D.
Tegenwoordig de Heren:
Donner, President;
Smits,
de Jong,
Hülsmann en
Petit, Raden;
Langemeijer, Procureur-Generaal;
van Oordt, Griffier.
Openbare terechtzitting van Vrijdag 10 Januari 1958.
De zitting is geopend des voormiddags te 10 uur.
De deurwaarder roept de volgende zaken uit:
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
in de zaak (No.9130) van:
[eiser] , wonende te [woonplaats], Turkije, eiser tot cassatie van een op 15 Mei 1957 door het Gerechtshof te Amsterdam tussen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. P.de Prez,
advocaat bij den Hogen Raad,
tegen
[eiser] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr.D.J. Veegens, mede advocaat bij den Hogen Raad;
Gehoord partijen;
Gehoord den Advocaat-Generaal s'Jacob, namens den Procureur-Generaal, in zijn conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiser tot cassatie in de kosten op het beroep gevallen; Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest, voor zover in cassatie van belang, blijkt:
dat de in Turkije woonachtige eiser tot cassatie, [eiser], op 7 September 1956 uit krachte van een daartoe van den President der Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam verkregen verlof ten laste van [eiser] heeft doen leggen een beslag als bedoeld in artikel 764 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (vreemdelingenbeslag) op aan [eiser] toebehorende zich te Amsterdam onder meer onder de firma [A] bevindende aandelen in de N.V. [B] te Amsterdam, alsmede enige in 's Hofs arrest nader aangeduide conservatoire derden beslagen; dat [eiser] vervolgens [eiser] voor voornoemde Rechtbank heeft gedagvaard en diens veroordeling heeft gevorderd tot betaling van 25.000 Turkse ponden of de tegenwaarde daarvan in Nederlands geld met rente, onder vanwaarde verklaring van de vorenbedoelde beslagen;
dat [eiser] bij de dagvaarding, welke de onderhavige procedure heeft ingeleid, [eiser] in kort geding heeft gedaagd voor den President der Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam en heeft gevorderd de voormelde beslagen op te heffen;
dat de President bij vonnis van 4 Januari 1957 de bedoelde ten verzoeke van [eiser] gelegde beslagen heeft opgeheven en buiten effect gesteld, uit overweging dat naar zijn aanvankelijk oordeel van de door [eiser] gepretendeerde vordering op [eiser], ter zake waarvan de beslagen gelegd waren, geheel onvoldoende blijkt; dat de President verder nog heeft overwogen:
"dat [eiser] nog heeft aangevoerd dat door toewijzing der vordering - in strijd met artikel 292 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - nadeel zou worden toegebracht aan de zaak ten principale, evenwel ten onrechte, omdat door een zodanige voorziening geen uitspraak wordt gedaan omtrent de rechten van partijen, hoezeer bij een dergelijke voorziening de belangen van partijen met name ook die van [eiser] mogen zijn betrokken, waarbij wij in aanmerking nemen, dat door toewijzing der vordering niet een ongerechtvaardigd, onherstelbaar nadeel aan de belangen van [eiser] in het bodemgeschil zal worden toegebracht;"
dat het Hof bij het bestreden arrest, gewezen op het door [eiser] ingestelde appèl, de uitspraak waarvan beroep heeft bekrachtigd, na onder meer te hebben overwogen, dat het Hof met den President van oordeel is, dat [eiser] niet er in is geslaagd summierlijk aannemelijk te maken, dat hij op betaling door [eiser] van 25.000 Turkse ponden aanspraak kan maken en voorts:
"dat de vierde grief van [eiser] zich richt tegen de verwerping van zijn beroep op het voorschrift van artikel 292 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
"dat het Hof ook deze grief verwerpt, daar niet valt in te zien, dat opheffing van de gelegde beslagen de uitspraak in het bodemgeschil zou kunnen beinvloeden;" Overwegende dat [eiser] tegen deze uitspraak als middel van cassatie heeft voorgedragen: "Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen: 175 der Grondwet, 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie en het beleid der Justitie, 48, 59, 292, 353, 764, 765, 767, 769, 770 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
doordien het Hof na te hebben overwogen als hierboven weergegeven, vervolgens het vonnis van de president der rechtbank, houdende opheffing en buiten effect stelling van vorenbedoelde beslagen, heeft bekrachtigd,
ten onrechte en in strijd met de aangehaalde wetsartikelen, omdat de bevoegdheid van de rechtbank in de procedure tot vanwaarde verklaring der gelegde beslagen afhankelijk was van het (voort)bestaan (van een) dezer beslagen, zodat de uitspraak in het bodemgeschil geheel anders zou komen te luiden bij handhaving der gelegde beslagen dan bij opheffing en buiten effect stelling daarvan,
terwijl [eiser] in het bodemgeschil de onbevoegdheid van de rechter op grond van de opheffing en buiten effect stelling der gelegde beslagen heeft opgeworpen, en niet werd vastgesteld, dat de gelegde beslagen in elk geval zouden moeten worden opgeheven op grond van hun vexatoir karakter of het niet bestaan van de vordering ter verzekering waarvan zij werden gelegd;
en in het algemeen niet is aangegeven waarom het bodemgeschil niet zou kunnen worden beinvloed door de uitspraak van de president, zodat de overwegingen van het arrest geen inzicht geven in de gedachtengang van het Hof en dit dus niet, althans niet begrijpelijk en naar de eis der wet met redenen is omkleed;"
Overwegende dat de omstandigheid dat in een geval als het onderhavige - waarin beide partijen vreemdelingen zijn en geen bekende woonplaats binnen het rijk hebben en waarin de bevoegdheid van een Nederlandse rechter om over het tussen partijen bestaande geschil te oordelen uitsluitend berust op het voorschrift van artikel 767 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, volgens hetwelk het in artikel 764 bedoelde beslag competentie schept - door de opheffing van het beslag in kort geding als te dezen geschied de bevoegdheid van de rechtbank, binnen welker rechtsgebied het beslag is gelegd, om met de vordering tot van waarde verklaring tevens de hoofdvordering, waarvoor het beslag gelegd is, te berechten komt te vervallen, niet meebrengt dat de rechter in kort geding door die opheffing te bevelen in strijd zou handelen met het bepaalde in artikel 292 van genoemd wetboek;
dat toch dit artikel, hetwelk bepaalt dat de beslissingen bij voorraad geen nadeel toebrengen aan de zaak ten principale, zich niet richt tot den rechter in kort geding, doch tot den rechter die van het bodemgeschil kennis neemt en slechts den regel stelt dat laatstgenoemde rechter door de - voorlopige - beslissingen van den rechter in kort geding niet als door een gewijsde gebonden is;
dat mitsdien het middel faalt wat betreft de daarin vervatte grief dat het Hof door in dezen, met verwerping van het beroep van [eiser] op artikel 292, de door den President uitgesproken opheffing der beslagen te bekrachtigen bedoelde wetsbepaling heeft geschonden of verkeerd toegepast;
Overwegende dat evenmin doel treft de klacht aan het slot van het middel, dat de verwerping door het Hof van het beroep van [eiser] op artikel 292 niet naar den eis der wet met redenen zou zijn omkleed, vermits het Hof te dezen een beslissing heeft gegeven, welke, als zijnde van zuiver rechtskundigen aard, geen motivering behoeft;
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt den eiser tot cassatie in de daarop gevallen kosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van verweerder begroot op twee en twintig gulden vijftig cent aan verschotten en op zevenhonderd vijftig gulden voor salaris;
Gedaan bij de Heren Donner, President, Smits, Boltjes, Hülsmann en Petit, Raden, en door voornoemden President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den tienden Januari 1900 acht en vijftig, in tegenwoordigheid van den Procureur-Generaal.