ECLI:NL:HR:2026:560

ECLI:NL:HR:2026:560

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer 24/00396
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:187
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:323

Samenvatting

Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel in verkeer veroorzaken door opzettelijk verkeersregels in ernstige mate te schenden door als bestuurder van bedrijfsauto tijdens politieachtervolging ’s avonds laat met gedoofde lichten en te hoge snelheden (tussen 70 en 120 kilometer per uur) door smalle straten te rijden, terwijl daar maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt en op wegdek sneeuw en ijzel liggen, vervolgens met snelheid van 40 kilometer per uur over voetpad te rijden, door drukbezocht park (waar motorrijtuigen niet zijn toegestaan) te rijden, frontaal op dienstvoertuig van verbalisanten af te rijden en uiteindelijk tegen appartementencomplex aan te rijden, art. 5a.1 WVW 1994. Kon hof oordelen dat door bewezenverklaarde gedragingen “levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander(en) te duchten was”? Art. 5a.1 WVW 1994 beschrijft (niet uitputtend) reeks gedragingen. O.g.v. art. 5a.1 WVW 1994 is het verboden, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, zich opzettelijk zodanig in verkeer te gedragen dat verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander te duchten is. Om te kunnen beoordelen of gelet op bewezenverklaard gedrag waarmee verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander te duchten was, moet worden vastgesteld of dit gevaar naar algemene ervaringsregels te voorzien was. Dit vergt beoordeling aan de hand van concrete f&o van geval, waaronder plaats waar en tijdstip waarop genoemd gedrag heeft plaatsgevonden. Bij dit oordeel is van belang dat in verkeer in het algemeen niet goed voorspelbaar is bij welke andere verkeersdeelnemers men in nabijheid zal komen en hoe deze zullen reageren op schending van verkeersregels. Van het duchten van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander kan daarom ook sprake zijn als gedrag waarmee verkeersregels in ernstige mate is geschonden, met zich brengt dat bestuurder van voertuig niet in staat kan worden geacht steeds adequaat te reageren op aanwezigheid en verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers (vgl. HR:2025:344). ’s Hofs op zijn vaststellingen in zijn nadere bewijsoverwegingen gebaseerde oordeel dat, gelet op gedragingen van verdachte waarmee hij verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden, vermogen van verdachte om te anticiperen en (tijdig) te reageren op gedragingen van andere weggebruikers fors afneemt en daarbij tijd die nodig is om voor eventuele anderen te remmen toeneemt, zodat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is dat die gedragingen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar met zich brengen, getuigt (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00396

Datum 7 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 februari 2024, nummer 20-002747-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof heeft bewezenverklaard dat ‘levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was’.

Overeenkomstig de tenlastelegging is in de zaak met parketnummer 01-167213-21 onder 1 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij omstreeks 16 januari 2021 te [plaats] als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto/bakwagen), daarmee rijdende op de weg, de [a-straat] , [b-straat] , [c-straat] , [d-straat] , [e-straat] , [f-straat] , [g-straat] , [h-straat] , [i-straat] , [j-straat] , [k-straat] , [l-straat] , [m-straat] , [n-straat] , [o-straat] , [p-straat] , [q-straat] , en de [r-straat] , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door - de verlichting van zijn, verdachtes, voertuig te doven, - meermalen met een snelheid van ongeveer (tenminste) 80 en 90 en 120 km/h, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 30 of 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, te rijden, - meermalen rakelings langs geparkeerde voertuigen en een boom en een schutting te rijden, - met een snelheid van ongeveer (tenminste) 40 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, over een voetpad te rijden,- niet te remmen bij kruispunten waar hij, verdachte, onvoldoende zicht had op het overige verkeer,- met een snelheid van ongeveer (tenminste) 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, tegen een trottoirpaal aan te rijden,- met een snelheid van ongeveer (tenminste) 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, door een park te rijden waar zich voetgangers bevonden, en/of - met een snelheid van ongeveer (tenminste) 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, tegen een appartementencomplex te rijden door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was.”

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer 2021011953-3 d.d. 17 januari 2021 met bijlage (pagina’s 6-10), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op zaterdag 16 januari 2021 omstreeks 23:45 uur (...) bevonden wij ons op [a-straat] te [plaats] en reden wij in de richting van de [s-straat] te [plaats] . Op het wegdek lag sneeuw en ijzel door sneeuwval gedurende de gehele avond. Wij zagen komende vanaf de [s-straat] gaande in de richting van de [a-straat] een bedrijfsauto (bakwagen) rijden. Dit voertuig trok onze aandacht omdat de bestuurder lang in onze richting keek. Wij zagen dat er één persoon in het voertuig zat. Wij besloten te keren om het voertuig en de bestuurder aan een controle te onderwerpen.

Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften hebben wij, verbalisanten het voertuig op de [a-straat] een stopteken gegeven. Het stopteken werd gegeven middels het stoptransparant aan de voorzijde van ons dienstvoertuig.

Wij zagen dat de bestuurder direct zijn snelheid begon te verhogen. De [a-straat] is een 30 kilometer zone die ook als dusdanig is ingericht. Wij verbalisanten zagen op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op de [a-straat] opliep tot 80 kilometer per uur. Wij zagen het voertuig op ons uitlopen.

Wij zagen het voertuig op de [a-straat] rechtsaf de [b-straat] inrijden. Hierna zagen wij hem rechtsaf gaan om zijn weg te vervolgen over de [c-straat] . Op de [c-straat] activeerden wij de optische en geluidsignalen van ons dienstvoertuig. Vervolgens zagen wij dat de verlichting van het voertuig werd gedoofd. (...)

Ik [verbalisant 1] zag op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op de [c-straat] ten minste 90 kilometer per uur betrof. Wij zagen dat de afstand tussen ons en het voertuig vrijwel gelijk bleef. Wij zagen het voertuig vanaf de [c-straat] linksaf de [d-straat] inrijden. Vanaf de [d-straat] vervolgde hij zijn weg linksaf over de [e-straat] en de [f-straat] .

Wij zagen dat de [e-straat] en [f-straat] smalle straten betroffen waar zowel aan de linker- als aan de rechterzijde voertuigen stonden geparkeerd. De combinatie van de smalle straten en het formaat van het voertuig maakte dat hij rakelings langs de geparkeerde voertuigen reed. Ik [verbalisant 1] zag op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op de [f-straat] ten minste 80 kilometer per uur betrof. (...)

Vervolgens zagen wij het voertuig rechtsaf zijn weg vervolgen over de [g-straat] . Ik [verbalisant 1] zag op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op de [g-straat] ten minste 120 kilometer per uur betrof. Wij zagen dat de afstand tussen ons en het voertuig vrijwel gelijk bleef.

Hierna zagen wij het voertuig links de [h-straat] inrijden. Aan het einde van de [h-straat] zagen wij hem rechtsaf de [i-straat] inrijden. Wij zagen dat de [i-straat] een smalle straat betrof waar zowel aan de linker als aan de rechterzijde voertuigen stonden geparkeerd. Wij zagen dat hij rakelings langs de geparkeerde voertuigen reed.

Aan het einde van de [i-straat] zagen wij hem rechtsaf over de [j-straat] rijden. Vanuit de [j-straat] zagen wij hem over het voetpad rijden welke was gelegen tussen de [l-straat 1] en [l-straat 2] . Wij zagen hem met hoge snelheid rakelings langs een schutting en boom rijden. Ik [verbalisant 1] zag op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op deze locatie ten minste 40 kilometer per uur betrof. Wij zagen dat de afstand tussen ons en het voertuig vrijwel gelijk bleef. Wij zagen het voertuig met deze snelheid door het plantsoen / park rijden en via het voetpad de [g-straat] overstak in de richting van de [k-straat] . Wij zagen dat het vanwege de bebouwing op de [l-straat] onmogelijk was om voldoende zicht te pakken op de [g-straat] en het naastgelegen voetpad en fietspad. De [g-straat] is een drukke verbindingsweg waar de maximum toegestane snelheid 50 kilometer per uur betreft. Wij zagen het voertuig vanuit het park/plantsoen direct zijn snelheid verhoogde om daarna de [g-straat] over te steken. Wij zagen hem daarbij het voetpad, fietspad en de rijbaan kruisen om zijn weg te kunnen vervolgen over de [k-straat] .

Op de [k-straat] zagen wij hem rechtsaf de [m-straat] inrijden. Aan het einde van de [m-straat] zagen wij hem rechtsaf de [g-straat] oprijden. Aan het einde van de [g-straat] zagen wij hem linksaf de [n-straat] oprijden. Op de [n-straat] zagen wij hem rechtsaf zijn weg vervolgen over de [o-straat] te [plaats] . Wij verbalisanten zagen op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op de [o-straat] opliep tot ten minste 90 kilometer per uur. Wij zagen dat de afstand tussen ons en het voertuig vrijwel gelijk bleef.

Op de [o-straat] zagen wij het voertuig linksaf zijn weg vervolgen over de [p-straat] te [plaats] . Wij zagen dat de [p-straat] een smalle straat betrof waar zowel aan de linker als aan de rechterzijde voertuigen stonden geparkeerd. Wij zagen dat hij rakelings langs de geparkeerde voertuigen reed. Wij verbalisanten zagen op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op de [p-straat] opliep tot ten minste 70 kilometer per uur. Wij zagen dat de afstand tussen ons en het voertuig vrijwel gelijk bleef. Wij zagen dat de [p-straat] een doodlopende straat betrof welke uitkwam op een voetpad van [q-straat] .

Het is mij als wijkagent ambtshalve bekend dat [q-straat] een druk bezocht park is waar wijkbewoners voor het slapengaan hun hond uitlaten. Wij zagen dat de toegang tot dit park voor voertuigen werd geblokkeerd door een houten trottoirpaal.

Wij zagen de verdachte opzettelijk en met een snelheid van ten minste 50 kilometer per uur tegen de trottoirpaal rijden. Wij zagen delen van het carrosserie (bumper) van het voertuig door de lucht vliegen. Wij zagen dat het voertuig te breed was voor het voetpad en daardoor ook de omheining van het plantsoen kapot werd gereden. Wij zagen de stukken staal/aluminium door de lucht vliegen. Vanuit de [p-straat] was het door de aanwezige bosschages onoverzichtelijk en onmogelijk om eventuele voetgangers in het park waar te nemen. Het park bestaat voor een groot gedeelte uit gras wat de remweg in deze weersomstandigheden niet ten goede komt. Wij voelden ons dienstvoertuig bij elke stuur en rembeweging schuiven. Wij besloten onze snelheid aan te passen op deze omstandigheden. Wij zagen dat de verdachte dit niet deed en met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur door het park bleef rijden. Wij zagen in het park op een afstand van ongeveer 20 meter twee personen met een hond lopen.

Bovenstaande bevindingen tezamen met het niet voeren van verlichting, het ontbreken van straatverlichting, zijn snelheid, de ondergrond (gras) en de weersomstandigheden (sneeuw) maakt het een wonder dat er geen slachtoffers zijn gevallen.

Vervolgens zagen wij het voertuig door het park in de richting van de [r-straat] rijden. Wij zagen hem rakelings langs bomen rijden en vervolgens tot stilstand komen tegen een appartementencomplex op de [r-straat] . Wij zagen dat het voertuig met de linker voorzijde tegen de muur van het appartementencomplex was gereden.

Portofonisch hoorden wij dat collega [verbalisant 4] de verdachte uit het voertuig zag wegrennen in de richting van de [t-straat] . (...)

Het voertuig is bij ons de gehele achtervolging in zicht geweest.

Met uitzondering van de [g-straat] zijn bovengenoemde straten allen ingericht als zijnde een 30 kilometer zone.

2. Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer 2021011953-2 d.d. 17 januari 2021 met bijlage (pagina’s 11-14), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Op zaterdag 17 januari 2021 (...) omstreeks 23.45 uur hoorden wij via de portofoon dat collega’s [verbalisant 1] en [verbalisant 2] achter een voertuig zaten welke niet voldeed aan een stopteken middels stoptransparant dat de collega's hadden gegeven. (...)

Vervolgens hoorden wij dat het voertuig de [p-straat] op reed richting [q-straat] . Wij, verbalisanten reden op de [u-straat] en vanuit daar [q-straat] in. Wij zagen dat het voertuig door het park reed onze kant op. Wij zagen dat het voertuig ons frontaal naderde. Wij zagen dat de collega's met optische- en geluidssignalen en een stopteken middels rode lichttransparant achter het voertuig reden. Wij zagen dat het voertuig vanuit [q-straat] op zo’n 10 meter voor ons afsloeg en probeerde door te steken richting de [r-straat] . Aldaar zagen wij dat het voertuig tegen een appartementencomplex crashte.

Ik, [verbalisant 4] , zag dat het voertuig met de zijde van de bestuurderskant tegen het appartementencomplex was gecrasht. Ik zag dat er een man aan de bijrijderszijde uit het voertuig sprong. Ik zag dat de man rechts van het voertuig weg rende door de voortuinen van de woningen welke gelegen zijn aan de [r-straat] […] tot en met […] . Ik zag dat de man bij perceel […] over de schutting klom richting de [r-straat] . Ik rende om de schutting heen en zag dat de verdachte over de schutting was geklommen en in de groenvoorziening stond. Ik, [verbalisant 4] , stond één tegen één met de verdachte. (...) Ik hield de verdachte aan voor overtredingen van artikel 5a en 7 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte gaf op [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1975 te zijn. (...)

Ik, [verbalisant 3] , zag in het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer dat [verdachte] niet in het bezit is van enig rijbewijs. (...)”

Het hof heeft over de bewezenverklaring verder onder meer overwogen:

“Beoordeling van de verkeersovertredingen aan de hand van de maatstaf van artikel 5a Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5a Wegenverkeerswet 1994 Het hof dient te beoordelen of de verdachte met het uit de bewijsmiddelen blijkende rijgedrag (I) de verkeersregels heeft geschonden, (II) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (III) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (IV) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. Met andere woorden; vastgesteld dient te worden dat de verdachte verkeersovertredingen heeft begaan waardoor zeer gevaarlijke situaties zijn ontstaan en bijgevolg door de verdachte onaanvaardbare risico’s zijn genomen, of nog anders gezegd: dat de verdachte welbewust en met groot gevaar voor andere medeweggebruikers in ernstige mate verkeersgedragsregels heeft overtreden.

I) De verkeersregels (...)

Op grond van de gebezigde, hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen, stelt het hof allereerst vast dat de verdachte omstreeks 16 januari 2021 te [plaats] als bestuurder van een bedrijfsauto/bakwagen minutenlang de ter plekke geldende maximumsnelheid van 30 of 50 kilometer per uur in zeer forse mate heeft overschreden (artikel 5a lid 1 sub g van de Wegenverkeerswet 1994). Daarbij heeft hij bij kruispunten waar hij onvoldoende zicht had niet geremd. Daarnaast is de verdachte omstreeks/op voornoemde datum en plaats met de bedrijfsauto/bakwagen, met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, over een voetpad gereden, tegen een trottoirpaal aan gereden, door een park gereden waar het door de aanwezige bosschages onoverzichtelijk en onmogelijk was om eventuele voetgangers waar te nemen en zich ten minste twee personen bevonden met een hond om uiteindelijk tegen een muur van een appartementencomplex tot stilstand te komen. Door zich aldus te gedragen, heeft de verdachte (potentieel) gevaar op de weg veroorzaakt en zich aldus schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, zijnde een andere dan de in artikel 5a lid 1 onder a tot en met l van de Wegenverkeerswet 1994 opgenomen verkeersregels, doch één van soortgelijk belang (artikel 5a lid 1 sub m van de Wegenverkeerswet 1994).

(...)

II) In ernstige mate (...)

Naar het oordeel van het hof zijn in het geval van de verdachte, de onder I genoemde verkeersregels in ernstige mate geschonden en kan derhalve worden gesproken van ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen de mate waarin de verdachte de ter plekke toegestane maximumsnelheid telkens overschreed (daar waar een snelheidslimiet van 30 kilometer per uur geldt, heeft de verdachte circa 80 en circa 90 kilometer per uur gereden en daar waar een snelheidslimiet van 50 kilometer per uur geldt, heeft de verdachte maar liefst circa 120 kilometer per uur gereden), de duur van die snelheidsoverschrijdingen (circa 5 tot 10 minuten lang) en de plaats waar de verdachte de snelheidsovertredingen beging, namelijk grotendeels in een woonwijk met op sommige plekken (zeer) smalle straten, daarbij het risico lopend op het toebrengen van schade aan in die straten geparkeerde voertuigen. Door het in een woonwijk, in dusdanig forse mate overtreden van de toegestane maximumsnelheid heeft de verdachte het zichzelf haast onmogelijk gemaakt om te (kunnen) anticiperen en (tijdig) te (kunnen) reageren op de gedragingen van andere weggebruikers. Daar komt bij dat ten tijde van de snelheidsovertredingen door de verdachte sprake was van sneeuwval en bijgevolg het wegdek bedekt was met sneeuw en ijzel, omstandigheden die maken dat je als bestuurder van een motorrijtuig in het verkeer geacht wordt extra voorzichtig en oplettend te zijn.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte met de bedrijfsauto/bakwagen over een voetpad en door een park en dus in voetgangersgebied – op dat moment was in het park ten minste één voetganger aanwezig –, waar motorrijtuigen in beginsel verboden zijn, is gereden, en dat met een snelheid van circa 40 kilometer per uur. Daarbij heeft de verdachte zich de toegang tot het park verschaft door met de bedrijfsauto/bakwagen tegen een trottoirpaal, die juist bedoeld is om de toegang tot het park voor motorrijtuigen te blokkeren, aan te rijden. Vervolgens is de verdachte tegen een appartementencomplex aangereden.

Tot slot acht het hof van belang dat de verdachte de onder I genoemde verkeersregels heeft overtreden, kennelijk met het enkele doel om te ontkomen aan de politie, die hem immers via een duidelijk zichtbaar stopteken aan de voorzijde van het politievoertuig had opgedragen de bedrijfsauto/bakwagen tot stilstand te brengen.

III) Opzettelijk (...) Blijkens de Memorie van Toelichting is opzet “gericht op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels en niet op de verder liggende gevaren of gevolgen”. Het hof zal zich dan ook beperken tot de vraag of het opzet van de verdachte gericht was op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

Het hof is van oordeel dat het als bestuurder van een motorijtuig gedurende circa 5 tot 10 minuten overtreden van de toegestane maximumsnelheid in de mate waarop de verdachte dit heeft gedaan, kennelijk met het enkele doel om te ontkomen aan de politie, niet anders dan met opzet kan zijn gedaan. Datzelfde geldt voor het met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was als bestuurder van een motorijtuig over een voetpad en door een park rijden, zeker gelet op het feit dat de verdachte zich de toegang tot dat park heeft verschaft door met de bedrijfsauto/bakwagen waarin hij reed tegen een trottoirpaal, die juist bedoeld is om de toegang tot het park voor motorrijtuigen te blokkeren, aan te rijden. Immers, de aan de verdachte toe te schrijven verkeershandelingen betreffen telkens nieuwe keuzes die zowel het weten als het aanvaarden impliceren. Daarmee is, gegeven de aard en de ernst van de hier aan de orde zijnde verkeersovertredingen, het opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels gegeven.

IV) Gevaar te duchten

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat van het door de verdachte in ernstige mate schenden van de verkeersregels geen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar te duchten was.

Het hof is een ander oordeel toegedaan en overweegt daartoe als volgt.

Het hof is van oordeel dat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is dat het met een bedrijfsauto/bakwagen met circa 80, 90 en 120 kilometer per uur door een woonwijk rijden, waar de toegestane maximumsnelheid in bijna alle straten 30 kilometer per uur betreft, en met een snelheid van circa 40 kilometer per uur over een voetpad en door een park rijden, waar motorrijtuigen in beginsel niet zijn toegestaan, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar met zich brengt. Het is evident dat bij het rijden met een dergelijke snelheid, onder meer op plaatsen waar motorrijtuigen in beginsel niet zijn toegestaan, voor de bestuurder het vermogen om te anticiperen en (tijdig) te reageren op de gedragingen van andere weggebruikers fors afneemt en daarbij de tijd die nodig is om voor eventuele anderen te remmen toeneemt, met als gevolg dat (zeer) gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Het hof neemt in dit verband in aanmerking dat zich in het park waar de verdachte met de bedrijfsauto/bakwagen doorheen is gereden, op korte afstand twee personen met een hond liepen.

Conclusie

Resumerend, is het hof van oordeel dat de gedragingen van verdachte, gelet op de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, toereikend zijn voor het oordeel dat verdachte welbewust en met groot gevaar voor andere medeweggebruikers in ernstige mate verkeersgedragsregels heeft overtreden. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en al het vorenoverwogene, acht het hof de aan de verdachte in de zaak met parketnummer 0116721321 onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 5a lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden dat ‘levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.

Artikel 5a lid 1 WVW 1994 luidt:

“Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt:

a. onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen;

b. gevaarlijk inhalen;

c. negeren van een rood kruis;

d. over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan;

e. inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats;

f. niet verlenen van voorrang;

g. overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid;

h. zeer dicht achter een ander voertuig rijden;

i. door rood licht rijden;

j. tegen de verkeersrichting inrijden;

k. tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden;

l. niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze wet bevoegde personen;

m. overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd.”

Artikel 5a lid 1 WVW 1994 beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen. Op grond van artikel 5a lid 1 WVW 1994 is het verboden, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, zich opzettelijk zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Om te kunnen beoordelen of gelet op het bewezenverklaarde gedrag waarmee de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, moet worden vastgesteld of dit gevaar naar algemene ervaringsregels te voorzien was. Dit vergt een beoordeling aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de plaats waar en het tijdstip waarop het genoemde gedrag heeft plaatsgevonden. Bij dit oordeel is van belang dat in het verkeer in het algemeen niet goed voorspelbaar is bij welke andere verkeersdeelnemers men in de nabijheid zal komen en hoe deze zullen reageren op een schending van verkeersregels. Van het duchten van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander kan daarom ook sprake zijn als het gedrag waarmee de verkeersregels in ernstige mate is geschonden, met zich brengt dat de bestuurder van het voertuig niet in staat kan worden geacht steeds adequaat te reageren op de aanwezigheid en het verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers. (Vgl. HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:344.)

Het hof heeft onder meer de volgende vaststellingen gedaan. Op zaterdag 16 januari 2021 vond omstreeks 23.45 uur een achtervolging van de verdachte (die reed in een bedrijfsauto) door de politie plaats. De verdachte heeft gedurende vijf tot tien minuten met gedoofde lichten en met hoge snelheden (tussen de 70 en 120 kilometer per uur) gereden op locaties waar in vrijwel alle straten een maximumsnelheid geldt van 30 kilometer per uur, terwijl op het wegdek sneeuw en ijzel lagen. De verdachte heeft tijdens de achtervolging met hoge snelheden door smalle straten gereden waarin zowel links als rechts voertuigen stonden geparkeerd en waar hij rakelings langs reed, met een snelheid van circa 40 kilometer per uur over een voetpad gereden en zonder voldoende zicht en zonder te remmen een drukke verbindingsweg met fiets- en voetpad gekruist. Vervolgens is de verdachte vanuit een doodlopende straat die uitkwam op een voetpad van een park het voetpad opgereden met een snelheid van ten minste 50 kilometer per uur, waarbij hij tegen een trottoirpaal aan is gereden die de toegang tot dit park voor voertuigen blokkeert, waardoor delen van de carrosserie (bumper) door de lucht vlogen. Het voertuig van de verdachte was te breed voor het voetpad, waardoor de omheining van het plantsoen kapot werd gereden en stukken staal/aluminium door de lucht vlogen. De verdachte reed het park in waar motorrijtuigen in beginsel niet zijn toegestaan en waar in verband met aanwezige bosschages sprake is van slecht zicht op eventuele voetgangers, terwijl dit park een drukbezocht park is waar wijkbewoners voor het slapengaan hun hond uitlaten. Het park bestaat grotendeels uit gras, waardoor de achtervolgende verbalisanten door de weersomstandigheden hun dienstvoertuig bij elke stuur- en rembeweging voelden schuiven. Volgens die verbalisanten liepen tijdens de achtervolging twee personen met een hond in het park op een afstand van twintig meter. De verdachte reed in het park frontaal op twee andere verbalisanten in hun dienstvoertuig af en sloeg ongeveer tien meter voor hen af, waarna hij tegen een appartementencomplex aan reed.

Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat, gelet op de gedragingen van de verdachte waarmee hij de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden, het vermogen van de verdachte om te anticiperen en (tijdig) te reageren op de gedragingen van andere weggebruikers fors afneemt en daarbij de tijd die nodig is om voor eventuele anderen te remmen toeneemt, zodat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is dat die gedragingen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar met zich brengen, getuigt – gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld – niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Het cassatiemiddel faalt.

3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?