11 februari 1994
Eerste Kamer
Nr. 15.256
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiseres 1] , en
2. [eiser 2] , beiden wonende te [woonplaats] ,
EISERS tot cassatie,
advocaat: Mr. J.A. Meijer,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eisers] - hebben bij exploit van 26 februari 1992 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Arnhem en gevorderd [verweerder] te veroordelen tot opheffing van het door hem gelegde conservatoir beslag op het onroerend goed, gelegen te [woonplaats] aan de Harmsesteeg no. 3A.
[verweerder] heeft tegen de vordering verweer gevoerd en in reconventie gevorderd opheffing van het door [eisers] gelegde beslag en veroordeling van [eisers] om hun volledige medewerking te verlenen aan en maatregelen te nemen tot eigendomsoverdracht door middel van het doen verlijden van een notariƫle akte van transport van het onderhavige onroerend goed aan [verweerder] , met bepaling dat bij weigering van [eisers] de uitspraak dezelfde kracht zal hebben als een in wettige vorm opgemaakte akte en in de plaats van die akte zal treden. De President heeft bij vonnis van 12 maart 1992 zowel in conventie als in reconventie de gevraagde voorzieningen geweigerd.
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem, waarna [eisers] incidenteel hoger beroep hebben ingesteld.
Bij arrest van 24 november 1992 heeft het Hof in het principaal appel het bestreden vonnis, voor zover in reconventie gewezen, vernietigd en de reconventionele vorderingen toegewezen. In het incidenteel appel heeft het Hof het bestreden vonnis, voor zover in conventie gewezen, bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Het gaat in dit kort geding om het volgende.
[betrokkene 1] heeft zijn woonhuis met grond en verdere opstallen (hierna kortweg te noemen: het huis) in januari 1992 verkocht aan [verweerder] . Eerder had [betrokkene 1] over verkoop van het huis onderhandeld met [eisers] , die stellen dat hij daarbij in februari 1991 aan hen een recht van eerste koop had verleend en dat vervolgens in 1991 een koopovereenkomst tussen hen en [betrokkene 1] tot stand is gekomen. [verweerder] betwist een en ander.
[eisers] hebben op 18 februari 1992 op de voet van art. 730 Rv. op het huis conservatoir beslag tot levering doen leggen, waarna [verweerder] op 21 februari 1992 hetzelfde heeft gedaan. Het door [verweerder] gelegde beslag is op 21 februari 1992 te 14.55 uur ingeschreven in de openbare registers.
Op 21 februari 1992 te 15.20 uur is een notariƫle akte verleden waarbij [betrokkene 1] het huis leverde aan [eisers]
hebben opheffing van het door [verweerder] gelegde beslag gevorderd, terwijl [verweerder] in reconventie heeft gevorderd dat [eisers] worden veroordeeld tot opheffing van het door hen gelegde beslag alsmede tot - kort gezegd - medewerking aan eigendomsoverdracht van het huis aan [verweerder] .
De President heeft zowel in conventie als in reconventie de gevraagde voorzieningen geweigerd op de grond dat in kort geding geen plaats is voor het diepgaand onderzoek dat nodig is om vast te stellen wie het gelijk aan zijn zijde heeft.
Hangende het hoger beroep heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgehad. Mede op grond van de daarbij afgelegde en aan het Hof overgelegde getuigenverklaringen is het Hof tot het voorlopig oordeel gekomen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eisers] reeds "een kooprecht c.q. een leveringsrecht" met betrekking tot het huis hadden voordat de koopovereenkomst tussen [betrokkene 1] en [verweerder] werd gesloten (rov. 6). Het Hof heeft daarom de vorderingen van [verweerder] toegewezen zoals hiervoor onder 1 vermeld.
3.2 Middel I richt een motiveringsklacht tegen voormeld oordeel van het Hof. De klacht komt erop neer dat het Hof onvoldoende inzicht in zijn gedachtengang heeft gegeven door niet tot uitdrukking te brengen waarom het geen (doorslaggevend) gewicht heeft toegekend aan de verklaring van de getuige [getuige]. De klacht kan niet tot cassatie leiden aangezien de waardering van getuigenbewijs is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en deze rechter niet gehouden is te motiveren waarom hij aan de verklaring van een getuige geen geloof hecht of daaraan minder gewicht toekent dan aan die van andere getuigen. In het licht van de gedingstukken is het bestreden oordeel ook niet onbegrijpelijk.
3.3 Middel II strekt ten betoge dat het Hof, door bij wege van voorlopige voorziening [eisers] te veroordelen tot het verlenen van volledige medewerking aan eigendomsoverdracht van het huis aan [verweerder] , heeft miskend dat voorlopige beslissingen geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak ten principale.
Dit betoog faalt. Het miskent dat art. 292 Rv. zich niet richt tot de rechter in kort geding, maar tot de rechter die van het bodemgeschil kennis neemt, en dat de rechter in kort geding ook een voorziening kan treffen waarvan de gevolgen in feite niet meer herstelbaar zijn, indien het spoedeisend karakter aanwezig is en de gevraagde voorziening wordt gerechtvaardigd door een billijke afweging van de belangen van partijen (HR 8 februari 1946, NJ 1946, 166).
Voor zover het middel ervan uitgaat dat [eisers] ten gevolge van de door het Hof getroffen voorziening geen levering van het huis meer zullen kunnen verkrijgen, ook als in de bodemprocedure zou worden vastgesteld dat hun recht op levering ingevolge art. 3:298 BW boven dat van [verweerder] ging, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Een dergelijke vaststelling in de bodemprocedure zou immers tevens doen vaststaan dat de levering die op 21 februari 1992 aan [eisers] heeft plaatsgevonden, tegen [verweerder] kon worden ingeroepen, zulks in weerwil van het door deze tijdig gelegde beslag als bedoeld in art. 730 e.v. Rv., aan welk beslag [verweerder] immers geen sterker recht op levering kon ontlenen dan hem op grond van art. 3:298 toekwam. Een zodanige uitkomst brengt mee dat de ingevolge 's Hofs beslissing in dit kort geding bewerkstelligde levering aan [verweerder] door het wegvallen van de door het Hof aangenomen rechtsgrond - in het bijzonder de door het Hof aangenomen verplichting van [eisers] om aan de overdracht aan [verweerder] mee te werken - niet tot een geldige overdracht heeft geleid, zodat [eisers] , ook jegens [verweerder] , eigenaar van het huis zijn gebleven en deze eigendom niet op [verweerder] is overgegaan (vgl. HR 2 december 1966, NJ 1967, 353).
3.4 Middel III faalt omdat het miskent dat de beslissing van het Hof geen afbreuk doet aan de verplichting van [betrokkene 1] om aan [eisers] de door hen betaalde koopprijs te restitueren, noch aan de verplichting van [verweerder] om aan [betrokkene 1] de tussen hen overeengekomen koopprijs te betalen. Het Hof was niet gehouden tot het geven van nadere aanwijzingen te dien aanzien.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Korthals Altes, Neleman en Nieuwenhuis, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 11 februari 1994.