ECLI:NL:HR:2026:689

ECLI:NL:HR:2026:689

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 17-04-2026
Zaaknummer 24/04190
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:232
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2024:6919

Samenvatting

Doodslag door in 2020 in Arnhem met vuurwapen te schieten in richting van zijn partner, art. 287 Sr. 1. Bewijsklacht opzet. Heeft verdachte aanmerkelijke kans op dood bewust aanvaard, nu hij dacht dat wapen op veiligheidspal stond? 2. Schriftuur benadeelde partij. Kunnen klachten over beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van vordering b.p. worden aangemerkt als middel a.b.i. wet? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2003:AE9049 en HR:1954:1 m.b.t. voorwaardelijk opzet op gevolg, maatstaf van aanmerkelijke kans en vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans. Bewijsvoering komt er op neer dat hof heeft vastgesteld dat verdachte wist dat vuurwapen echt wapen was dat functioneerde en dat geladen was met scherpe patronen. Verder heeft hof vastgesteld dat vuurwapen schietklaar was en dat verdachte, nadat hij met gestrekte arm wapen had gericht op slachtoffer, trekker heeft overgehaald. Hof heeft geoordeeld dat samenstel van gedragingen van verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op fataal gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard, en dat verdachte daarom handelde met (voorwaardelijk) opzet op dood van slachtoffer, ook als dat overhalen van trekker gebeurde i.h.k.v. grap en verdachte eerder had gehoord (en er daarom “van uitging”) dat wapen op “veiligheidspal” stond. In het licht van wat hiervoor is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van onjuiste rechtsopvatting. Oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat in ’s hofs overwegingen als zijn oordeel besloten ligt dat verdachte wist dat het ging om gevaarlijk voorwerp in de vorm van geladen vuurwapen, dat hij (door niet na te gaan of wapen op veiligheidspal stond en ook geen andere “veiligheidschecks” uit te voeren) ook wist dat niet was uitgesloten dat wapen zou kunnen afgaan, en dat hij daarmee aanmerkelijke kans dat hij, door richtend op slachtoffer trekker over te halen, slachtoffer dodelijk zou raken, bewust heeft aanvaard. Ad 2. Als cassatierechter onderzoekt HR alleen middelen a.b.i. wet. Dat geldt ook voor middelen a.b.i. art. 437.3 Sv. Als zo’n middel kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over rechtspunt betreffende haar vordering. Schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/04190

Datum 21 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 november 2024, nummer 21-002141-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat N. van Schaik bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat M. Ferwerda een schriftuur ingediend.

Namens de verdachte hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het namens de verdachte ingestelde beroep.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 05-177756-20 tenlastegelegde voor zover het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Het keert zich onder meer tegen het oordeel van het hof dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel heeft aanvaard, terwijl het hof heeft vastgesteld dat de verdachte dacht dat het wapen op de veiligheidspal stond.

Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-177756-20 bewezenverklaard dat:

“primair

hij op 7 juli 2020 te Arnhem [slachtoffer] , opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, met dat opzet, met een vuurwapen een schot op die [slachtoffer] afgevuurd, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2020314471-6, gesloten en ondertekend op 7 juli 2020 door [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op pagina 73 en 74, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 7 juli 2020 was ik, verbalisant [verbalisant 1] , werkzaam als wijkagent, in uniform gekleed en belast met een dienst in de wijk. Wij waren onderweg richting mijn wijk en waren ter hoogte van winkelcentrum Presikhaaf. Dit was omstreeks 10.09 uur. Op dat moment hoorde ik via de portofoon dat de meldkamer een melding uitgaf aan de noodhulp eenheden werkzaam in Arnhem Noord. Ik hoorde de meldkamer zeggen dat er een melding van een reanimatie was op de [a-straat 1] in Arnhem en dat er mogelijk geschoten zou zijn.

Ik, [verbalisant 1] , zag dat de vrouw op de grond lag en zag ter hoogte van haar linkerzij een klein wondje. Ik [verbalisant 1] had het vermoeden dat het ging om een schotwond.

2. Een geschrift, te weten het Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, opgemaakt door [naam 1] , arts en patholoog, op 14 juli 2020, voor zover inhoudende op pagina 347, 348 en 349, zakelijk weergegeven:

Overledene

Naam [slachtoffer]

Geboortedatum [geboortedatum] 1989

De bovengenoemde persoon is overleden in het Radboudumc op 7 juli 2020.

Interpretatie van resultaten

Voorts werd het letsel sub 5 vastgesteld, hetgeen bij leven is opgetreden door de inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld (ballistisch trauma/schotletsel), namelijk één inschot van de romp. Hierbij waren er onder andere perforaties van de milt, de borstholte beiderzijds, beide longen en de lichaamsslagader (aorta thoracalis). Perforatie van deze structuren heeft - mede gezien de bevindingen sub 6 - geleid tot ernstig bloedverlies. Perforatie van de borstholten en de longen heeft daarnaast geleid tot ademhalings- en longfunctiestoornissen. Bloedinademing (sub 7) kan aan deze longfunctiestoornissen een (geringe) bijdrage hebben geleverd. Als zodanig wordt het overlijden verklaard door algehele weefselschade op basis van bloedverlies, ademhalings- en longfunctiestoornissen.

Conclusie

Het overlijden van [slachtoffer] , 31 jaren oud, wordt verklaard door de gevolgen van één inschot van de romp.

3. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , met proces-verbaalnummer 20200707.1110, gesloten en ondertekend op 7 juli 2020 door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland en [verbalisant 5] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op pagina 279, zakelijk weergegeven:

A: Ik ben de moeder van [slachtoffer] . Ik was in de zitkamer aan het lezen. En toen hoorde ik één keertje bam.

Vraag verbalisanten: U bent naar de deur gegaan. Welke deur?

A: De deur van hun kamer. Slaapkamer.

V: Zij waren in de slaapkamer?

A. Ja slaapkamer.

V: Waar is die slaapkamer?

A: Naast mij, mij, mij kamer. Voor mij. Waar ik lig.

V. Naast uw slaapkamer?

A: Ja, tegenover.

4. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , met proces-verbaalnummer 20200717.1114, gesloten en ondertekend op 17 juli 2020 door [verbalisant 4] en [verbalisant 6] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op pagina 289, 290, 298 en 299 zakelijk weergegeven:

V: Dan stellen we nog eens de vraag. Heeft [verdachte] de nacht voor het overlijden van [slachtoffer] thuis geslapen?

A: Ja hij heeft daar geslapen. Hij stond op. Ik vroeg aan hem. [verdachte] wil jij met mij naar buiten lopen om te wandelen. Ik heb het dan dinsdag om 09.00 uur in de ochtend. Ik vroeg of hij met mij wilde wandelen. En toen zei hij nee. En toen is hij teruggegaan naar zijn kamer. Ze waren aan het praten met elkaar. Ik zat in mijn kamer. Ik hoorde praten en toen hoorde ik [slachtoffer] schreeuwen: Niet doen gek. En toen hoorde ik één keer tak. Ik liep de slaapkamer op en [slachtoffer] maakte een gapend geluid.

V: Wat hebben jullie die maandag voor het overlijden gedaan?

A: [slachtoffer] en ik gingen samen naar de Mac Donalds, friet gegeten.

V: Dat is een heel klein gedeelte van de dag. Kunt u die dag beschrijven?

A: Ik wist toen niet dat ze dood zou gaan. [slachtoffer] vertelde wel dat hij een wapen had. Ik zei haar dat het misschien een wapen van plastic was. Zij zei letterlijk tegen mij dat ze tegen hem had gezegd: jij bedreigt mij met een neppistool van plastic. Hij zei tegen haar; als je mij niet gelooft, dan ga je met mij naar de Postbank en ga ik op een boom schieten. Dan zie je dat het een echt wapen is. Hij zei dat hij niet door de politie opgepakt wilde worden. Allah is mijn getuige. [slachtoffer] zei tegen mij dat zij tegen [verdachte] had gezegd: Nee dat mag niet, dat is verboden.

V: Op 4 juli 2020 zou [verdachte] binnen zijn gekomen met een vuurwapen. Hij zou in slaap zijn gevallen en jullie zouden gevlucht zijn. Klopt dat?

A: Ikzelf heb geen pistool gezien. Maar [slachtoffer] zei tegen mij dat hij een pistool had. Of ze heeft hem gezien, of [verdachte] heeft het gezien en we zijn toen weggegaan. Dat klopt. We zijn toen weggegaan, rondjes met de auto gaan rijden in Arnhem.

V: Heeft zij dat wapen gezien?

A: Volgens mij wel. Want zij dacht dat het van plastic was. [slachtoffer] heeft wel een pistool bij [verdachte] gezien. Zijzelf dacht dat het van plastic was. Maar hij zei nee dat was een echte, als je me niet gelooft dan gaan we naar de Posbank.

V: Was [slachtoffer] de laatste tijd bang voor [verdachte] ?

A: Ja ze zei tegen mij: hij gaat mij een keer vermoorden. [slachtoffer] vertelde mij dat [verdachte] had gezegd tegen haar: Er komt een dag dat ik jou ga vermoorden. Ze zei altijd dat ze van hem hield en hem zielig vond.

5. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, met proces-verbaalnummer 20200707.1750, gesloten en ondertekend op 7 juli 2020 door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost- Nederland, voor zover inhoudende op pagina 110, 111, 112, 113 en 117, zakelijk weergegeven:

V: Heb je op voorhand nog iets te zeggen?

A: Ja. ik wil gewoon alles vertellen hoe het is gegaan.

We waren gewoon thuis, was niks aan de hand. Op een gegeven moment pakte ik dat ding, het wapen. Lag in de douche. We maakten er grapjes over en hij ging af. Zij werd geraakt.

V: Over wie hebben we het eigenlijk die bij jou was?

A: Mijn vrouw, [slachtoffer] .

V: Hoe kwam dat wapen in de badkamer?

A: Die lag daar.

V: Wie had hem daar neergelegd?

A: Ik had hem daar neergelegd.

V: Wanneer had je die daar neergelegd?

A: Hij lag daar al een tijdje eigenlijk, ik denk twee drie weken.

V. Wie waren er in de woning toen dit gebeurde?

A: Mijn schoonmoeder, die was in de woonkamer.

V: Wat heeft [betrokkene 1] nog over dat wapen verteld en over kogels of patronen?

A: Niks eigenlijk.

V: Wat heb jij hem daarover gevraagd?

A: Ook niks.

V: Jij neemt een wapen in bewaring en dan vraag je daar niks over? Je weet dus niet wat je meeneemt naar huis?

A: Nee, ik heb helemaal geen verstand van wapens. Ik weet er niks van.

V: Heeft dat pistool de hele tijd op dezelfde plek gelegen, sinds jij hem van [betrokkene 1] in bewaring hebt genomen?

A: Ja, hij lag de hele tijd in de douche.

V: In hoeverre heeft je schoonmoeder dat pistool gezien?

A: Zij heeft hem niet gezien volgens mij.

V: Maar zij kwam wel in de douche?

A: Ja, maar zij heeft hem niet gezien.

6. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, met proces-verbaalnummer 20200921.1300, gesloten en ondertekend op 21 september 2020 door [verbalisant 5] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op pagina 152, zakelijk weergegeven:

V: Waar, op welke hoogte, hield jij het wapen precies ten opzichte van jouw lichaam toen het afging?

A: Gewoon voor me.

V: We zien dat jij je arm gestrekt recht voor je houdt.

A: Ja.

7. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, met proces-verbaalnummer 20201203.1105, gesloten en ondertekend op 3 december 2020 door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 5] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op pagina 183, 184 en 186, zakelijk weergegeven:

V: Jij hebt verklaard dat jij het wapen voor iemand moest bewaren. Heeft diegene nog iets uitgelegd over het wapen?

A: Nee. Hij heeft alleen gezegd dat er een veiligheidspal op zat.

V: Wat weet jij van de onderdelen van een wapen?

A: Niks.

Opmerking verbalisant: Laten de houder uit het wapen zien.

A: Nee, die is er niet uit geweest.

V: Wat is er dan wel uit de houder geweest?

A: Er is niks uit de houder geweest en ook niet uit het wapen.

V: Heb jij het wapen van [betrokkene 2] ?

A: Nee, daar kom ik later op terug.

V: Hoe is jouw band met hem?

A: Ik ken hem nog niet zo lang.

V: Deden jullie wel eens dingen samen?

A: Nee.

V: Hoe lagen haar armen?

A: Nou ze schrok een beetje en draaide een beetje.

V: Was dat voor of na het schot?

A: Bij het openen van de deur schrok zij. Dat was voor het schot.

8. Het proces-verbaal ter terechtzitting van 31 maart 2021 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte op pagina 3 en 5, zakelijk weergegeven:

Ik moest het wapen bewaren voor [betrokkene 2] , een vriend en zwager van me. De verklaring (hof: verdachtes eerdere verklaring) over [betrokkene 1] klopt niet.

[betrokkene 2] was bang voor een inval en toen heb ik het wapen met tegenzin voor hem bewaard. Ik heb geen verstand van het wapen en wist ook niet of het geladen was. [betrokkene 2] zei dat het wapen op de veiligheidspal zat.

Op de eerste dag wilde ik niet zeggen van wie ik het wapen had. Ik had geen reden om bang voor hem (hof: [betrokkene 2] ) te zijn, maar je weet nooit wat iemand kan doen als je over hem verklaart. Zo goed kende ik hem niet.

9. Een geschrift, zijnde een weergave van een opgenomen telefoongesprek op 13 juli 2020 om 11.52 uur, voor zover inhoudende op pagina 10, 11 en 12 zakelijk weergegeven:

[betrokkene 3] (ng) belt uit met [betrokkene 4] (ng)

Een hoofdzakelijk Marokkaans gesprek waarin ook [verdachte] ( [verdachte] ) vanuit waarschijnlijk de PI Zwolle belt met iemands toestel.

[betrokkene 3] belt uit met [betrokkene 4] en zegt: [betrokkene 4] , ik heb [verdachte] aan de andere kant, hij gaat met je praten.

[verdachte] : Zij was op bed, ik wilde met haar lachen en zo, alsof ik haar wilde laten schrikken.

[verdachte] : Ik ging een sigaret roken toen teruggekomen, wij hebben gezeten op bed, wij hebben gelachen en zo en ineens ging ik naar douche ik pakte eh, ik wilde haar laten sch[r]ikken.

10. Het proces-verbaal ter terechtzitting van 31 maart 2021 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover inhoudende als verklaring van deskundige [naam 2] op pagina 6, zakelijk weergegeven:

De vraag is wat “per ongeluk afgegaan” is. Is dat een handeling of niet? In het wapen heb ik niets gevonden wat een spontaan schot kan verklaren. Dat gaat niet lukken met dit wapen. Er zit geen slijtage aan het wapen. Het wapen functioneert voor het afschieten goed. De trekker moet overgehaald worden. Iets of iemand moet die trekker met een bepaalde kracht naar achter gehaald hebben. Dan los je een schot.

11. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem van 16 oktober 2024, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte op pagina 4, 5, 7, 8, 9, 15 en 16, zakelijk weergegeven:

U vraagt mij of [slachtoffer] wakker was toen ik terug in de slaapkamer kwam. Ja. U vraagt mij wat zij aan het doen was. Ze lag op bed.

U houdt mij voor dat ik verklaard heb dat “we aan het dollen” waren en vraagt mij wat ik daarmee bedoel. We grapten erover. Over het wapen.

U vraagt mij waar het wapen lag. Op de onderste plank (het hof begrijpt: van het kastje in de badkamer) als ik het mij goed herinner. Niet bovenop. Eéntje eronder. In het midden ongeveer.

U houdt mij voor dat de schoonmaakster ook heeft verklaard dat zij geen wapen heeft zien liggen. Het wapen zal dan in de la gelegen hebben, denk ik.

U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik geen verstand van wapens had en niet wist dat het geladen was en vraagt mij of het niet spannend is om een wapen in bewaring te nemen zonder je daarover van tevoren heel goed te laten inlichten.

[betrokkene 2] zei dat het wapen op de veiligheidspal stond. U vraagt mij of ik dat niet heb nagegaan. Hij zei dat hij op de veiligheidspal zat. Ik ging ervan uit dat het goed zat. U vraagt mij nogmaals of ik heb aangenomen dat het juist was wat [betrokkene 2] zei en ik dus niet heb nagegaan of het wapen daadwerkelijk op de veiligheidspal stond. Ik heb niet echt verstand van wapens. Hij zei dat hij “uit” stond. Daar ben ik vanuit gegaan.

U houdt mij voor dat ik heb gezegd dat ik haar wilde laten schrikken en vraagt mij waarom ik dat wilde. Ja. Als grap.

Ik zie dat u uw arm gestrekt houdt en voordoet hoe ik mijn arm volgens mijn verklaring had. Dat klopt. Toen ik de deur openduwde, ging het wapen af.

U vraagt mij of [betrokkene 2] ook aan mij heeft laten zien dat het wapen daadwerkelijk op de veiligheidspal stond. Hij zei dat hij op de veiligheidspal stond. U vraagt mij of ik toen naar het wapen keek. Nee. Thuis heb ik het wapen in de badkamer gelegd. Ik heb het wapen op verschillende plekken gelegd. In de la, op het kastje.

U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik [slachtoffer] wilde laten schrikken als grap. Ja, wij grapten erover. Toen heb ik het wapen gepakt. Ze kwam iets naar voren en toen ging het wapen af. U vraagt mij of ze zou schrikken als ik met een wapen de kamer in kwam. Dat zou kunnen natuurlijk. U vraagt mij of dat ook mijn bedoeling was. Ja, dat klopt. U vraagt mij nogmaals hoe ik [slachtoffer] wilde laten schrikken. Ik denk dat als je richt op iemand, dat ze schrikt. U vraagt mij of dat mijn idee was om haar te laten schrikken. Dat denk ik, ja.

U houdt mij voor dat ik verklaard heb dat ik mij kan voorstellen dat [slachtoffer] is geschrokken doordat ik met gestrekte arm uit de badkamer liep en ik het wapen op haar gericht had en vraagt mij of dat klopt. Ja.

U vraagt mij of de moeder van [slachtoffer] het gehoord zou hebben als er geschreeuwd zou zijn. Ja. Er zat alleen een wc tussen dus je hoort alles. Het was een klein appartementje.

12. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , met proces-verbaalnummer 20200813.1512, gesloten en ondertekend op 13 augustus 2020 door [verbalisant 11] , inspecteur van politie en werkzaam bij de Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op pagina 424, zakelijk weergegeven:

U vraagt me of ik wel eens heb schoongemaakt in de woning van [slachtoffer] en [verdachte] . Ik maakte samen met de moeder van [slachtoffer] wel eens het huis schoon. U vraagt me of ik tijdens het schoonmaken of mijn aanwezigheid wel eens een pistool in de woning van [slachtoffer] en [verdachte] heb gezien. Nee, dat is niet het geval.

13. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Forensisch onderzoek woning ( [a-straat 1] , Arnhem), genummerd PL0600-2020314471-19, gesloten en ondertekend op 15 oktober 2020 door [verbalisant 7] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , voor zover inhoudende op pagina 60 en 63, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 7 juli 2020 kwamen wij aan op het adres [a-straat 1] in Arnhem.

De afstand van de doucheruimte naar het bed bedraagt 60 cm. Echter, aan het voeteneind van het bed zit een aanbouw waarin een tv verzonken kan worden deze is 21 cm.

De totale afstand van het feitelijke bed naar de badkamer/doucheruimte bedraagt daardoor dan 81 cm.

14. Een geschrift, te weten het Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Arnhem op 7 juli 2020, op 19 november 2020 opgemaakt door [naam 2] , NFI deskundige wapens en munitie, voor zover inhoudende op pagina 391, 395 en 399, zakelijk weergegeven:

Veiligheden pistool [AANU3039NL]

Het pistool is voorzien van twee veiligheden, een zogenaamde trekkerveiligheid en een half-cock stand van de hamer. Beide worden hieronder beschreven.

De trekkerveiligheid

Het pistool is voorzien een zogenaamde trekkerveiligheid die zich aan de linkerzijkant van het pistool bevindt. De trekkerveiligheid heeft een stand “safe” (S zichtbaar en knop verticaal gedraaid) en een stand “fire” (F zichtbaar en knop horizontaal gedraaid). Om de trekker te kunnen overhalen dient de trekkerveiligheid in de horizontale stand te staan.

Wanneer de trekkerveiligheid in de verticale stand staat, wordt de trekker geblokkeerd en is het niet mogelijk (zonder het wapen te beschadigen) om de trekker over te halen.

De half-cock stand

De hamer van het pistool kan zich in drie posities bevinden. Dit zijn de standen gespannen, half-cock en ontspannen. Wanneer de hamer is gespannen kan deze door het overhalen van de trekker worden ontspannen. Wordt om wat voor reden dan ook de hamer ontspannen zonder de trekker over te halen, dan wordt de hamer “gevangen” in de half-cock stand en kan daardoor de slagpin niet raken. Dit is een ingebouwde veiligheid.

Inwendige schouw

Na het proefschieten is het pistool [AANU3039NL] in hoofdgroepen gedemonteerd en inwendig geïnspecteerd op constructie en eventuele beschadigingen en gebreken. Met name het afvuurmechanisme inclusief de hamernokken en trekkerstang zijn hierbij microscopisch bekeken. De hamernokken in combinatie de trekkerstang zorgen ervoor dat de gespannen hamer niet zonder de trekker over te halen kan ontspannen en indien dit wel zo zou zijn zorgt de half-cock stand ervoor dat de hamer de slagpin niet kan raken. Tijdens de inwendige schouw zagen de trekkerstang en de hamernokken er goed uit en er werden geen gebreken of beschadigingen waargenomen. Tijdens de bestudering van de het afvuurmechanisme is de trekker van het pistool meermaals overgehaald terwijl de hamer gespannen stond. Vlak voor de gespannen hamer door het overhalen van de trekker werd vrijgegeven was een duidelijk drukpunt voelbaar.

6 Kan het vuurwapen per ongeluk afgaan zoals de verdachte dit verwoordt in zijn verklaringen?

Om een schot te lossen, dient er in de kamer van het pistool een patroon aanwezig te zijn en de hamer van het pistool moet gespannen staan. Alleen als de trekker wordt overgehaald zal de hamer worden vrijgegeven en wordt er een schot gelost.

Zowel de trekkerveiligheid als de hamerveiligheid (half-cock stand) functioneren naar behoren.

15. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem van 16 oktober 2024 voor zover inhoudende als verklaring van forensisch wapen- en munitiedeskundige [naam 2] op pagina 16, 17 en 18 zakelijk weergegeven:

Het wapen waar het vandaag over gaat, was oorspronkelijk bestemd om knalpatronen mee te verschieten. Dat zijn patronen waar geen kogel in zit. Er komt dan alleen een knal vrij. Er is op enig moment een andere loop in gezet, waardoor het mogelijk werd om met het wapen scherpe munitie te verschieten.

Hof: het pistool (Atak arms ltd.) waarmee het dodelijke schot op 7 juli 2020 is gelost, wordt door een politieambtenaar van de afdeling Forensische Opsporing de zaal ingebracht en aan deskundige [naam 2] gegeven.

Dit is het wapen waarmee tijdens het incident op 7 juli 2020 is geschoten en het is ook het wapen dat ik heb onderzocht.

U vraagt mij of het klopt dat de hamer gespannen moet zijn en de trekker moet worden overgehaald om een schot te kunnen lossen. Ja, en er moet een patroon in de kamer zitten.

Ik toon u het wapen en laat u zien dat er een “f” van fire op de buitenkant van het wapen staat. Er staat ook een “s” van safe op het wapen. Als het wapen in de safe stand staat, kan ik de trekker niet overhalen. Ik hoor u, oudste raadsheer, zeggen dat u ziet dat de letters in het wapen geslepen staan. Dat klopt.

U vraagt mij of het wapen ook zomaar af kan gaan. Nee. Het wapen kan niet afgaan zonder dat het in de achterste stand (gespannen) staat. Als ik heel hard op het wapen sla en de hamer daardoor valt, gaat hij in de half-cock stand. Hij kan de slagpin dan niet raken. Om een schot te lossen, moet er een patroon in de kamer zijn, moet het wapen (ooit) zijn doorgeladen, de hamer naar achter staan, de pal op fire en de trekker moet worden overgehaald.”

Het hof heeft over deze bewezenverklaring verder onder meer overwogen:

“Inleiding

Op dinsdagochtend 7 juli 2020 omstreeks 10:00 uur is [slachtoffer] in haar bovenlichaam geraakt door een kogel die werd verschoten door middel van een vuurwapen. Door het inschot is ernstig bloedverlies opgetreden en is schade veroorzaakt aan vitale organen. [slachtoffer] is enkele uren later aan de gevolgen daarvan overleden.

Niet ter discussie staat dat het fatale schot werd gelost door verdachte. De vraag die aan het hof voorligt, is of inderdaad sprake is van een ongeluk/dood door schuld of dat een van de primair tenlastegelegde levensdelicten, die het hof immers eerst moet beoordelen, bewezen moet worden verklaard.

Voor de beantwoording van die vraag acht het hof het allereerst van belang om de (kern van de) verklaringen van verdachte uiteen te zetten.

Verdachte is samen met de moeder van [slachtoffer] (getuige [getuige 1] ), die ten tijde van het incident in de woning aanwezig was, immers de enige die kan verklaren over de momenten (kort) voorafgaand aan en tijdens deze gebeurtenis.

De verklaring(en) van verdachte

Verdachte is op 7 juli 2020, 9 juli 2020, 21 september 2020, 3 december 2020 en 18 maart 2021 door de politie verhoord. De rode lijn in zijn verklaringen is dat de dood van [slachtoffer] een ongeluk was. Dit heeft verdachte in tapgesprekken en tijdens de zittingen bij de rechtbank en het hof herhaald. Zijn verklaring met betrekking tot (de momenten voorafgaand aan) het fatale schot houdt – samengevat – het volgende in.

Verdachte heeft verklaard dat hij in de ochtend van 7 juli 2020 samen met [slachtoffer] in de slaapkamer van hun appartement was. [slachtoffer] bevond zich op het bed. Ze maakten naar zijn zeggen grapjes over het vuurwapen dat in de badkamer lag. Verdachte is vervolgens naar de badkamer gelopen om het wapen te pakken. De badkamerdeur is achter hem dicht, “op een kier”, gewaaid. Verdachte pakte (in de badkamer) het wapen met zijn rechterhand vast, duwde de badkamerdeur open met de hand waarin hij het wapen had terwijl hij, met zijn gestrekte rechterarm recht voor zich, het wapen op [slachtoffer] richtte. Hierdoor wilde hij [slachtoffer] voor de grap laten schrikken, aldus zijn verklaring ter zitting van het hof, zeggend: “Ik denk dat als je richt op iemand, dat ze schrikt.” Toen ging het wapen af. [slachtoffer] werd door het schot geraakt.

Op de vraag hoe verdachte aan het vuurwapen kwam, heeft hij wisselende verklaringen afgelegd. Tijdens zijn eerste politieverhoor op 7 juli 2020 heeft verdachte verklaard dat hij het wapen in bewaring had voor “ [betrokkene 1] ” of “ [betrokkene 1] ”, een jongen die hij dagelijks zag bij een coffeeshop in Arnhem. Deze verklaring heeft verdachte in de daaropvolgende verhoren herhaald.

Tijdens de zitting bij de rechtbank op 31 maart 2021 heeft verdachte voor het eerst verklaard dat hij het wapen bewaarde voor [betrokkene 2] . Deze [betrokkene 2] had hem dat ongeveer drie weken voor het incident gevraagd, omdat hij ( [betrokkene 2] ) bang was voor een politie-inval. Verdachte zag [betrokkene 2] af en toe bij de coffeeshop. [betrokkene 2] heeft tegen verdachte gezegd dat het wapen op de veiligheidspal zat. Verdachte is op deze mededeling afgegaan.

Verdachte wilde eerder niet verklaren dat hij het wapen van [betrokkene 2] had, omdat hij hem niet in de problemen wilde brengen. Verdachte had naar eigen zeggen geen reden om bang voor hem te zijn, maar heeft daarbij opgemerkt dat je nooit weet wat iemand kan doen als je over hem verklaart. “Zo goed kende ik hem niet”, aldus verdachte.

Beoordeling van de impliciet primair tenlastegelegde moord

Aan verdachte is impliciet primair tenlastegelegd dat hij [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963 en HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).

In het dossier bevinden zich verschillende verklaringen van familie, vrienden en bekenden van [slachtoffer] .

Uit de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] en [getuige 1] volgt dat zij direct of indirect (veelal van [slachtoffer] ) hebben gehoord dat [slachtoffer] door verdachte met een wapen en met de dood werd bedreigd. [slachtoffer] lachte deze bedreigingen meestal weg als zij daarover vertelde.

Daarnaast bevat het dossier verschillende WhatsApp berichtenwisselingen tussen [getuige 6] en [slachtoffer] . Op 24 juni 2020 schrijft [slachtoffer] hem dat zij in de telefoongeschiedenis van verdachte heeft gekeken en zij daarin zag dat hij had gezocht naar de zoektermen “vrouw gaat vreemd mag ik haar vermoorden islam”.

Uit onderzoek aan de telefoon van verdachte volgt dat er op 19 en 28 juni 2020 op zijn telefoon inderdaad is gezocht naar de zoektermen “vrouw gaat vreemd islam”, “vrouw gaat vreemd mag je haar doden”, “mag je vrouw doden na overspel islam” en “vrouw doden na overspel islam”.

Drie dagen voor haar dood, op 4 juli 2020, berichtte [slachtoffer] getuige [getuige 6] onder andere dat verdachte “met een wapen loopt te zwaaien” en dat hij haar “echt iets aan gaat doen”.

Hoewel in de berichtenwisselingen tussen [slachtoffer] en [getuige 6] en in de verklaringen van vele getuigen die hebben verklaard dat [slachtoffer] al geruime tijd door verdachte met de dood werd bedreigd, aanwijzingen kunnen worden gevonden voor enig vooropgezet plan, ontbreken naar het oordeel van het hof objectieve bewijzen die noodzakelijk zijn om tot bewezenverklaring van moord te kunnen komen.

Uit de getuigenverklaringen die na het incident zijn afgelegd, volgt immers niet wat in de ochtend van 7 juli 2020 en tijdens de noodlottige gebeurtenis in verdachte is omgegaan. Hierdoor kan niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat verdachte zich enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte vrijspreken van moord.

Beoordeling van de impliciet primair tenlastegelegde doodslag

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, zoals impliciet primair ten laste is gelegd. Daartoe is vereist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

De raadsman heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat verdachte het oogmerk (het volle opzet) had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Dat is het hof met hem eens.

Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet.

In arresten van de Hoge Raad is uitgemaakt dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval de dood van [slachtoffer] – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans geldt dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard. Er kan immers ook sprake zijn van bewuste schuld.

Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg, in dit geval de dood van [slachtoffer] , bewust heeft aanvaard.

Zoals hiervoor al is overwogen, bevat het dossier veel verschillende (getuigen)verklaringen en WhatsAppgesprekken. Door de getuigen is verklaard over de (turbulente) relatie tussen verdachte en [slachtoffer] . Deze getuigen waren echter op de ochtend van 7 juli 2020 niet in de woning aanwezig, zodat zij niets over het fatale voorval kunnen verklaren. Het hof slaat in dit verband dus geen acht op die verklaringen.

Dat is anders als het gaat om de moeder van [slachtoffer] , getuige [getuige 1] . Zij woonde tijdelijk in bij verdachte en [slachtoffer] en bevond zich ten tijde van deze gebeurtenis in de woonkamer van het bescheiden appartement. Die woonkamer lag tegenover de slaapkamer van verdachte en [slachtoffer] , slechts gescheiden door een gangetje.

Het hof acht de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar en heeft geen reden om aan de inhoud van haar verklaringen te twijfelen. Dit geldt temeer nu zij niet enkel belastend over verdachte heeft verklaard, maar zich op onderdelen ook positief (of neutraal) heeft uitgelaten over verdachte zijn relatie met [slachtoffer] .

Het hof stelt (grotendeels) op basis van de verklaring van verdachte en van getuige [getuige 1] het volgende vast.

Verdachte was in het bezit van een vuurwapen zonder dat hij daartoe de bevoegdheid bezat. Hij heeft, nadat hij daarover aanvankelijk andere verklaringen heeft afgelegd, verklaard dat hij dat wapen voor [betrokkene 2] in bewaring heeft genomen. [betrokkene 2] heeft dat in zijn verklaring overigens niet bevestigd.

Verdachte wist dat het mogelijk was om met dit (omgebouwde gas-alarm) wapen scherpe patronen te verschieten en was kennelijk ook bereid het wapen te gebruiken.

Het hof leidt dat af uit de verklaring van getuige [getuige 1] . Daaruit volgt namelijk dat verdachte vóór 7 juli 2020 aan [slachtoffer] voorstelde om naar De Posbank te gaan om daar met dat wapen te gaan schieten. Daarmee zou hij [slachtoffer] kunnen aantonen dat het om een echt wapen ging, wat zij op dat moment in twijfel trok.

Hieruit concludeert het hof dat verdachte ervan is uitgegaan dat het een echt wapen was én dat het geladen was met patronen. Ook de verklaring van verdachte dat [betrokkene 2] tegen hem gezegd zou hebben dat het wapen op de veiligheidspal stond, duidt erop dat verdachte moet hebben geweten dat het ging om een echt wapen waarin ook munitie zat.

Ondanks deze wetenschap heeft verdachte er zich op geen enkel moment van vergewist of het wapen ongeladen was en daadwerkelijk op de veiligheidspal stond, zoals [betrokkene 2] tegen hem gezegd zou hebben. Daarbij tekent het hof aan dat verdachte deze [betrokkene 2] , op het moment dat hij het wapen van hem zou hebben gekregen, naar eigen zeggen oppervlakkig (“nog niet zo lang” en “niet zo goed”) kende.

Ondanks de omstandigheid dat verdachte, gezien zijn oppervlakkige bekendheid met de persoon [betrokkene 2] , weinig of niets bekend was of kon zijn over diens kennis en kunde aangaande wapens of over de betrouwbaarheid van zijn inlichtingen, heeft hij klakkeloos van hem aangenomen dat het wapen geen kwaad kon omdat het op de veiligheidsstand zou staan en heeft hij dat verder niet zelf gecontroleerd.

Aan de buitenzijde van het wapen is overigens eenvoudig af te lezen of het wapen al of niet in de veiligheidsstand staat, zoals het hof ter zitting heeft kunnen vaststellen.

Ook heeft verdachte geen andere veiligheidsmaatregelen genomen door bijvoorbeeld het magazijn/de patroonhouder afzonderlijk van het wapen te bewaren. Dat is opmerkelijk, omdat hij heeft verklaard dat het wapen – soms open en bloot – op diverse plaatsen in de badkamer heeft gelegen en niet alleen [slachtoffer] en hijzelf maar ook de getuige [getuige 1] gebruik maakten van die badkamer en de schoonmaakster er kwam om haar werk te doen.

Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat verdachte er wetenschap van had dat er een geladen wapen open en bloot in huis lag, waarvan verdachte niet zelf had vastgesteld dat het geen kwaad kon.

Wapendeskundige [naam 2] van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft het inbeslaggenomen wapen onderzocht en heeft verklaard dat, om met het wapen te kunnen schieten, de hamer gespannen moet staan, het wapen in de F (van fire)-stand moet staan en de trekker moet worden overgehaald. Zonder de trekker over te halen kan het wapen niet verschoten worden. [naam 2] heeft dat oordeel ter zitting van het hof nog eens uiteengezet en, met het wapen erbij, aanschouwelijk gemaakt.

Het hof gaat er gelet op al wat hiervoor is overwogen van uit dat het wapen die ochtend schietklaar was en dat verdachte de trekker heeft overgehaald.

Het schot dat volgde doordat de trekker werd overgehaald, heeft [slachtoffer] in haar bovenlichaam geraakt, met fataal gevolg.

Het hof overweegt met betrekking tot de vraag of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] het volgende.

Het hof is van oordeel dat:

• door het op korte afstand richten van een schietklaar vuurwapen op een persoon met de expliciete bedoeling om die persoon te laten schrikken en

• het vervolgens overhalen van de trekker

• zonder zich er, langer, korter of direct tevoren, van te hebben vergewist dat dat wapen niet geladen was en/of dat het op de veiligheidsstand stond,

er naar algemene ervaringsregels sprake is van een aanmerkelijke kans dat iemand dodelijk wordt getroffen.

Het hof is van oordeel dat een gemiddeld persoon (de zogeheten “criteriumfiguur”) zich in de gegeven omstandigheden bewust is van de aanmerkelijke kans op het gevolg, namelijk dat [slachtoffer] door een onder die omstandigheden afgevuurd schot, heel goed dodelijk getroffen zou kunnen worden.

Ook verdachte moet zich bewust zijn geweest van deze aanmerkelijke kans en die kans hebben ingecalculeerd. Verdachte wist blijkens de verklaring van getuige [getuige 1] immers dat sprake was van een functionerend wapen en wist ook dat dit wapen geladen was en dat daarmee patronen konden worden verschoten.

Ten aanzien van de vraag of verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard overweegt het hof het volgende.

Op de ochtend van 7 juli 2020 waren verdachte en [slachtoffer] samen in de slaapkamer. [slachtoffer] bevond zich op het bed. Verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen, naar zijn zeggen op verzoek van [slachtoffer] , in de badkamer is gaan pakken en toen heeft bedacht dat hij [slachtoffer] “voor de grap” wilde laten schrikken. Dit deed hij door het wapen met gestrekte rechterarm van nabij op [slachtoffer] te richten. De afstand tussen het bed waarop [slachtoffer] zich bevond en de badkamerdeur bedroeg 81 centimeter (inclusief het meubel aan het voeteneind van het bed waarin een televisie verzonken kan worden).

Verdachte heeft in zijn verhoor op 3 december 2020 verklaard dat hij zag dat [slachtoffer] bij het openen van de deur daadwerkelijk schrok.

Dat volgt ook uit de verklaring van haar moeder die [slachtoffer] hoorde roepen: “Niet doen gek”. Daarna hoorde zij “tak”.

Verdachte heeft verklaard dat het wapen onbedoeld afging toen hij de deur van de badkamer opende met de hand waarin hij het wapen vasthield. Die lezing van verdachte houdt in, zo begrijpt het hof, dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg juist niet heeft aanvaard.

Wapendeskundige [naam 2] heeft, zoals hiervoor overwogen, vastgesteld dat het wapen niet verschoten kan worden zonder dat de hamer gespannen staat, de veiligheidspal op fire staat en de trekker wordt overgehaald. Zonder deze voorwaarden kan met het wapen, als gevolg van de daarin ingebouwde veiligheidsvoorzieningen, niet worden geschoten. Bovendien heeft [naam 2] verklaard dat hij na onderzoek aan het wapen niets heeft gevonden wat een spontaan schot kan verklaren.

Het hof stelt vast dat uit niets is gebleken, in het bijzonder niet uit de verklaring van verdachte zelf, dat verdachte op het moment dat de trekker werd overgehaald met [slachtoffer] worstelde, hij struikelde, of anderszins in een (benarde) positie verkeerde waardoor het schot onbedoeld zou hebben kunnen afgaan. Er is dus niet gebleken van een (van buiten komende) omstandigheid die verdachte als het ware is overkomen.

Uit het dossier of uit het verhandelde ter zitting volgt niet dat verdachte, toen hij het wapen op [slachtoffer] richtte, wist dat het wapen niet kon afgaan. De, gezien het voorgaande, aanmerkelijke kans dat dat wel zou gebeuren, heeft zich vervolgens gerealiseerd doordat verdachte de trekker heeft overgehaald. Het samenstel van verdachtes hiervoor vermelde gedragingen waren naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het fatale gevolg dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan dan dat verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.

Het hof heeft hierbij in het bijzonder gewicht toegekend aan de omstandigheid dat verdachte geen veiligheidschecks heeft uitgevoerd, waaruit het hof afleidt dat het hem blijkbaar onverschillig was of het wapen al of niet geladen was en of het al of niet in de veiligheidsstand stond. Door het schietklare wapen in die omstandigheden met gestrekte arm op [slachtoffer] te richten en de trekker over te halen heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat [slachtoffer] door een schot uit het wapen dodelijk getroffen zou worden. “Niet doen gek'” is het laatste dat [slachtoffer] heeft kunnen uitbrengen.

Het hof acht de verklaring van verdachte, inhoudend dat het wapen onbedoeld afging, gelet op het voorgaande niet aannemelijk.

De conclusie is dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op [slachtoffer] ’s dood. Van contra-indicaties voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is het hof niet gebleken. De omstandigheden dat verdachte zelf de hulpdiensten heeft gebeld, hij heeft geprobeerd [slachtoffer] te reanimeren, haar mond-op-mondbeademing gaf en de hulpverleners heeft geholpen [slachtoffer] van het bed te tillen, gelden naar het oordeel van het hof niet als contra-indicaties voor het aannemen van voorwaardelijk opzet.

Het handelen met voorwaardelijk opzet sluit immers niet uit dat verdachte, nadat hij werd geconfronteerd met het intreden van het gevolg van zijn handelen in paniek is geraakt, spijt heeft gekregen of, zoals in dit geval, heeft geprobeerd het gevolg ongedaan te maken, te mitigeren dan wel te voorkomen.

Het hof acht de primair tenlastegelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.”

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. (Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049.)Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de momenteel gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in het arrest van de Hoge Raad van 9 november 1954, ECLI:NL:HR:1954:1, gebruikte formulering “de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans”. De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.

In zijn arrest van 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 heeft de Hoge Raad verder overwogen dat wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid – en onder omstandigheden roekeloos – heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld of van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over wat tijdens de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

De onder 2.2.2 en 2.2.3 weergegeven bewijsvoering komt er, kort gezegd, op neer dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat het vuurwapen een echt wapen was dat functioneerde en dat geladen was met scherpe patronen. Verder heeft het hof vastgesteld dat het vuurwapen schietklaar was en dat de verdachte, nadat hij met gestrekte arm het wapen had gericht op het slachtoffer, de trekker heeft overgehaald. Het hof heeft geoordeeld dat het samenstel van de gedragingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op het fatale gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard, en dat de verdachte daarom handelde met het (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer, ook als dat overhalen van de trekker gebeurde in het kader van een grap en de verdachte eerder had gehoord (en er daarom ‘van uitging’) dat het wapen op een ‘veiligheidspal’ stond.

In het licht van wat onder 2.3 is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat in de overwegingen van het hof als oordeel besloten ligt dat de verdachte wist dat het ging om een gevaarlijk voorwerp in de vorm van een geladen vuurwapen, dat hij – door niet na te gaan of het wapen op de veiligheidspal stond en ook geen andere ‘veiligheidschecks’ uit te voeren – ook wist dat niet was uitgesloten dat het wapen zou kunnen afgaan, en dat hij daarmee de aanmerkelijke kans dat hij, door richtend op het slachtoffer de trekker over te halen, het slachtoffer dodelijk zou raken, bewust heeft aanvaard.

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.

De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van de schriftuur die namens de benadeelde partij is ingediend

Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Dat geldt ook voor cassatiemiddelen als bedoeld in artikel 437 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Als zo’n cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.

4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaren.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en elf maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?