RECHTBANK LIMBURG
vonnis
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Vonnis van 13 augustus 2025
in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/03/319284 / HA ZA 23-272 van
1. [eiser in de hoofdzaak sub 1]
2. [eiseres in de hoofdzaak sub 2],
te [woonplaats 1] ,
eisers,
hierna te noemen: [eiser in de hoofdzaak sub 1] en [eiseres in de hoofdzaak sub 2] , dan wel tezamen te noemen: [eisers in de hoofdzaak] ,
advocaat mr. F.R. Hage,
tegen
[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] ,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] ,
advocaat mr. T.J. Wittendorp,
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/03/323515 / HA ZA 23-468 van
[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] ,
te [woonplaats 2] ,
eiser,
hierna in vrijwaring eveneens te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] ,
advocaat mr. T.J. Wittendorp,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde in de vrijwaringszaak] ,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde in de vrijwaringszaak] ,
advocaat mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen.
1. De procedure in de hoofdzaak
Het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt – voor zover relevant voor het deskundigenbericht – uit:
het tussenvonnis van 12 februari 2025,
de akte uitlaten van [eisers in de hoofdzaak] van 12 maart 2025,
de akte uitlaten van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] van 12 maart 2025 onder de randnummers 1 en 8 e.v.,
de akte van [eisers in de hoofdzaak] van 2 april 2025 onder randnummer 8, laatste alinea,
het tussenvonnis van 21 mei 2025.
Bij het tussenvonnis van 21 mei 2025 is in de hoofdzaak vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in de hoofdzaak
bewijsopdracht [eisers in de hoofdzaak]
De rechtbank volhardt bij hetgeen zij heeft overwogen en geoordeeld in de rechtsoverwegingen 4.6. e.v. van het tussenvonnis van 12 februari 2025. De rechtbank heeft [eisers in de hoofdzaak] toegelaten tot bewijslevering van de stelling dat de door de onderaannemer van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] aangebrachte dakbedekkingsconstructie niet aan de aannemingsovereenkomst én herberekening van de constructeur voldoet en daardoor gebrekkig is (zie rov. 4.7. tussenvonnis 12 februari 2025). Voor de beoordeling van het door [eisers in de hoofdzaak] te leveren bewijs acht de rechtbank een deskundigenbericht nodig.
[eisers in de hoofdzaak] hebben bij akte uitlaten van 12 maart 2025 de rechtbank bericht dat zij zich verenigen met de overweging van de rechtbank dat een deskundigenbericht gewenst is. Ook [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] heeft bij akte uitlaten van 12 maart 2025 gereageerd op de overwegingen van de rechtbank over het houden van een deskundigenbericht.
deskundigenbericht en de te benoemen deskundige
Partijen zijn het er over eens dat met de benoeming van één deskundige kan worden volstaan. [eisers in de hoofdzaak] stellen bij akte uitlaten voor om een expert op het gebied van dak- en geveladvies te benoemen als deskundige en stellen als deskundige Kiwa BDA voor. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] stelt bij akte uitlaten voor om een expert van Repon Dakbedekkingen B.V. te benoemen, dan wel een deskundige elders in het land gevestigd, met aantoonbare ervaring met platte daken, constructieberekeningen en de mechanische fixatie van afschotisolatie.
Nu partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de persoon van de te benoemen deskundige zal de rechtbank zelf een niet door partijen genoemde deskundige benoemen met expertise op het gebied van dakbedekkingsconstructie en constructie-berekeningen en mechanische fixatie van afschotisolatie.
De rechtbank heeft daartoe Dakindex B.V. (hierna: “Dakindex”) benaderd. Dakindex, in de persoon van de heer R. de Vries (hierna: “de deskundige”), heeft desgevraagd bij e-mailbericht van 26 juni 2025 laten weten bereid en in staat te zijn om het deskundigenonderzoek uit te voeren. De deskundige heeft zijn kosten begroot op € 4.845,00 (excl. BTW), eventueel te vermeerderen met een bedrag van € 1.150,00 (excl. BTW) in het geval een medewerker van Dakindex insnijdingen in het dakbedekkingssysteem moet maken.
[eisers in de hoofdzaak] hebben bij e-mailbericht van mr. Hage van 7 juli 2025 laten weten dat zij geen opmerkingen hebben ten aanzien van de offerte van de deskundige en dat zij er de voorkeur aan geven dat de insnijdingen niet door [gedaagde in de vrijwaringszaak] worden gemaakt, maar door een medewerker van Dakindex. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] heeft bij e-mailbericht van mr. Wittendorp van 7 juli 2025 laten weten dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] niet bereid is om de insnijdingen te maken en ook niet een valbeveiliging zal plaatsen. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] geeft verder aan dat hij de kosten van de deskundige onredelijk hoog acht. Ten slotte geeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] aan bij het onderzoek niet zonder meer de Vakrichtlijn Bitumineuze- en Kunststofdakbedekking, laatste versie, bij het onderzoek betrokken kan worden.
De door de deskundige begrote kosten komen de rechtbank niet bovenmatig voor, gelet op de aard en omvang van het uit te voeren onderzoek. Nu [gedaagde in de vrijwaringszaak] heeft aangegeven geen insnijdingen te zullen maken, verwacht de rechtbank dat deze zullen worden gemaakt door een medewerker van Dakindex. Het voorschot van de kosten van de deskundige komt daarmee neer op een bedrag van ((€ 4.845,00 + € 1.150,00) x 1,21 =) € 7.253,95 (incl. BTW). Indien de deskundige van oordeel is dat een valbeveiliging noodzakelijk is ten behoeve van een veilige uitvoering van het onderzoek, dan verwacht de rechtbank dat de deskundige dit tijdig met partijen bespreekt en de rechtbank vervolgens tijdig verzoekt om een eventuele verhoging van het voorschot, een en ander conform de Leidraad deskundigen in civiele zaken. Het voorschot zal door [eisers in de hoofdzaak] moeten worden voldaan, zoals reeds overwogen in het tussenvonnis van 12 februari 2025.
de aan de deskundige te stellen vragen
Partijen hebben bij akten uitlaten eveneens gereageerd op de aan de te benoemen deskundige te stellen vragen, zoals (voorlopig) geformuleerd in het tussenvonnis van 12 februari 2025 onder rechtsoverweging 4.13.
[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] heeft in de akte uitlaten onder randnummer 12 een aanvullende vraag geformuleerd. De rechtbank overweegt dat, omdat de in die vraag opgesomde informatie relevant kan zijn voor het onderzoek ter plaatse door de deskundige, die vraag zal worden toegevoegd aan de bij het tussenvonnis van 12 februari 2025 geformuleerde vraag 1. De opmerking van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] in randnummer 10 van de akte uitlaten over – kort gezegd – oude lekkages wordt daarentegen gepasseerd. Er is door partijen immers niet alleen gesproken over oude lekkages. [eisers in de hoofdzaak] hebben ook gesteld dat het dak nog steeds nat is en dat vanuit eigen waarneming duidelijk voelbaar op het dak is dat tussen de dakbedekking en de kanaalplatvloer water zit. De deskundige zal dan ook de huidige, feitelijke situatie ter plaatse moeten vaststellen. De rechtbank handhaaft derhalve de door haar geformuleerde vraag 1.
De door [eisers in de hoofdzaak] bij akte uitlaten van 12 maart 2025 geformuleerde vragen 1, aanhef en tweede deel, 9 en 10 zijn relevant voor het deskundigenonderzoek en zullen worden toegevoegd aan de bij het tussenvonnis van 12 februari 2025 geformuleerde vragen.
De overige vragen van [eisers in de hoofdzaak] zullen niet aan de deskundige worden voorgelegd, omdat die vragen onvoldoende feiten en/of omstandigheden omvatten die relevant kunnen zijn voor de bewijsopdracht en het te verrichten onderzoek door de deskundige. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Het eerste deel van vraag 1 gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat de Vakrichtlijn Gesloten dakbedekkingssystemen op de aannemingsovereenkomst van toepassing is. Ook de vragen 5, 6 en 11 gaan uit van die onjuiste veronderstelling. Het toetsingskader heeft de rechtbank hiervoor onder rov. 2.1 en in het tussenvonnis van 12 februari 2025 vermeld.
Ook de vragen 2 en 7 gaan uit van een onjuiste veronderstelling, namelijk van de situatie waarin een bitumineuze dampremmende laag had moeten worden aangebracht, maar dat is niet door partijen overeengekomen (zie rov. 4.7 tussenvonnis 12 februari 2025).
Vraag 3 betreft een vraag in zijn algemeenheid en is onvoldoende concreet geformuleerd voor dit specifieke geval.
Vraag 4 is niet op voorhand relevant, omdat het aantal bevestigers en de trekwaarden van die bevestigers op dit moment niet in geschil zijn. Mocht de deskundige van oordeel zijn dat daarin (een deel van) het gebrek schuilt, dan zal de deskundige dit bij de beantwoording van vraag 1 mee kunnen nemen.
[eisers in de hoofdzaak] hebben niet concreet uiteengezet waarom (de dikte van) de isolatie in enig verband staat met de gestelde lekkages c.q. vochtprobleem. Vraag 8 is dan ook niet op voorhand relevant.
De vragen 12 en 13 voegen op zichzelf niets toe aan de al in het tussenvonnis onder 4 en 5 formuleerde vragen.
Gelet op het bovenstaande zullen aan de te benoemen deskundige de onder beslissing 3.1. geformuleerd (her-nummerde) vragen worden voorgelegd. Wel wijst de rechtbank de deskundige, in lijn met de opmerking namens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] in de brief van mr. Wittendorp van 7 juli 2025, erop dat de Vakrichtlijn Bitumineuze- en Kunststofdakbedekking, laatste versie, niet zonder meer betrokken kan worden in het onderzoek, maar dat de deskundige de uitvoering van de werkzaamheden zal moeten beoordelen met inachtneming van de uitgangspunten, zoals die in het tussenvonnis van 12 februari 2025 zijn geformuleerd, meer specifiek onder meer onder rechtsoverweging 4.7 en 4.12 van dat vonnis.
aan de deskundige te verstrekken informatie
De rechtbank wijst partijen erop dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige, zoals hierna onder de beslissingen 3.6. – 3.9. omschreven. Wordt een van die verplichtingen niet nagekomen, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij. De rechtbank herhaalt dat de te benoemen deskundige zonder voorkennis van de rapporten van Vebidak zijn onderzoek zal moeten verrichten (zie rov. 4.12, tussenvonnis 12 februari 2025). De reden voor dit oordeel volgt uit de rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8 van dat tussenvonnis. Het door [eisers in de hoofdzaak] aan de deskundige te verstrekken procesdossier mag die rapporten dan ook niet omvatten. Het gaat echter te ver om, zoals [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] verzoekt bij akte uitlaten van 12 maart 2025 onder 9, dat er in het geheel geen processtukken aan de deskundige moeten worden verstrekt. De deskundige moet immers aan de hand van het procesdossier kunnen beoordelen welke technische stukken en afspraken daaruit relevant zijn voor het door hem te verrichten onderzoek.
[eisers in de hoofdzaak] hebben bij akten uitlaten de rechtbank verzocht hen toe te staan om een deskundige van Vebidak mee te nemen naar het door de deskundige te verrichten onderzoek ter plaatse. De rechtbank overweegt dat [eisers in de hoofdzaak] en ook [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] tijdens het onderzoek ter plaatse zich mogen laten bijstaan door een eigen adviseur, maar dat het niet de bedoeling is dat een partij-adviseur zich actief en ongevraagd zal mengen in het onderzoek van de deskundige. Het is evenmin de bedoeling dat de rapporten van Vebidak door partijen op die manier opnieuw als discussiepunt naar voren worden gebracht. Het is verder aan de deskundige om te bepalen in hoeverre een partij-adviseur opmerkingen mag maken. Voor het overige geldt dat indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij dient te verstrekken.
Overig
De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
in de vrijwaringszaak
De aanhouding van de vrijwaringszaak wordt om redenen als geoordeeld in het tussenvonnis van 12 februari 2025 onder 8.1. en 8.2. voortgezet.
3. De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
beveelt een onderzoek door een deskundige op het gebied van dakbedekkings-constructie, met expertise van constructieberekeningen en mechanische fixatie van afschotisolatie, ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Zit er op het moment van uw onderzoek aan de dakbedekking vocht tussen de kanaalplaatvloer en de dakbedekkingsconstructie?
Zo ja, bij welke dakdelen en wat is de oorzaak ervan? Meer in het bijzonder: is de dakbedekking zoals door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaringszaak] (althans haar onderaannemer) aangebracht hieraan debet? Is de dakbedekking zelf gebrekkig of moet de oorzaak worden gezocht in de dakbedekkingsconstructie? Is het beton aangetast door het vocht? Zo neen, is te verwachten dat dit alsnog zal gebeuren?
Is het mogelijk dat de lekkage in 2021 (zie rov. 2.6 tussenvonnis 12 februari 2025) het gevolg is geweest van werkzaamheden aan de stadsuitloop/hemelwaterafvoer die zijn uitgevoerd door een derde, waarbij de dakconstructie beschadigd is geraakt? Zo ja, zijn die beschadigingen inmiddels verholpen? Kunnen die beschadigingen niet (meer) debet zijn aan vocht tussen de kanaalplaatvloer en de dakbedekkingsconstructie, voor zover daarvan sprake is tijdens uw onderzoek? Is door de lekkages de isolatie ter plaatse van de lekkages aangetast? En zo ja, welk gevolg heeft dit voor de warmteweerstand van de isolatieplaten?
2. Is de op het woonhuis aangebrachte dakbedekkingsconstructie conform het verwerkingsvoorschrift van de producent/leverancier uitgevoerd?
3. Indien sprake is van vocht onder de dakbedekking, is de waarde ervan dan te hoog in verband met de geldende regelgeving op dit punt? Zo, ja kunt u dit uitleggen en laten zien aan de hand van foto’s in uw rapport en onder verwijzing naar de bewuste regelgeving?
4. Is – kort gezegd – sprake van een rottend dak? Zo ja, kunt u dit onderbouwen en de eventuele voortgang en ernst van dit probleem aangeven?
5. Indien sprake is van een vochtprobleem (vocht tussen kanaalplaatvloer en dakbedekking) hoe moet dit dan worden opgelost / hersteld? Wat zijn daarvoor de te verwachten kosten? Gaarne onderbouwen met een berekening, eventueel onderbouwd met offertes.
6. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
benoemt tot deskundige:
De heer R. de Vries
Dakindex B.V.
Rijksstraatweg 50, 8468 ME Haskerdijken,
telefoon:
e-mailadres: info@dakindex.nl
het voorschot
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 7.253,95,
bepaalt dat [eisers in de hoofdzaak] het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
bepaalt dat [eisers in de hoofdzaak] hun procesdossier met uitzondering van de rapporten van Vebidak in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
wijst de deskundige er op dat:
de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,
de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,
indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
wijst de deskundige er op dat:
uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
bepaalt dat de zaak na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht weer op de rol zal komen voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van beide partijen op een termijn van vier weken,
draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen, indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen en wel voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken,
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de zaak in vrijwaring
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken.