30 januari 2018
Strafkamer
nr. S 16/03544
EC/NA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 8 juli 2016, nummer 23/003903-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, en C. Grijsen, advocaat te Almere, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De raadsvrouwe Grijsen heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel klaagt dat de in zaak A (met parketnummer 13-654168-15) onder 2 bewezenverklaarde opzettelijke wederrechtelijke toe-eigening niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
Ten laste van de verdachte is in zaak A onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 6 juli 2015 tot en met 16 juli 2015 te Amsterdam, opzettelijk een bankpas op naam van [betrokkene 1] en een map met daarin een ov-kaart en pasjes op naam van [betrokkene 2] , toebehorende aan [betrokkene 1] of [betrokkene 2] , welke goederen verdachte heeft gevonden, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015161123-10 van 16 juli 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (...)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 16 juli 2015 bevond ik mij in politiebureau Beursstraat te Amsterdam. Ik had de taak de diverse bezittingen van [verdachte] na te kijken en op te bergen. Mij viel op dat er tussen de bezittingen van [verdachte] een aantal goederen zaten welke niet van hem zijn. Ik trof namelijk een ING bankpas en een mapje met een OV kaart en een ander pasje allen op naam van andere personen dan de verdachte [verdachte] .
Goederen:
Bankbescheiden ING betaalpas o.n.v. [betrokkene 1]
Mapje met ov kaart en pasjes o.n.v. [betrokkene 2]
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 september 2015.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik had de bankpas al een tijd in mijn bezit en heb zowel deze pas, als de OV kaart gevonden. Ik heb de OV kaart gevonden bij de Munt en een dag later trof ik de bankpas aan op een elektriciteitskast."
Het Hof heeft voorts ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:
"De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde - kort en zakelijk samengevat - op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte geenszins de intentie had zich de pasjes wederrechtelijk toe te eigenen en hij van plan was de pasjes in te leveren bij gevonden voorwerpen.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een deel van de goederen al langere tijd in zijn bezit had. Dat de verdachte de intentie had de pasjes terug te geven aan de rechtmatige eigenaren, via gevonden voorwerpen dan wel de politie, is onaannemelijk. De verdachte had de pasjes onverwijld kunnen en moeten afleveren bij bijvoorbeeld een politiebureau, hetgeen hij niet heeft gedaan. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte zich de pasjes wederrechtelijk heeft toegeëigend."
Het Hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat op het politiebureau de in de bewezenverklaring omschreven goederen - een kaart en passen op naam van een ander dan verdachte gesteld - zijn aangetroffen tussen de bezittingen van de verdachte en dat hij deze (gevonden) goederen niet eigener beweging heeft afgeleverd bij bijvoorbeeld "gevonden voorwerpen" (waarmee kennelijk is bedoeld de desbetreffende afdeling van de gemeente) of een politiebureau terwijl hij de goederen al langere tijd in zijn bezit had. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de intentie had die goederen terug te geven aan de rechtmatige eigenaren. Uit deze omstandigheden heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte zich de goederen opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend in de zin van art. 321 Sr.
Het middel faalt.
3. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2018.