel is het hof hieraan in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

Het hof ziet aanleiding om de zojuist weergegeven (bindende) eindbeslissing in heroverweging te nemen omdat deze mogelijk berust op een onjuiste juridische/feitelijke grondslag.

De vrouw heeft namelijk ook nog, zonder dat het hof daarop is ingegaan, aangevoerd dat:

er alleen een verplichting jegens de man tot verrekening was in geval van “scheiding” (verweerschrift in hb, pt. 15);

in de overeenkomst de vraagprijs van de woning als uitgangspunt is genomen voor de bepaling van de vordering met een minimum van € 75.000,--; een vraagprijs nooit uitgangspunt is bij waardering van woningen in het geval van verdelingen of verrekeningen; het een feit van algemene bekendheid is dat de waarde van de woning in het economisch verkeer uitgangspunt is en niet de vraagprijs (id., pt. 18).

Voorts maakt de (bindende) eindbeslissing niet duidelijk op welk moment “de vraagprijs” van de woning moet worden bepaald (hierna: de peildatum). De peildatum kan echter niet los worden gezien van de zin die partijen, ook overigens, in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de schuldbekentenis mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf, HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Die onverbrekelijke samenhang blijkt ook uit de uitlatingen van partijen na de beschikking van 7 september 2023. De vrouw stelt bijvoorbeeld dat zij diverse verbouwingen heeft verricht, maar dat deze buiten de aan de man uit te keren overwaarde gehouden dienen te worden, aangezien deze hebben plaatsgevonden na het uiteengaan van partijen (in 2006). De man weerspreekt dit. Volgens hem maakt de schuldbekentenis geen onderscheid tussen autonome waardestijgingen en waardestijgingen veroorzaakt door verbouwingen.

Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen, zich uit te laten over het voornemen van het hof terug te komen van de in rov. 5.6.6 genomen eindbeslissing zoals hiervóór in rov. 10.1 weergegeven.

11. De beslissing

Het hof:

stelt partijen in de gelegenheid zich uiterlijk binnen vier weken na heden, dus uiterlijk 14 maart 2024, uit te laten over het voornemen van het hof terug te komen van de bindende eindbeslissing in de tussenbeschikking van 7 september 2023, zoals weergegeven in rov. 10.1.

stelt partijen in de gelegenheid binnen vier weken daarna, dus uiterlijk 11 april 2024 op de uitlating van de wederpartij te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, A.J.F. Manders en M.A. Ossentjuk, en is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2024 door mr. A.J.F. Manders in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?