PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02044
Zitting 14 februari 2025
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
1. TER Ingredients GmbH & Co. KG
2. TER Ingredients Verwaltungs GmbH
(hierna: TER c.s.)
tegen
Remia C.V.
(hierna: Remia)
In deze zaak staat de vraag centraal of de gestelde doorbrekingsgrond dat het hof art. 32 Rv ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten zich voordoet en het rechtsmiddelenverbod van art. 32 lid 3 Rv dus kan worden doorbroken.
1. Feiten en procesverloop
TER c.s hebben op de voet van art. 32 Rv aan het hof Arnhem-Leeuwarden een verzoek gedaan tot aanvulling van het tussen partijen op 7 september 2021 door dat hof gewezen arrest. In het thans in cassatie bestreden arrest heeft het hof geen feiten vastgesteld. In cassatie kan van het volgende procesverloop worden uitgegaan.
In het arrest van 7 september 2021 heeft het hof het volgende beslist:
‘vernietigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland van 27 oktober 2017, 11 juli 2018 en 27 maart 2019 (hersteld bij vonnis van 8 mei 2019) en doet opnieuw recht,
verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om van dit geschil kennis te nemen,
veroordeelt Remia in de kosten van beide instanties, tot aan het bestreden eindvonnis aan de kant van TER c.s. wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 10.351 en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 11.582,54, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.’
Bij brief van 7 september 2023 heeft de advocaat van TER c.s. het hof verzocht om op grond van art. 32 Rv het arrest van 7 september 2021 aan te vullen met een veroordeling tot terugbetaling aan TER c.s. van € 251.504,37. Daartoe is aangevoerd dat TER c.s. in eerste aanleg waren veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 229.062,80 in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2016 en met de kosten van het geding ad € 9.979,42. Het vonnis was uitvoerbaar bij voorraad verklaard en TER c.s. hebben op 23 juni 2019 aan de veroordeling voldaan door betaling van een bedrag van € 251.504,37. In het hoger beroep zijn voormelde vonnissen vernietigd. Bij arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2023 is het door Remia ingestelde cassatieberoep verworpen. TER c.s. stellen dat op de vordering tot teruggave als verbonden aan de primaire grond tot vernietiging nog niet is beslist.
Bij brief van 25 september 2023 heeft de advocaat van Remia geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Bij arrest van 5 maart 2024 heeft het hof het verzoek van TER c.s. afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:
‘2.1 Artikel 32 lid 1 Rv luidt: “De rechter vult te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte.”
In het arrest van 7 september 2021 heeft het hof in 3.6 overwogen: “Het hof zal alsnog de Nederlandse rechter onbevoegd verklaren om van het geschil kennis te nemen. Aan de vordering tot terugbetaling van hetgeen TER c.s. ter voldoening aan het bestreden eindvonnis aan Remia heeft betaald, komt het hof dan niet toe.” Uit deze overweging volgt dat ook voor een veroordeling tot terugbetaling rechtsmacht ontbreekt. Het hof heeft dan ook niet verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde. Het verzoek van TER c.s. tot aanvulling met een veroordeling tot terugbetaling wordt daarom afgewezen.’
TER c.s. hebben (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Remia heeft geconcludeerd tot verwerping. Beide partijen hebben een schriftelijke toelichting gegeven, waarna TER c.s. hebben gerepliceerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bestaat, na een inleiding, uit zeven onderdelen (onderdelen a, b.0, b.1, b.2, b.3, b.4 en c) met verschillende subonderdelen.
Het verzoek van TER c.s. aan het hof tot aanvulling van het arrest van 7 september 2021 is gegrond op de stelling dat het hof in dat arrest over het hoofd heeft gezien dat de restitutievordering niet alleen was verbonden aan de subsidiaire vordering tot vernietiging van het vonnis op materiële gronden, maar ook was verbonden aan de primaire vordering tot vernietiging van het vonnis wegens het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter. In de visie van TER c.s. heeft het hof dus gemeend dat de restitutievordering alleen was verbonden aan de subsidiaire vordering, waardoor het hof volgens TER c.s. heeft verzuimd te beslissen op de restitutievordering die was verbonden aan de primaire vordering.
Het middel betoogt in onderdeel a dat TER c.s. ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep, omdat er een beroep wordt gedaan op de doorbrekingsgrond dat het hof art. 32 Rv ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. De onderdelen b.0, b.1 (b.1.1, b.1.2, b.1.3), b.2 (b.2.1, b.2.2), b.3 (b.3.1 en b.3.4) en b.4 voeren, kort gezegd, aan dat de beslissing van het hof – dat het arrest van 7 september 2021 zo moet worden uitgelegd dat het hof zich onbevoegd heeft verklaard van de restitutievordering kennis te nemen – in strijd is met de toepasselijke uitlegregels voor rechterlijke uitspraken, in onderling verband en samenhang te bezien, althans onbegrijpelijk of ontoereikend is gemotiveerd. Onderdeel b.3.2 betoogt dat als de uitleg van het hof van het arrest van 7 maart 2021, zoals weergegeven in het bestreden arrest, zou worden gevolgd, het hof in zijn arrest van 7 maart 2021 een ernstige fout zou hebben begaan in die zin dat uit het toepasselijke forumkeuzebeding onmogelijk kan volgen dat het hof niet bevoegd was om van de restitutievordering kennis te nemen. Voor dat geval betoogt onderdeel b.3.3 dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Onderdeel c bouwt op het voorgaande voort.
Bij de behandeling van het middel stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 23 Rv beslist de rechter over al hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht. Art. 32 Rv geeft een praktische methode voor de wijze waarop een inbreuk op art. 23 Rv kan worden hersteld. Art. 32 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aanvult indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. Ingevolge art. 32 lid 3 Rv staat tegen de weigering van de aanvulling geen voorziening open. Ten aanzien van dit rechtsmiddelenverbod is in de parlementaire geschiedenis opgenomen dat als men tegen de weigering van de aanvulling ook rechtsmiddelen zou openstellen, dit in dat geval, waar de rechter zelf van oordeel is dat de uitspraak geen omissie bevat, zou leiden tot nodeloze verlenging van de rechtsstrijd.
Het rechtsmiddelenverbod kan echter worden doorbroken indien sprake is van een doorbrekingsgrond. Om ontvankelijk te zijn in cassatie, dient een beroep te worden gedaan op een doorbrekingsgrond. Van een doorbrekingsgrond van het rechtsmiddelenverbod van art. 32 lid 3 Rv is onder meer sprake indien de rechter art. 32 Rv ten onrechte niet heeft toegepast, of (anders gezegd) indien de rechter art. 32 Rv ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de rechter het desbetreffende verzoek ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek op grond van art. 31 Rv of als de rechter de aanvulling weigert met als motivering dat partijen hiervoor in hoger beroep moeten gaan.
Van de doorbrekingsgrond dat de rechter art. 32 Rv ten onrechte niet heeft toegepast dan wel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, moet worden onderscheiden de stelling dat de rechter art. 32 Rv onjuist heeft toegepast. Dit laatste betreft geen doorbrekingsgrond; onjuiste toepassing is immers ook toepassing. Van het buiten toepassing laten van art. 32 Rv zal derhalve sprake zijn als de rechter in het geheel niet in de beoordeling is getreden van de vraag of verzuimd is te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte als bedoeld in art. 32 Rv. Kortom, indien art. 32 Rv is toegepast door de rechter en deze de gevraagde aanvulling heeft geweigerd, biedt de stelling dat ten onrechte is geoordeeld dat niet verzuimd is te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte geen uitkomst.
Nu TER c.s. in onderdeel a een beroep op een doorbrekingsgrond hebben gedaan – dat het hof ten onrechte art. 32 Rv buiten toepassing zou hebben gelaten –, zijn TER c.s. ontvankelijk in hun cassatieberoep en moet het middel worden beoordeeld.
Voor de beoordeling van het middel geldt echter dat het hof in het bestreden arrest art. 32 Rv niet buiten toepassing heeft gelaten. In rov. 2.1 heeft het hof immers art. 32 lid 1 Rv geciteerd en vervolgens in rov. 2.2 beoordeeld of het hof in het arrest van 7 september 2021 heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het (primair) gevorderde. Het hof heeft geoordeeld dat dit niet het geval is en het verzoek van TER c.s. tot aanvulling om die reden afgewezen.
Nu het hof art. 32 Rv heeft toegepast en het hof de gevraagde aanvulling heeft geweigerd, bieden de stellingen van TER c.s. die erop neerkomen dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat niet verzuimd is te beslissen over een onderdeel van het gevorderde, geen soelaas. Met andere woorden: wat TER c.s. in cassatie aanvoeren voor hun stelling dat sprake is van de doorbrekingsgrond die inhoudt dat art. 32 Rv ten onrechte buiten toepassing is gelaten, komt erop neer dat het hof art. 32 Rv wel heeft toegepast, maar onjuist. In dat geval doet de gestelde doorbrekingsgrond zich dus niet voor, zoals ik hierboven heb geschreven.
De klachten van de onderdelen b.0 t/m b.4 betreffen in feite cassatieklachten tegen het eerdere arrest van het hof van 7 september 2021. De onderdelen behoeven geen nadere bespreking en falen.
Onderdeel c deelt het lot van de voorgaande onderdelen.
De slotsom is dat de gestelde doorbrekingsgrond zich niet voordoet met als gevolg dat het cassatieberoep dient te worden verworpen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G